EEN ZWARTE BLADZIJDE UIT DE GESCHIEDENIS VAN DE ARTILLERIE INRICHTINGEN

Tijdens de tweede wereldoorlog werden als gevolg van de Jodenvervolging, de 26 Joodse medewerkers van de Artillerie Inrichtingen ontslagen. Terreinwachter Isaak Poppelsdorf was één van hen. Hoe het hem en zijn familie daarna verging vertelden de scholieren Tiego en Puk tijdens de Holocaust Memorial Day 2021, in de Bullekerk te Zaandam.

(C) De Orkaan

Zie ook https://artillerieinrichtingenhembrug.wordpress.com/2019/04/23/het-joodse-personeel-van-de-artillerie-inrichtingen/

DE BOUWDIENST VAN DE ARTILLERIE INRICHTINGEN / EUROMETAAL NV

Het begin van de afdeling bouwdienst.

In de vorige eeuw hadden de Artillerie Inrichtingen Hembrug behoefte aan een bouwdienst. Omstreeks 1966 was het zover en werd de afdeling bouwdienst aan het bedrijf toegevoegd. Hij werd gevestigd in het zich aan de westkant van de terrein staande gebouw nr.197. Het mocht dan wel oud zijn, maar het was een mooi gebouw met aan de binnenkant een geweldig zicht op de kunstige dakconstructie. Kortom een gebouw waarin de timmerman zich, hoewel hij het mooie na een poosje niet eens meer zag, prima thuis voelde.

De dakconstructie van het gebouw.

In het begin werd er van de medewerkers veel gevraagd, bijna al het werk was nog echte handenarbeid.De eerste houtbewerkingsmachine die de werkplaats mocht aanschaffen en waar de timmerlieden het mee moesten doen was een afgekeurde elektrische bouwzaag!
Tot de taken van de bouwdienst behoorde niet alleen al het voorkomende timmerwerk, maar ook al het bouw, metsel en schilderwerk enz.
Al deze werkzaamheden werden uitgevoerd door een ploeg van zo’n 20 medewerkers waarvan een flink deel uit Turkije afkomstig was. De grote van een ploeg werd aangepast aan de hoeveelheid gebouwen die destijds in eigen onderhoud aanwezig waren. De grootte van het terrein en het aantal gebouwen in gebruik bij het staatsbedrijf waren veel groter dan die van het latere Eurometaal NV.

Eigen werk.

Na 1973 kwam de “Eurometaal bouwdienst” pas goed uit de verf. Eerst maakte zij onderdeel uit van de Technische Dienst en later werd zij een sectie van de Onderhoudsdienst.
Onder de directe leiding van A.J. Stoop werd in voornamelijk eigen beheer, hoe kan het ook anders, gewerkt aan het functioneel maken van de werkplaats. Dat werk gebeurde steeds in de toen nog regelmatige voorkomende stille uurtjes.
Naast de werkplaats, in de zijbeuken van het gebouw waren een was en kleedlokaal, een magazijn en een schilderswerkplaats. In een afgeschut gedeelte bevond zich het “mothok” met daarin een grote afzuiginstallatie die op alle zaagsel, krullen en stof producerende machines was aangesloten.

Nieuwe machines maken alles mogelijk.

In de loop der jaren werd ook het machinepark uitgebreid, de afgekeurde elektrische bouwzaag werd echt afgekeurd en afgedankt. Er kwam een aantal nieuwe houtbewerkingsmachines. En de werkplaatsvoorman D. Schurink vertelde de redactie van het bedrijfsblad “de Europers” in 1986, dat vanaf dat ogenblik alles mogelijk was.

Het hoofd van de bouwdienst A.J. Stoop (l) neem met de werkplaatsvoorman D. Schurink (r) een klus door.

Wat is alles?

