DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 6 van 11.

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 6 van 11.

Directeuren / Personeel / werkplaatsen en werkzaamheden

Als directeur van deze inrichtingen traden achtereenvolgend op: Generaal Majoor P. Huguenin, Paravinci di Capelli, van Gorkum, U. Huguenin, de Kolonels Riesz, Hoogeveen, Dinaux, van Meurs, Steuerwald, Blanken, de Luitenant Kolonels von Pfaffenrath, van de Meer de Walchren, Verheije van Sonsbeek en Sesseler.

De huidige (1879) directeur is Kolonel P.H.J.A. de Booy.

De werkplaatsen bestaan dan uit:

Een modelkamer

Een smederij

Een grofsmederij

Een timmermanswerkplaats

Een zadelmakerij

Een boorkamer

Een instrumentmakerij

Een ververij

Arbeiders in de smederij van de Constructiewerkplaatsen te Delft

Het hieraan verbonden personeel bestaat uit:

1 Kolonel directeur

1 Majoor onderdirecteur

1 Kapitein, hoofd van de keuringscommissie

1 Kapitein hoofdopzichter

1 Kapitein Adjudant van het materieel

8 Officieren hoofdopzichters

5 Magazijnmeesters

12 Conducteurs

1 Chef van de kantoren

4 Boekhouders

9 Schrijvers

2 Tekenaars

1 Werktuigkundig Ingenieur

6 burger opzichters (2 bazen in chinisten, 2 keurders, 2 bazen werkplaatsen)

10 onderopzichters

2 Meester gieters

2 ma…?

6 bedienden en portiers

12 magazijnknechten

Verder naar behoefte te bepalen en op daggeld aangestelde burger werklieden. En enige militairen die opgeleid worden tot Meester werklieden bij de korpsen.

Kabelkar op de binnenplaats van de Constructiewerkplaatsen te Delft

De verschillende militaire werkplaatsen en fabrieken in Delft bestaan uit:

De Constructiewerkplaatsen nabij de Rotterdamsche poort.

Het Magazijn de Geer, aan het water met dezelfde naam.

De Houtloodsen aan de Rotterdamsche weg.

Het Kruithuis aan de Rotterdamsche vaart.

De IJzergieterij, Patroonfabriek en de Slagkruitfabriek aan de Buitenwatersloot.

De Geweerfabriek aan de Verwersdijk.

De Pyrotechnische werkplaatsen en de Affuitloodsen op de Paardenmarkt.

Karren en geschut op de binnenplaats van de Constructiewerkplaatsen in Delft.

Volgens de begroting van het Departement van Oorlog is in 1878 het volgende werk verricht:

318 bronzen en drie stalen kannonnen afgewerkt, van trekken voorzien enz.

Ongeveer 73.000 granaten, 5500 granaatkartetsen en 504.000 kartetsen van verschillend kaliber aangemaakt.

Ruim 50 affuiten van verschillende soorten vervaardigt.

74 affuiten herstelt of gewijzigd.

85 artillerie voertuigen herstelt of gewijzigd.

6.396.000 geweerkogels en ruim 800.000 revolverpatronen aangemaakt enz., enz.

Verder bevat de lijst nog een enorme hoeveelheid aangemaakte en herstelde onderdelen van materieel, tuigen, pontonbehoeften enz.

Het valt wellicht op dat er veel toezichthoudend personeel was. Dit komt omdat de samenstelling van onderdelen, munitie, wapens enz. zeer nauw luistert en er over het algemeen dus meer controle en toezicht nodig is dan bij algemeen fabriekswerk. ©PDKAIH2017

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 5 van 11.

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 5 van 11.

Viering van het 200 jarig bestaan

In 1879 wilde men in Delft het 200 jarig bestaan van de Artillerie Inrichtingen die inmiddels uit de affuitmakerij was ontstaan, vieren op 5 augustus de datum van bekendmaking van de resolutie. Maar juist in die tijd overleed de Prins van Oranje¹. Om die reden werden de feestelijkheden uitgesteld naar 22 november, de datum van de aanbesteding. Sindsdien gebruikt men deze datum voor de verjaardagen van het bedrijf.

deel 5 0

Willem van Oranje

¹ 6 Op 11 juni 1879 stierf prins Willem, 38 jaar oud, te Parijs aan een combinatie van tyfus, een leveraandoening en uitputting. Hij werd bijgezet in de grafkelder van Oranje Nassau in de Nieuwe kerk te Delft op 26 juni 1879. Zijn jongere broer Alexander volgde hem op als Prins van Oranje.

Voor dit feest werden bij kabinetsrescript van 31 juli 1879, nr. 13, goedgekeurd door Zijne Majesteit de Koning, voor een reünie diner uitgenodigd, alle oud officieren en officieren die ooit werkzaam waren geweest in één van de werkplaatsen van de Artillerie Inrichtingen te Delft. Als zij hieraan wilden deelnemen moesten zij zich voor 1 november melden bij de secretaris van de feestcommissie onder vermelding van de inrichting en het tijdvak waarin zij werkzaam waren geweest. Tevens moest er een bedrag betaald worden van hfl 5,- zijnde de kosten voor het couvert exclusief de wijn.

feestcommissie bestond uit de volgende personen:

Kolonel P.H.A.J. de Booy, ere voorzitter

Kapitein P.W. Pfeiffer, voorzitter De

Kapitein W.B. Westhoff, penningmeester

F.W. Braat, industrieel

G.J. Leeuwenberg, handelaar

Kapitein W. de Man

Mr. W.K.S. Van der Mandele, lid van de gemeenteraad

1e Luitenant S.L. van Nooten

1e Luitenant H.J. Ter Spill

1e Luitenant Jhr. E.M. van Belima, secretaris.