Om met een spreekwoord te beginnen “Van dik hout zaagt men planken”.
Deze bewerking kwam nauwelijks voor in de bouwdienst maar met de daar aanwezige cirkelzaagmachine en de lintzaagmachine konden ze hout overlangs (in de lengterichting) zagen. Wie dat ooit wel eens met de hand heeft gedaan weet dat zwaar werk en moeilijk werk is, maar met beide machines was het een klusje van niks.
Het kwam zelden voor dat gekocht hout op maat was voor reparaties aan de gebouwen en aangezien men hout niet dikker kan maken, koos men er voor om te van te dik hout iets af te halen. Hiervoor gebruikte men de “ van diktebank ”. Dit kon ook met één van beide zaagmachines maar dan kreeg men een ruw zaagoppervlak dat daarna weer geschaafd moest worden. Met de van diktebank kon men het zeer precies, zelfs tot op de millimeter schaven en had men ook gelijk een glad oppervlak.

De loodgieter – metselaar H. Visser in de timmerwerkplaats.

Gezaagd hout is dus altijd ruw en daarom niet geschikt voor werk dat in het zicht zit. Ruw houten raamkozijnen of deursponningen worden nergens op prijs gesteld en deze behoren dus glad en vlak te zijn. Om dat te bereiken beschikte men over een vlakbank en twee schuurmachines.
Er waren nog meer houtbewerkingsmachines waaronder een langgatboormachine waarmee onder andere gaten voor een slot in een houten deur geboord kunnen worden en een freesmachine waarmee men het hout van verschillende profielen kon voorzien.

Timmerman J. Bakker bij de afkortzaagmachine.

Duizendpoten.

De medewerkers van de bouwdienst waren echte duizendpoten. De timmerlieden P. Wijker en J. Bakker kon je overal op het terrein tegenkomen. Ze voerden o.a. reparaties uit aan daken, kozijnen en aan de terreinafscheidingen. Maar hielden zich zo nodig ook bezig met nieuw en verbouw. Een niet onbelangrijk onderdeel van hun werkzaamheden bestond uit het maken van betonnen funderingen voor de vele machines op het bedrijf. Verder werkten erin deze afdeling de loodgieter M. Smit en de loodgieter – metselaar H. Visser.

Loodgieter M. Smit in zijn werkplaats.

Als geheel team namen zij alle voorkomende werkzaamheden zoals o.a. timmeren, metselen, betonnen, loodgieten, dakbedekken en schilderen voor hun rekening. In dit kleine team werd meestal niet gekeken naar het beroep dat een ieder had, maar naar de werkzaamheden die er gedaan moesten worden. Men moest dan ook niet raar opkijken als er op het terrein een timmerman stond te schilderen of met een diamantboor een gat in het beton aan het boren was. Ook kon men de loodgieter aantreffen terwijl hij pallets of munitiekistjes aan het repareren was. Onderling regelden zij het werk en zorgden er voor dat het op tijd af kwam.

Veel werk.

Het 6 man grote team verzorgde het onderhoud van de gebouwen, terreinen, erfafscheidingen, afwatering via de sloten, de riolen, beplanting enz. Zonder dat alle werkzaamheden zijn benoemd is het duidelijk dat er heel veel werk werd verzet. Dat is dan ook de reden dat de variant op het oude “Zaanse” gezegde : “Timmer-lui en metsel-traag die komen niet graag en de loodgieter die luie sodemieter die zie je niet” niet opging voor de medewerkers van de bouwdienst.

©PDKAIH2021

DE CONSTRUCTIE WERKPLAATSEN TE DELFT

De affuitmakerij.