deel 5 1

Het reünie diner

Het feestelijkheden werden op 22 november, ‘s middags om 1 uur geopend met volksspelen op de Groote Markt. Het geheel werd opgeluisterd met muziek van het 3e regiment huzaren uit ’s Gravenhage. Een uur voor de opening speelde het klokkenspel en in de hele stad hingen de vlaggen uit. Iedereen was naar de Groote Markt gekomen. De woensdag ervoor had in Den Doele de eerste van vier grote toneelvoorstellingen plaats gevolgd door een concert en een goochelvoorstelling voor de kinderen door de hr. Bamberg. Het opgevoerde blijspel “de oude kleerkoop of een vriend in nood” viel bij het publiek en de smaak. Dit bleek uit de staande ovaties en het terugroepen van de acteurs. Onder leiding van de Luitenant van de artillerie, Jhr. Van der Does was in de concertzaal een wapentropee met daarboven het borstbeeld van de Koning opgericht. Door de maatregelen van de feestcommissie en dhr. Gaarland (pachter van de Doele) verliep ook het buffet, ondanks de vele aanwezigen geheel naar wens. Aan het gebouw van de Doele was in plaats van de gewone lantaarn een fraaie gasilluminatie aangebracht.

deel 5 2

Trompetterkorps 3e regiment huzaren uit ’s Gravenhage (Rode Huzaren) A.M. Luijt

De volgende dag vertrok om 10 uur in de ochtend het personeel van de ijzergieterij en de patroonfabriek, vooraf gegaan door muziek, door de stad, naar de Constructiewerkplaatsen. Tijdens deze tocht sloot het personeel van de Stapel en Constructiemagazijnen zich bij deze stoet aan. Bij de werkplaatsen aangekomen voegde ook het personeel van de pyrotechnische werkplaatsen zich bij dit gezelschap. Iedere afdeling werklieden voerde haar eigen vaandel met zich mee. Het was een aardig schouwspel om deze 900 mannen opgesteld te zien langs de open binnenplaats van de Constructiewerkplaatsen. De binnenplaats was toepasselijk versierd met krijgstrofeeën, borstbeelden en wapenschilden. In het midden van de binnenplaats was een podium ingericht voor de oude Grootmeester der Artillerie, die deze plechtigheid met zijn aanwezigheid zou opluisteren, Zijn Koninklijke Hoogheid Prins Frederik.

deel 5 3

Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Frederik

Om half één kwam de bejaarde Prins, vergezelde door zijn staf, per rijtuig uit de Residentie. Na de werklieden te hebben geïnspecteerd en de verschillende reünisten, bestaande uit officieren die vroeger werkzaam waren bij de inrichtingen, de militaire autoriteiten enz. te hebben begroet, nam de Prins plaats op het voor hem gebouwde podium. Omgeven door schitterend uitgedoste stafofficieren, de stedelijke autoriteiten, de schutterij enz. stond de Prins daar met voor zich de brede schare aan werklieden.

deel 5 4

Personeel van de Constructiewerkplaatsen tijdens het 200 jarig bestaan

Toen beklom de Kolonel Directeur der Artillerie Inrichtingen P.H.J.A. de Booij een daarvoor ingericht spreekgestoelte om zijn feestrede uit te spreken. Allereerst noemde hij de aanwezigheid van de Prins een kroon op het feest. Hij bedankte de Vorst voor zijn voortdurende belangstelling voor het artillerie wapen en dankte daarna alle aanwezige autoriteiten.

Zijne Majesteit de Koning en de Kroonprins hadden beiden hun leedwezen betuigd dat zij verhinderd waren en daardoor niet bij de feestelijkheden aanwezig konden zijn. Om de aanleiding voor de feestelijkheden te duiden, gaf de spreker een schets van de historie van de Inrichtingen. Vervolgens vertelde de spreker over de welwillende beschikking van de Minister van Oorlog om een, ter herinnering aan dit feest, herdenkingspenning uit te geven. Een gouden exemplaar voor de Koning, een zilveren exemplaar voor de Kroonprins van Oranje, voor Prins Frederik, de stad Delft en aan de vroegere en huidige Hoofdofficieren van de inrichtingen. De huidige officieren, de werklieden en de raadsleden van de stad ontvangen ieder een exemplaar in brons.

De penning werd ontworpen door de heer van Bruggen, 1e tekenaar van de constructiewerkplaats. Hij stelt aan de ene zijde de werkplaatsen voor gezien in vogelvlucht, en de jaartallen 1679 – 1879 en het randschrift affuitmakerij en constructiewerkplaatsen. Aan de andere zijde de datum van 1879 in een lauwerkrans en het randschrift 200 jarig bestaan van ’s rijks artillerie-inrichtingen.

Aan het slot van zijn rede wees de spreker op de grote betekenis van deze werkplaatsen vergeleken met wat er op dit gebied in het buitenland bestaat. Vervolgens dankte hij de Vorstelijke Grootmeester der Artillerie voor zijn aanwezigheid en zijn, zoals meermaals ondervonden, belangstelling voor de inrichtingen. Met een juichkreet ter ere van de Prins, welke een luide en herhaalde weerklank vond in de menigte, sloot de spreker zijn rede.

Prins Frederik nam nu het woord, hij bedankte kolonel de Booy voor de grote diensten door hem als chef aan deze werkplaatsen bewezen. De Prins herinnerde zich dat hij deze werkplaatsen al 62 jaar kent. Ofschoon hij vroeger beter volgde wat hier gebeurde, durfde hij toch te verzekeren, dat al is de inrichting niet zo uitgebreid als de buitenlandse, haar wetenschappelijke waarde word in den vreemde niet overtroffen. Tenslotte gaf hij aan de officieren en medewerkers te kennen dat het zijn wens was de verschillende vakken van de artillerie vervaardiging tot een dergelijke hoogte op te voeren dat de vreemdeling bevreesd moest zijn met de Nederlandse kanonnen in aanraking te komen. Een oorverdovend hoera en “leve de Prins” was het antwoord op deze woorden.

deel 5 5

Personeel van de Geweerwinkel tijdens het 200 jarig bestaan

Hierna ging kolonel de Booy over tot het uitreiken van de medailles. Eerst aan de Prins en vervolgens aan de nestor van de Nederlandse artilleristen de Generaal van Meurs en de stad Delft. In naam van de Delftse burgerij sprak de burgemeester een welgemeend woord van sympathie voor het feest en het langdurige bestaan van de inrichting. Hij hoopte dat deze medaille een gedenkstuk zou worden even belangrijk voor de nazaat als nu voor de tijdgenoot en de burgerij van Delft.

Tenslotte nam de Prins weer het woord om het dagelijks bestuur en de raad van Delft zijn leedwezen te betuigen, dat hij helaas niet in de gelegenheid was om aan de aan hem aangeboden lunch in het stadhuis deel te nemen.

De voor en achterzijde van de bronzen herdenkingsmunt

Hiermee was de openbare plechtigheid afgelopen en werd in de versierde bibliotheek van de constructiewerkplaatsen, waar de Prins nog enige tijd vertoefde een korte audiëntie door hem gehouden. Bij herhaling en hartelijk bedankte de Prins de feestcommissie uit de burgerij voor hun medewerking en zorg aan deze feestelijkheden. Ruim anderhalf uur duurde de plechtigheid, welke ondanks het vinnig koude weer, door de Prins al die tijd werd bijgewoond in de open lucht.

Later in de middag was er op de Groote Markt een openbaar concert. De reünisten gingen door met feestvieren en namen ’s avonds deel aan het gastmaal. Dit terwijl de werkplaatsen en verschillende plaatsen in de stad elektrisch of met lichtbeelden verlicht waren. Het 200-jarig bestaan van de werkplaatsen werd dus met grote feestelijkheden in november 1879 te Delft gevierd. Het hele stadje leefde met de Artillerie Inrichtingen mee. Misschien zou het feest minder opgewekt zijn geweest als men geweten had wat er nog geen twintig jaar later zou gebeuren. ©PDKAIH2017

 

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 4 van 11.

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 4 van 11.

De veranderingen

Als gevolg van het in 1815 opgemaakte plan tot het verdubbelen der Constructie Magazijnen, werd een smederij ingericht voor 70 smidsvuren en kwam aan de overzijde hiervan een gebouw tot stand, waarin later de bibliotheek, de bureaus en het ijzermagazijn werden gevestigd. Op het Westelijk gedeelte van de kanonnenwerf verrees een lange loods. De werktuigelijke inrichting bepaalde zich tot drie draaibanken voor de houtdraaiers, vijf wielputten, enig snijdgereedschap voor stelschroeven, twaalf smidshaarden, twaalf blaasbalgen voor die haarden, twee toestellen voor het zagen van hout en verder het handgereedschap voor ambachtslieden. De begroting aan werkloon van de constructiewinkel bedroeg in 1816 hfl 62.540,-.

De Franse heerschappij was juist geëindigd en het vertrek van de Franse troepen was gepaard gegaan met plundering en vernieling. De talrijke vestingen in Noord-Nederland misten dus zeer veel van haar krijgsvoorraad. Toen het congres te Wenen, in het begin van 1815, het besluit had genomen dat België met Nederland samen één rijk zouden worden, zag het oorlogsbestuur van die tijd zich genoodzaakt ook te zorgen voor de niet minder talrijke en even uitgeputte vestingen in Zuid-Nederland. Voordat men zich kon wijden aan de uitrusting van die vestingen, vereiste de staatkundige toestand van Europa, dat in de eerste plaats maatregelen werden genomen om het veldleger voor zijn bestemming geschikt te maken. Toen de eerste eisen van het veldleger waren voldaan, kon men eindelijk de aandacht besteden aan de vestingen. In eerste plaats zorgde men voor de vestingen in Zuid-Nederland, waarvoor ook te Antwerpen werd gewerkt. Voor het jaar 1816 werd hfl 60.000,- bestemd voor de aankoop van hout en hfl 70.000,- voor ijzer. Het verbruik was evenredig aan de toevoer, want de vestingen in Zuid-Nederland vorderden zeer veel wal- en vestingaffuiten.

In 1827 kregen de Kapiteins van Rozendaal, Hoogeveen en de 2e Luitenant Jooss opdracht om in verschillende buitenlandse fabrieken te gaan kijken hoe de productie daar werd uitgevoerd. Als gevolg van deze bezoeken werden verschillende verbeteringen in de fabricage aangebracht.

Toen in 1830 door de Belgische opstand¹ Luik aan ons beheer werd onttrokken, achtten sommige officieren het nodig in Noord-Nederland een geweerfabriek op te richten. Dit omdat men een aanzienlijk aantal geweren bezat (220.000 verschillende geweren, 9000 karabijnen en 16000 pistolen). Omdat de kosten van een geheel nieuwe inrichting een belangrijke som vereiste, besloot men het aantal werkkrachten van de bestaande werkplaats te vergroten en de nodige verwisselstukken door aankoop in het buitenland te verkrijgen.

Septemberdagen 1830 op de Grote Markt in Brussel © Guustaaf Wappers, 1835

¹Als gevolg van het Congres van Wenen, werd Koning Willem 1, Koning van zowel de Noordelijke als de Zuidelijke Nederlanden. Na vijftien jaar waren veel Belgen ontevreden. Veel van de katholieke zuiderlingen waren niet blij met het feit dat Willem I protestants was en de Franstalige edelen vonden het vervelend dat de regering Nederlands sprak. Veel liberalen waren daarnaast van mening dat de koning veel te machtig was. Toen in 1830 in Frankrijk de Koning Karel X succesvol werd afgezet kwamen ook de Belgen in actie.

Op 25 augustus 1830 werd in de Muntschouwburg in Brussel de opera La Muette de Portica (de stomme van Portica) opgevoerd, ter gelegenheid van de verjaardag van koning Willem I. Het stuk ging over een opstand tegen de Napolitaanse Koninklijke garde. Bij de aria Amour sacré de la patrie (De heilige liefde voor het vaderland) sloeg de vlam in de pan. Rond de Brusselse schouwburg had zich al een groep relschoppers verzameld en zij kregen gezelschap van tientallen bezoekers van de schouwburg. Gezamenlijk sloegen ze ruiten in, plunderden ze winkels en verzamelden ze wapens. Het was het begin van de Belgische opstand. Koning Willem I wilde de Zuidelijke Nederlanden koste wat het kost in het Koninkrijk houden en zette het leger in tegen de opstandelingen. Al snel splitste het leger zich echter. De zuidelijke militairen deserteerden op grote schaal. Dit versterkte het onafhankelijkheidsgevoel van de Belgen nog meer en er werd een nieuwe koning aangesteld. Leopold van Saksen-Coburg hij werd de eerste koning der Belgen. Leopold I legde op 21 juli 1831 de grondwettelijke eed af. Die datum is om die reden in België nog altijd de nationale feestdag.