Bij resolutie van 5 Augustus 1679 werd door de gecommitteerde Raden van de Staten van Holland en West-Friesland besloten een „Affuitmakerij” op te richten binnen de stad Delft bij ’s Lands Loodsen in de Houttuinen aan de Singels. Op 22 November 1679 werd de Affuitmakerij aanbesteed. De keuze voor Delft, is vermoedelijk te vinden in het feit, dat de genoemde Houttuinen dienden tot Stapelplaats van Constructie-hout en doordat het Ammunitie Magazijn van Hollandt”, het Hof van het Clarissen Klooster tegenover de Paardenmarkt en de 4 Generaliteitsmagazijnen zich hier ook bevonden.
De eigenlijke affuitmakerij stond aan de westzijde, een stenen gebouw van 70 voet (12 mtr.) lang en 51 voet (16 mtr) breed en was in drie lokalen van ongelijke grootte verdeeld .
Het kleinste besloeg een vlakke ruimte van 28 x 23 voet (8,80 x 7,22 mtr.) en diende als werkplaats voor de affuitmakers. Het tweede, 28 x 25 voet (8,80 x 7,85 mtr.) groot als werkplaats voor de wielenmaker en het grootste deel, 46 x 37 voet (14,44 x 11,61 mtr.) was als smederij ingericht.
De zuidoostelijke hoek van het gebouw werd omvat door een wachthuis, met een daar tegenaan gebouwd steenkolenmagazijntje. Aan den zuidwestelijke hoek stond een schuurtje waarin ijzer werken opgeslagen werden. De loodsen, met hun lengte de gehele breedte van het terrein innemend, boden voldoende ruimte aan het bergen van het constructiehout , dat nadat het een geruime tijd in het water had gelegen, hier liggende op latten werd gedroogd en bewaard. Aan het einde van de grote loods, die de noordelijke grens vormde , stond nog een brandspuithuisje naast een gebouwtje dat “het vijlhuisje” werd genoemd, op deze plaats , die later door een gedeelte van de draaierij ingenomen werd, stonden de privaten.

Oostkant van de Constructiewerkplaatsen

In 1815 werkten er 64 smeden, 17 wielenmakers, 23 timmerlieden, 3 houtdraaiers, 4 houtzagers en 8 sjouwers. In de loop van dat jaar werden daar ook ververs, zadelmakers en kuipers aan toegevoegd, het daggeld bedroeg hfl. 1.— a hfl. 1.25.
Omstreeks 1817 werden de grondslagen gelegd voor een militaire fabriek, doordat aan het bedrijf instrumentmakers werden verbonden, welke nodig waren voor het maken van visiteer – instrumenten en mallen. In datzelfde jaar werd, zij het een zeer kleine, modelzaal aangelegd.
Na herhaalde proefnemingen en rapporten werd het werken op stuk voor affuiten, voertuigen en raderen ingevoerd. Behalve voor het leger, werd toenmaals ook gewerkt voor de Marine, die er o.a. rolpaarden, caronnade sleden enz. liet maken.

Stoomwerktuigen.

Van zeer veel belang voor het bedrijf was de toepassing van stoom sedert 1831.
Voor het zelf aanmaken van de assen tot affuiten en voertuigen werd de Grofsmederij opgericht, die in 1840 werd voorzien van een stoomwerktuig van 10 PK., daar de hamer, een z.g. staarthamer, te veel kracht vereiste om door het reeds aanwezige stoomwerktuig bewogen te worden. Vanaf 1858 werden de Constructie-werkplaatsen voorzien van gasleiding.
In 1859 werd een aanvang gemaakt met het trekken van vuurmonden. Dit bracht met zich mee, dat de werklokalen en het aantal werktuigen uitgebreid moesten worden. Van 1861 -1869 werden plm. 1200 vuurmonden getrokken en, voor zover nodig van richtmiddelen voorzien.

De voorste binnenplaats

De patroonfabriek.

De gebeurtenissen in 1866 gaven allen mogendheden aanleiding om hun voorraad geweren tegen achterladers te verwisselen. Ook hiervan ondervond de C.W. de gevolgen. Omdat de Patroonfabriek nog niet bestond, moesten de patroonhulzen aan de C. W. worden aangemaakt. In 1869 werd de Patroonfabriek opgericht en het gehele fabricatieproces van patroonhulzen en dergelijke naar die nieuwe inrichting overgebracht. Daar tegenover stond, dat in die tijd werd begonnen met de aanmaak van torpedo’s en watermijnen.