Nadat de bedrijvigheid die verscheidene jaren had geheerst, door de bewapening van de zuidelijke vestingen begon te verminderen, werd er een nieuwe bron van arbeid geopend door orders afkomstig van de Marine. Ook voor Indië werden vele orders uitgevoerd. Het verlies der hulpbronnen in België was er de oorzaak van dat alle behoeften uit Delft moesten worden betrokken en hoewel het aantal vestingen door de gebeurtenissen van 1830 minder werd, was de langdurige oorlogstoestand die weldra intrad, er de oorzaak van dat de vestingen in Limburg, Noord- Brabant, een gedeelte van Zeeland, het veldleger en de marine zelf, ondanks de inspanning van alle krachten, niet tijdig genoeg door de werkplaatsen konden worden uitgerust. Waardoor men gedwongen werd tot het nemen van buitengewone maatregelen.

Het jaar 1830 is voorts gedenkwaardig omdat aan het in 1827 als gevolg van de bezoeken aan buitenlandse fabrieken ontworpen plan tot opstelling van een groot stoomwerktuig begin van uitvoering werd gegeven. Het verlies van Luik had tengevolge dat de Generaal Majoor Ulrich Huguenin die daar tot de revolutie de scepter zwaaide, maar nu directeur van de stapel en constructiemagazijnen te Delft was geworden, in oktober 1830 besloot dat er een nieuw salpetermagazijn gebouwd diende te worden en tevens besloot hij tot de oprichting van een ijzergieterij. Zeer belangrijk waren de hoeveelheden materiaal, die in het tweede halfjaar in aanmaak werden gegeven. De orders van 1831 getuigden er van dat men in alle benodigdheden tot een krachtige handhaving van onze rechten trachtte te voorzien. Van grote omvang zijn wederom de aanwijzingen van aan te maken materieel.

Ongedateerde kaart met daarop de werkplaatsen / magazijnen en de ijzergieterij (rechts)

Vanaf 1831 maakt men gebruik van stoom als beweegkracht. In de zomer van dat jaar werd in tegenwoordigheid en onder toeziend oog van de hoogleraar Verdam een stoommachine opgesteld van 20 paardenkrachten. Deze was voorzien van een windvergaarbak, waardoor de smidsvuren onafhankelijk werden van de blaasbalgen. In 1842 werd in de grofsmederij een stoomwerktuig geplaatst voor het in werking zetten van een staarthamer van 500 kg. Door de afgezonderde ligging van de ijzergieterij die niet bereikbaar was voor grote vaartuigen, voorzag men dat de transportkosten bij het verwerken van geschut aanzienlijk zouden zijn.

Omdat ook de gebouwen en terreinen ook niet volledig voor het doel geschikt waren, gaf men aan het Ministerie van Oorlog in overweging om in de nabijheid van Delft, aan de Schie, op een aan te kopen terrein, een geheel nieuwe werkplaats op te richten voor het gieten en afwerken van ijzeren geschut. Ook de ijzergieterij zou daar naar toe overgebracht moeten worden. Op de daardoor vrijkomende ruimtes en terreinen zou dan alles kunnen komen wat tot het vak van een vuurwerkmaker behoorde. De werkplaatsen aan de Paardenmarkt zouden dan moeten worden ontruimd, zodat de slagkruitfabriek, het laboratorium en de Pyrotechnische werkplaatsen op één plaats buiten de stad gevestigd zouden zijn. Tegelijkertijd kon dan worden voldaan aan de noodzaak de Pyrotechnische werkplaatsen uit te breiden. Buiten de prijs voor het terrein bedroeg de raming van de kosten hfl 94.000,- Voor ketels, stoomwerktuigen, machinerieën, etc. werd hfl 39.500,- begroot. In 1848 gaf de minister te kennen, dat de tijdsomstandigheden het niet toelieten uitvoering aan het plan te geven.

Een door stoom aangedreven valhamer in de smederij van de Constructiewerkplaatsen te Delft.

In dat zelfde jaar was de toestand in de omringende landen van dien aard dat de spanning hoog opliep. Hierdoor konden voorzorgsmaatregelen niet uitblijven. Vandaar dat er wederom een buitengewone bedrijvigheid in alle afdelingen der artillerie inrichtingen heerste.

In 1859 werd begonnen enige kanonnen een inrichting te geven die er na verloop van jaren toe zou leidden dat een volkomen verandering in het artilleriematerieel tot stand werd gebracht. In maart van dat jaar werd de opdracht verstrekt een bronzen kanon van trekken te voorzien. Hierdoor werd het mogelijk de vuurkracht en de precisie van het schot te verbeteren. Dit was het begin van de veranderingen, die op het wapen der artillerie en daardoor ook op de werkplaatsen een zo overwegende invloed hebben uitgeoefend.

Het jaar 1870 neemt in de geschiedenis der Artillerie-inrichtingen een gedenkwaardige plaats in. Als gevolg van de oorlog tussen twee grote mogendheden² werd ons leger gedurende enige tijd gemobiliseerd. Gedurende 1872 en 1873 werden verscheidene achterlaad kanonnen afgewerkt, om te worden beproefd. Enige affuiten werden met hetzelfde oogmerk voorzien van ijzeren verhoogstukken. De al vroeger beproefde transportwagens met draaiend voor onderstel werden in 1873 in gebruik genomen. In de hierop volgende jaren zijn de machine installaties en het aantal werktuigen voortdurend uitgebreid. Hierdoor werd een aanzienlijke besparing op machines en arbeidsloon verkregen.

²Oorlog die begon op 19 juli 1870 en duurde tot 10 mei 1871 werd gevoerd tussen Frankrijk en de Duitse staten, geleid door Pruisen. Frankrijk was beducht geraakt voor de snel groeiende Pruisische macht. Tot 1870 was Frankrijk immers de meest dominante natie op het vasteland in Europa. Maar nu werd de dominante positie van Frankrijk bedreigd door Pruisen, onder leiding van kanselier Bismarck. De oorlog zou leiden tot een overwinning van Pruisen en zijn bondgenoten en resulteren in de oprichting van het Duitse Keizerrijk, waarin de Duitse staten verenigd werden.

Verwijderen van de bronzen kern uit een kanon met als doel het van trekken en velden te voorzien en her te gebruiken. Constructiewerkplaatsen aan de v. Leeuwenhoeksingel te Delft. 1915

©PDKAIH2017

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 3 van 11.

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 3 van 11.

Het personeel van de affuitmakerij

Als hoofden der Artillerie Inrichtingen traden de volgende autoriteiten op:Een inspecteur, belast met het algemeen toezicht over de magazijnen en tevens verantwoordelijk voor het volledig aanwezig zijn van de uitrusting.

Een commandeur, belast met het zich dagelijks op de werven en in de magazijnen te bevinden. Dit om de gang van de werkzaamheden in de gaten te houden.

Een Commies, belast met de verantwoording voor de te ontvangen grondstoffen en materialen en voor de verstrekking van de vervaardigde voorwerpen

Een conducteur, belast met het assisteren van de commies.

Het zogenaamde mindere personeel bestond uit:

1 meesterknecht voor het kantoor.

2 knechten voor het kantoor.

7 sjouwerlieden.

17 knechten.

1 baas affuitmaker.

1 wielenmaker.

1 knecht voor de wielenmaker

1 smid

3 knechten voor de smid

2 houtzagers

1 houtwerker

12 bewakers, deze hielden ’s winters als de sloten om het complex bevroren waren in ploegen van vier de wacht. Hun salaris bedroeg 16 stuivers per nacht.

Hard werd er in die tijd niet gewerkt. In een verslag van Generaal Von Creutenach, uit omstreeks 1750, leest men dat in de affuitmakerij slechts zes houtwerkers en vier smeden werkzaam waren. Ook waren er zeventien werklieden voor het onderhouden van geweren, die hun werk slecht uitvoerden.

Deze eenvoudige inrichting is tot 1755 onveranderd gebleven.

In dat jaar was er behoefte aan uitbreiding. Er werd gevolg gegeven aan een voorstel van de toenmalige commies van Holland, Mr. Dirk van Heemskerk. Enige oude gebouwen werden afgebroken en er kwamen twee grote loodsen voor in de plaats. Een kleiner gebouw naast die loodsen diende tot ijzermagazijn. De eerste steen werd in de muur van de smederij geplaatst. Op deze steen prijkte de naam van de toenmalige conducteur (chef over de machines), Hendrik Klancke en de datum 26 mei 1755.

Dat het aan de inrichting verbonden personeel niet altijd zo talrijk was als al eerder aangegeven ligt voor de hand. De samenstelling van het personeel was voortdurende onderhevig aan de hoeveelheid handarbeid die verricht moest worden. De meest ingrijpende wijziging had plaats onder het bewind van Koning Lodewijk Napoleon die alle burgerwerklieden verving door een compagnie militaire werklieden.

Smidse en Modellenzaal der Stapel en Constructie magazijnen der Artillerie Inrichtingen te Delft

Toen Nederland in 1813, na verdrijving van de Fransen, weer zichzelf was geworden, werd in 1916 Pieter Huguenin¹ de directeur van de stapel en constructiemagazijnen. Onder zijn beheer vonden veel veranderingen plaats die het bedrijf ten goede kwamen. Ook breidde het personeel enorm uit. Het bestond toen o.a. uit:

1 Onderdirecteur (Kapitein Hendrik Wigand Riesz)(werd later directeur)

1 directeur magazijnen en Grofgeschutgieterij Delft (vrijwillig gepensioneerd op 1 november 1810, teruggekeerd op 11 maart 1814 en bevorderd tot Generaal Majoor op 24 november 1916) (Pieter in de Betou)

1 magazijnmeester 2e klasse bij de stapel en constructiemagazijnen (A.U. Mooser) (werd later assistent vuurwerkerij).

1 eerste algemene opzichter (2e Kapitein C.T. van Meurs)

1 opzichter geweerfabriek (Majoor (titulair) J.C.L. Gueriot de Belseaux)

1 opzichter van de Constructie Werkplaatsen (Kapitein Johannes Hendrik Frankamp)

1 adjunct opzichter der constructiemagazijnen (J. van Roosendaal)

1 boekhouder

98 smeden

27 timmerlieden

56 wagenmakers

9 ververs

9 zadelmakers

Hierbij inbegrepen de opzichters en onderopzichters van elk speciaal onderdeel.

¹ Pieter Huguenin, geb. 9 Sept. 1750 te Namen. Op 25 maart 1762 als cadet der artillerie in dienst getreden. In 1764 werd hij bombadier. In 1771 ging hij bij de genie en werd achtereenvolgend onder luitenant, in 1783 kapitein-luitenant en in 1787 kapitein. Als genie-officier nam hij deel aan de krijgsbewegingen van 1784 en 1787. Hij woonde de veldtochten van 1793 en 1794 bij, werd 3 juli 1794 tot majoor bevorderd en 29 juli 1795 gepensionneerd. 9 juli 1804 trad hij weer in dienst als luitenant-kolonel van het bataljon Mineurs en Sappeurs. In mei 1806 werd hij onderdirecteur der magazijnen te Delft en op 6 augustus 1808 chef van het bataljon Artilleriewerklieden. In 1809 streed hij met de Hollandsche troepen in Duitschland. Op 3 mei 1811 ging hij op eigen verzoek opnieuw met pensioen. Na de verdrijving van de Franschen werd hij op 25 november 1813 belast met het bestuur van artilleriemagazijnen te Delft. Op11 maart 1814 werd hij tot luitenant-kolonel, in april tot kolonel, en op 24 november 1816 tot generaal-majoor bevorderd. Op 20 februari 1816 was hem het ridderkruis der Militaire Willemsorde 4e kl. verleend. Hij overleed op 6 december 1819 te Delft. ©PDKAIH2017

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 2 van 11.

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 DEEL 2 VAN 11.