Uitbreidingen in de mobilisatiejaren.

Na 1870 hadden geen ingrijpende wijzigingen meer plaats, totdat tijdens de mobilisatiejaren 1914-1919 het bedrijf een grote vlucht nam en belangrijk werd uitgebreid. Niet alleen bestaande afdelingen werden vergroot, ook werden er geheel nieuwe aan toegevoegd, te weten een herstelwerkplaats voor automobielen aan het zogenaamde Koningsveld, een herstelwerkplaats voor motoren en voor rubberbanden en een aanmaakwerkplaats voor legerrijwielen waarin jaarlijks plm. 6000 rijwielen kunnen worden gemaakt.

Een kijkje in de rijwiel werkplaats

De zadelmakerij die zich eerder kon uitbreiden door het plaatsen van verdiepingen op de bestaande gebouwen, groeide enorm en werd samen met de ververij overgebracht naar het Magazijn de Geer.

De zadelmakerij

Na de 1e wereldoorlog.

Na afloop van de 1e wereldoorlog werd alles tot meer bescheiden afmetingen teruggebracht en werd alleen nog maar ten dienste van de landsverdediging, rijks- en gemeentelijke instellingen en desgewenst ook voor particulieren gewerkt.
Behalve deze onderdeden van de Constructie werkplaatsen waren nog te onderscheiden: een zeer uitgebreide smederij, ook voor grof en voor perswerk, een affuiten montagewerkplaats, een grote draaierij met talrijke van de nieuwste machines, een instrumentmakerij, een wagenmakerij, een timmerwerkplaats en een zadelmakerij .

Wat is een:

Affuit – Onderstel van een vuurmond
Caronnade slede – Vuurmond van gering kaliber en dracht, aan de onderzijde voorzien van een oog om het aan de slede van het rolpaard te bevestigen.
Dracht – Schootsafstand
Rolpaard – Onderstel van een vuurmond (kanon) op een schip
Vuurmond – Groot kaliber vuurwapen (kanon / mortier enz).

©PDKruit 2021

DE VUURWERKERIJ VAN DE ARTILLERIE INRICHTINGEN HEMBRUG

De vuurwerkerij.

Het staatsbedrijf Artillerie Inrichtingen Hembrug bestond in de jaren voor de 1e WO uit verschillende afdelingen. Eén daarvan was de vuurwerkerij, die was onderverdeeld in een gevaarlijk en een ongevaarlijk gedeelte. De leiding van het geheel bestond uit een militaire officier welke werd bijgestaan door enkele onderofficieren. De opzichters en de overige werknemers behoorden tot het burgerpersoneel.

Vuurwerkerij: 1. G. Advocaat, 1e Machinist 2. B. Kabel, Opzichter 3. H.J. Biezeno, 1e Opzichter 4. D. Rijnders, Bedrijfschef, 5. L. de Neef, Bureelambtenaar 6. J.J. Geldof, Keurder 7. Th.H. Klamer, Opzichter 8. A.A.J. van Riemsdijk, Adjunct Adminstrateur 9. W.M.J. Drion, Bureel ambtenaar 10. M. Quist, Bureelambtenaar 11. L.W. Schooneman, Opzichter

Het niet gevaarlijke deel van de vuurwerkerij.

Het ongevaarlijke deel bestond uit de (projectiel)gieterijen, smederij, perserij, draaierij, frezerij en de buizenfabriek, gereedschapsmakerij, blikslagerij, timmerwinkel en de ververij.
Bijna alle onderdelen werden in die periode eigen beheer vervaardigd. De blikslagerij en timmerwinkel vervaardigden blikken en houten verpakkingsmaterialen, de witgieterijen goten witmetalen en aluminiumonderdelen en was tevens de plaats waar handgranaten werden samengesteld en brisantkartetsgranaten met kogels gevuld.