De oprichting van de Affuitmakerij

In 1679 deed men een poging om hierin meer eenheid te krijgen. Bij de resolutie van 4 augustus en bekend gemaakt op 5 augustus besloten de „Gecommitteerde Raden van de Edel Mogende heren van Staten van Holland en West- Friesland¹ een affuit makerij op te richten. Zestien dagen later werd de order gesteld om onder directie van de commies der Artillerie, Reijer van der Burgh, deze te bouwen binnen de stad Delft bij lands loodsen in de Houttuynen aan de Singels. Uit het bedrag van de aanbesteding (hfl 6800, -) van 22 november 1679 kan worden afgeleid, dat de affuit makerij niet op al te grote voet werd opgezet. De plaats van vestiging droeg al de naam Houttuynen en diende tot stapelplaats van constructiehout.

De houttuynen in Delft

In de Resolutie staat niet waarom de affuitmakerij in Delft werd geplaatst. Maar waarschijnlijk was dat vanwege de daar toen al aanwezige landsmagazijnen.

Dit vereist enige toelichting:

Delft was aan het begin van de 16e eeuw een plaats met vele beroemde ijzergieterijen. Zij hielden zich bezig met het vervaardigen van klokken. Hoewel het bestaan van buskruit al in stukken uit 1248 wordt genoemd werd het in bestaan ervan in de 16e eeuw door Berthold Schwartz in Duitsland “opnieuw” uitgevonden. Het was een goedje dat bliksem en vernieling ter beschikking van de mensheid stelde. Sinds die tijd gingen de klokkengieterijen zich ook bezig houden met het gieten van geschut. Op 23 oktober 1573 werd door Prins Willem van Oranje een resolutie uitgeschreven waarin stond dat te Delft, Lants Tuighuis diende te worden opgericht. Hij gaf deze opdracht aan Jhr. Van Egmond, Mr. Van Wesenbeek en Jhr. Van Duivenvoorde. Zij waren belast met alles wat met het krijgswezen te maken had. En kregen tot opdracht:

“omme zich in ’t bezit te stellen van een bequame plaatse, omme in bewaringe te houden alle het geschut, wapenen, poudre en crijghsmunitie”.

In 1601 besloten de Staten van Holland aan de zuid poort van Delft nog een tweede magazijn op te richten. Dit zou de naam krijgen Magazijn van Holland. Bij dit magazijn werd ook een Constructiewerkplaats gebouwd. Deze werkplaats mocht eigenlijk geen naam hebben want het meeste werk werd uitbesteed aan bazen die het in hun eigen winkels vervaardigden. In de resolutie tot oprichting van het magazijn en de werkplaats stond als rechtvaardiging: Om in eigen behoefte te voorzien.

Om hare quote bij den Raad van State, die selden of nooit genoeg van penningen in voorraad is voorzien, om een stapelmagazijn te kunnen aanleggen in stede van met geld, geheel of ten deele met oorlogstuig te kunnen voldoen. Om bij onverhoopt ongeluk, dat aan andere magazijnen van Holland of van de Generaliteit kon overkomen, altoos een toevlucht in het groote stapelmagazijn te Delft te vinden.

Ook de Generaliteit beschikte in Delft over tal van tuighuizen en militaire inrichtingen. Zo bezat dit machtige college een magazijn van vuur en blanke wapenen op de hoek van de Nieuwstraat, in de kapel van het oude Heiligen Geest / Zusterhuis. Verder was er nog een tweede magazijn voor projectielen, loodgereedschap en bruggenmaterieel, reikend vanaf de Oude Delft tot aan de stadsmuur. Aan de Generaliteit behoorde ook de in 1611 buiten de Schiedamse poort gebouwde houtloodsen en het in 1660 op kanonschots afstand, buiten dezelfde poort gebouwde kruitmagazijn. De keuze voor een affuitmakerij in de Houttuynen te Delft was dus toch niet zo heel vreemd.

Uit de prijs waarvoor de affuit makerij werd aanbesteed, mag worden afgeleid dat de eerste aanleg zeer beperkt was. Het eerste gebouw had een lengte van 16 m, was 12 m breed en bevatte drie werkplaatsen: voor de affuit maker, de wielenmaker en de smid. Laatstgenoemde werkplaats besloeg bijna driekwart van het gehele gebouw. Aan de zuidkant bevonden zich een paar bijgebouwen en bergplaatsen voor brandstoffen en ijzerwerk. Voor het bewaren van het constructiehout, waarvoor het terrein voor de stichting van de affuit makerij bestemd was, waren enige grote houten loodsen aanwezig. Tussen die loodsen vond men stapels projectielen. Waarom deze projectielen juist daar lagen wordt niet vermeld.

Oude stadsplattegrond van Delft. Bij de pijl de Houttuinen waar de affuitmakerij gebouwd moest worden.

¹ De 55 leden van de Staten-Generaal hebben de titel ‘Edel Mogende Heeren’. ©PDKAIH2017

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 1 van 11.

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 1 van 11.

De voorgeschiedenis.

Op 15 mei 1648 kwam er een einde aan de 80 jarige oorlog tussen Spanje en de opstandelingen in de Republiek der Zeven verenigde Nederlanden. Er werd door beide partijen een verdrag getekend en hierbij werd de republiek als soevereine staat erkend. Dit verdrag ging de geschiedenis in als de Vrede van Munster.

 

(Gerard Terborch. 1648)
De beëdiging van het verdrag door de Spaanse en Nederlandse onderhandelaars, de zes onderhandelaars met opgeheven vingers. V.l.n.r. Willem Ripperda, Frans van Donia, Adrian Clant tot Stedum, Adrean Pauw, Jan van Mathenesse en Barthold van Gent.

 

De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden tijdens de vrede van Munster.

Na dit verdrag heeft de Republiek niet lang rust gekend. Zij voerde oorlog met Engeland en Zweden en tenslotte brak in het rampjaar 1672 de Hollandse oorlog uit. De republiek werd aangevallen door Engeland, Frankrijk en de bisdommen van Munster en Keulen. Het volk was redeloos, de regering radeloos en het land reddeloos.

Met Engeland had men al in 1671 afgerekend, maar de Franse troepen, onder Luxemburg, bleven in ons land ten oosten van de waterlinie. In de ijsperioden zagen zij zelfs kans het water te overschrijden! Lodewijk de XIVe (de Zonnekoning) heeft uiteindelijk de poging om Nederland in te palmen opgegeven.

Lodewijk XIV (de Zonnekoning)

Op 10 augustus 1678 werd te Nijmegen een vredesverdrag getekend tussen de Republiek en Frankrijk. Doordat Frankrijk en de Republiek vrede sloten zagen ook Spanje en de Duitse keizer zich verplicht de Franse macht te erkennen. Na nog wat onderlinge verdragen sloot op 2 oktober 1679 Zweden de rij en tekende het vredesverdrag met de Republiek. Al deze verdragen staan samen bekend als “De vrede van Nijmegen” en waren een volkomen succes voor de Nederlandse diplomaten. Maar de verliezen van onze land- en zeemacht waren zeer groot geweest, niet zozeer aan manschappen dan wel aan artillerie. Kanonnen waren er in die dagen heel veel nodig.

Het moderne geschut (1879) is technisch zo goed als volmaakt, vrijwel elk schot is een treffer. Ook is de trefkans is met grote nauwkeurigheid te berekenen.

In de 17e eeuw was dat anders. De kanonnen konden niet al te veel op en neer bewegen, van manoeuvreren naar rechts en links was al helemaal geen sprake. De trefkansen waren dan ook uiterst gering. Daar kwam nog bij dat de ouderwetse kogels heel wat „milder” in hun uitwerking waren dan de moderne (1879) brisantgranaten en granaatkartetsen. Kanonnen waren in de dagen van de Koning-Stadhouder (Willem III van Oranje) en van onze nationale zeeheld Admiraal Michiel Adriaenszoon de Ruyter eigenlijk vrij ongevaarlijk. Maar enige trefkans hadden zij toch wel en als er maar genoeg kanonnen waren, was een vuurgevecht in die dagen niet helemaal ongevaarlijk. Het grote aantal moest vergoeden wat er aan trefkans te kort was. De vloot, waarmee Admiraal de Ruyter naar Chatham voer had totaal 3330 kanonnen.

Scheepskanon uit 1645 vervaardigd door de geelgieter Cornelis Jansz Ouderogge en de bronsgieter Dirk Jansz Ouderogge.

Na de vrede van Nijmegen was er in de republiek een groot gebrek aan kanonnen en meer nog aan affuiten (het onderstel van een kanon). De voorziening in het tekort aan artilleriemateriaal was niet al te goed georganiseerd Er waren in de republiek veertien geschutgieterijen, verdeeld over de provinciën en Hare Hoogmogende Heren¹ betrokken veel uit het buitenland. In het type was dan ook een zeer grote verscheidenheid.

Div. kanonnen, affuiten en munitie.

¹ De Staten-Generaal was de federale regering (soevereiniteit) van de Republiek der Verenigde Nederlanden (1579-1795). Deze Republiek was de op 21 januari 1579 bij de Unie van Utrecht ontstane statenbond van zeven soevereine provinciën (gewesten), te weten Gelderland, Holland, Zeeland, Utrecht, Friesland, Overijssel en Groningen. Groningen (Stad en Ommelanden) trad overigens pas in 1594 toe tot de Staten-Generaal. De Staten-Generaal was een collectief, ‘bovennationaal’ bestuur bestaande uit zeven stemhebbende leden, dat besluiten nam over zaken die de gehele statenbond aangingen. De gedeputeerden hadden als college de titel ‘Hare Hoogmogende Heren’. ©PDKAIH2017

 

 

TIJGER BIJ DE ARTILLERIE INRICHTINGEN.

TIJGER BIJ DE ARTILLERIE INRICHTINGEN.

De tijger in Artis en een foto van zijn eerste woonplaats

In de vergaderzaal van het imposante oude kantoorgebouw van de Artillerie Inrichtingen Hembrug hing een al even imposant portret van een tijger in de sneeuw. Alle bezoekers die hier werden ontvangen en de deelnemers aan de vergaderingen werden door hem nauwlettend in de gaten gehouden. Toen er een modern kantoorgebouw, voor het bedrijf dat inmiddels Eurometaal NV was gaan heten, werd gebouwd, sneuvelde het oude gebouw onder de slopershamer. De tijger mocht echter blijven en verhuisde naar de nieuwe ontvangst / vergaderruimte. Daar heeft hij gewoond tot de sluiting van Eurometaal NV in 2003. Vervolgens werd hij, mede omdat hij te groot was voor het inmiddels in het kantoor gevestigde museum, aan Artis geschonken. Deze heeft hem ontdaan van zijn prachtige lijst en hem in hun expositie ruimte tussen allerlei andere dieren een plaatsje gegeven. Hier wordt hij nog steeds door de bezoekers van Artis met een bezoekje vereerd en komt hij aan aandacht niets te kort.©PDKAIH2017, foto’s tijger ©ChristianAppel2017

WW2 CONTROLEPOST OP TOEGANGSWEG ARTILLERIE INRICHTINGEN.

WW2 CONTROLEPOST OP TOEGANGSWEG ARTILLERIE INRICHTINGEN.

Controlepost Hemkade

Op deze foto gemaakt op 14 mei 1940, is duidelijk te zien dat er vlak na de Duitse inval al een controlepost op de ingang van de Hemkade was ingericht. Al het verkeer naar en van de Artillerie Inrichtingen moest deze met zandzakken ingerichte en door militairen bewaakte post passeren. ©PDKAIH2017

ARTILLERIE INRICHTINGEN ALS SLOOPBEDRIJF?

ARTILLERIE INRICHTINGEN ALS SLOOPBEDRIJF?

Het is algemeen bekend dat beton een voortreffelijk materiaal is, Maar het is ook een bekend feit dat het zeer lastig is om het gebouwde weer te slopen. In 1930 waren er nog maar weinigen die hadden ondervonden hoe moeilijk het was om vooral zware en grote constructies te slopen. De voormalige Zwijndrechtse Oliefabrieken, eigendom van de gelijknamige gemeente gingen verhuurd worden.

Oliefabrieken Zwijndrecht ©Regionaal archief Dordrecht

In één van de te verhuren ruimtes bevonden zich enige gewapende betonvloeren en muren met een dikte van zo’n 15 cm., 2 massieve betonblokken met elk een lengte van 12 meter en een hoogte en breedte van 1,5 meter. Deze betonconstructies waren in het nieuwe bedrijf niet nodig en deze hinderlijke obstakels konden dan ook gesloopt worden.

Door de aanwezigheid van het vele bewapeningsijzer in de vloeren en muren waren deze met behulp van een voorhamer makkelijk stuk te slaan. Een probleem vormden de grote blokken. Hiervoor werd een van een elektromotor voorzien compressor ingezet. De samengeperste lucht dreef een van een zware puntbeitel voorziene luchthamer aan. De beitel en de man die hem bediende trilden beide hevig van het geweld maar het beton gaf hoegenaamd geen krimp. Ook een zwaardere machine die geschikt was voor het tegelijk aandrijven van twee luchthamers, gaf hetzelfde teleurstellende resultaat. Men stapte uiteindelijk over op een heel zware machine voorzien van een benzinemotor. Deze motor produceerde net als de door hem aangedreven luchthamers, een enorm lawaai. Na enkele dagen werk met de machines was het resultaat nog steeds teleurstellend. Slecht een zeer kleine hoeveelheid beton had zich aan al dit geweld prijsgegeven. Op deze manier zou de klus wel heel lang, eigenlijk te lang duren.

Uiteindelijk besloot men om bij de Directie der Artillerie Inrichtingen aan de Hembrug te vragen of die wisten hoe de klus aangepakt moest worden. Deze stuurden de volgende dag hun technische ambtenaar, de heer B. Kabel, vanaf zijn adres Heemraadschapslaan 45 te Amsterdam naar Zwijndrecht. Dit om zich persoonlijk op de hoogte te stellen van de toestand aldaar. Deze kwam al vrij snel tot de conclusie dat er ondanks het feit dat er in de ruimte twee buitenmuren zaten die waren voorzien van, van glas voorziene ijzeren ramen, prima met explosieven te werken was. Hij stond er persoonlijk voor in dat er geen scheurtje in de muren en ook niet in de ruiten zou komen. Omdat er zich zoveel glas in de ruimte bevond, zou er met kleine ladingen gewerkt moeten worden. De blokken konden dan in twee tot drie lagen worden opgeruimd. Met speciale boren en luchtdruk apparaten zouden er om de 75cm, 65 cm diepe gaten met een doorsnede van 32 tot 36 cm geboord moeten worden. Om te voorkomen dat er gruis in de gaten zou vallen moesten deze worden afgesloten met een papieren prop. Deze klus zou binnen 2 dagen geklaard kunnen worden.

Er werden enige houten schotten tussen de betonblokken geplaatst en er werd een groot zeil voor een deel van de ramen gehangen en verder nog een zeil om eventuele rondvliegende brokstukken op te vangen. Daarna was alles gereed om de eerste lading te plaatsen. In drie boorgaten werd een patroon met de springstof trinitrotoliwol neer gelaten. (Toliwol is een gasolie die bij gasfabrikage vrijkomt en daar na nog drie maal met een salpeterzuurmengsel behandeld is.) Per boorgat bedroeg de gemiddelde hoeveelheid 125 gram. Als inleidingsspringstof werden slagkwikpijpjes gebruikt. (Dit zijn koperen hulzen voorzien van 2 gram slagkwik.) Om deze te ontsteken werden elektrische ontstekers gebruikt die over de open kant van de slagpijpjes werden geschoven. Daarna werd het geheel in het boorgat van de patroon geplaatst en door middel van een touwtje bevestigd. Om de uitwerking van de explosie te vergroten werden de gaten verder opgevuld met droog zand en werden de draden van de ontstekers in serie geschakeld en met de hoofdkabel verbonden. Vervolgens werden door de leider van het werk verschillende posten uitgezet met de strikte opdracht een ieder uit het gebied te weren tot het moment dat hij het sein veilig gaf. De hoofdkabel werd daarna naar buiten gebracht en verbonden met het duplex dynamoapparaat.

Dynamoapparaat

De leider vroeg aan alle posten of het door hun bewaakte gebied veilig was en na een bevestigend antwoord van allen zette hij door middel van het apparaat stroom op de leiding. Er volgde nu een doffe dreun en er verscheen een grote stofwolk. Het eerste deel van de klus was geklaard, maar men kon nog niet meteen gaan kijken want de door de explosie vrijgekomen giftige kooldioxide en het stof moesten eerst weggetrokken zijn. Toen men na enige tijd ging kijken zag men dat er een stuk beton van zo’n 3 m3 in grote en kleine stukken gescheurd was en dat er verder in het hele pand en de omgeving verder niets beschadigd was. Op dezelfde wijze werd er verder gewerkt tot dat er nog 75 tot 100 cm boven de grond uitstak. Dit puin werd eerst opgeruimd en daarna werden de overgebleven grote stukken nogmaals met een patroon bewerkt en werd het resterende deel opgeruimd.

Bij betonblokken tot 1 mtr. hoog worden de gaten tot 65 a 75 cm diep geboord. Bij een geringere hoogte wordt er tot ⅓ a ¼ van de onderkant. In twee dagen van zes werkuren is er met 30 springladingen een hoeveelheid beton gesprongen waarvoor men anders maanden werk nodig gehad zou hebben. Het merkwaardige was dat er in de ruimtes naast het werkgebied gewoon doorgewerkt werd en dat er nergens dan ook maar een ruitje was gebroken. Het vallen van een enkel houten schot en de stukken beton maakte meer herrie als de explosies. Het één en ander bewijst maar weer eens dat de Artillerie Inrichtingen tot grote dingen in staat zijn en dat het een grote aanbeveling is om bij andere sloopwerken ook deze methode toe te passen.    © PDKAIH2017

GEZONKEN NABIJ DE HEMBRUG.

GEZONKEN NABIJ DE HEMBRUG.

Gezonken zandbak

Op zaterdag 13 maart 1937 ondervond het pontverkeer op het Noordzeekanaal nabij de Hembrug veel vertraging. Een zandbak die eerder die week door een aanvaring met het Engelsche s.s. „Westminster” gezonken was, werd die dag gelicht. Op de achtergrond de panden van de Artillerie Inrichtingen.©PDKAIH2015