Vuurwerkerij: Brisantgranaatkartetsen worden met kogeltjes gevuld waarvan de onderste laag met hars word vastgezet.

In de grote gieterij werden gietijzer brons en messing verwerkt. In de vier grote koepelovens die hier stonden werd wekelijks 22 ton gietijzer gesmolten, waarvan voor eigen productie bestemde gietijzeren granaten werden gegoten.
Voor andere afdelingen binnen het bedrijf goot men ook onderdelen zoals muurstoelen, machinebedden, poten en ijzeren deksels. In de messingoven die een dagelijkse capaciteit had van 1300 kg., werd elke dag messing gesmolten. Verder werd er twee maal per week brons gesmolten dat voornamelijk bestemd was voor het gieten van werktuigonderdelen en lagerbussen. De gieterijen maakten veel gebruik van restmateriaal dat uit de verspanende afdelingen kwam. Verder stonden er in de gieterijen mechanische vormmachines, was er een zandblaasinstallatie en een mechanische afbraamafdeling aanwezig.

De koepelovens van de vuurwerkerij

Het gevaarlijke deel van de vuurwerkerij.

Het gevaarlijke deel bestond uit alle laboreerwerkplaatsen waar de projectielen en onderdelen zoals slaghoedjes, ontstekingsbuizen, wrijvingspijpjes, kardoezen en slagkoord werden samengesteld. Ook het samenstellen van de diverse sassen vond hier plaats en in de afdeling trotylgieterij werd trotyl en ammonal geperst.
De gebouwen stonden ver van elkaar en omgeven door aarden wallen op een afgesloten gedeelte (het bos) in het midden van het terrein. Een aantal gebouwen had een lichte constructie van hout en tufsteen De zwaardere betonnen een zwakke plek, meestal het dak. Alles was er opgericht om de schade bij een eventuele explosie zo klein mogelijk te houden. De lichte gebouwtjes zouden dan tot stof en hout vergaan en van de grote en zwaarder uitgevoerde zou het dak er af vliegen en in stukken naar beneden komen. Alles zou tussen de aarden wallen, die het gebouw omringden vallen en ook bij een mogelijke brand bleef de schade beperkt tot dat gebouw. Het daarom omheen gelegen bos was om de schokgolf te breken. (een aantal van die wallen is nog steeds (2021) aanwezig).

Slaghoedjes.

Het vervaardigen van slaghoedjes voor geweerpatronen vond plaats in één van de grotere gebouwen dat was verdeeld in meerdere kleine ruimtes welke van elkaar gescheiden waren door dikke muren en stalen platen.
Er werkten in het totaal 42 man die in een werkdag van, schrik niet, 18 uur kans zagen 400.000 slaghoedjes te vervaardigen.

Vuurwerkerij: Het vullen van slaghoedjes voor geweerpatronen met 30 milligram (+/- 2 milligram) slagsas

Er waren in het gebouw uitgebreide voorzorgen genomen om ongevallen te voorkomen. De gevaarlijkste handeling, het doseren van het slagsas, vond plaats in een ruimte van 2 bij 2 meter door slechts één werknemer. Deze had een voorraad van 100 gram slagsas, dat bewaard werd in een dubbelzijdige kartonnen doos die was afgesloten met een viltschijf. Er werd steeds een kleine hoeveelheid slagsas verdeeld over een dertigvoudige vullineaal. De gevulde liniaal werd door een gleuf in een stalen plaat door gegeven naar een andere ruimte. Daar werden de slaghoedjes uit de liniaal gevuld en daarna voorzien van een folie van bladtin en geperst.

©2021PDKruit

DE DEPÔTAFDEELING VAN DEN MOTORDIENST.

Veranderingen bij de motordienst.

De Depotafdeling van den Motordienst en de onderafdeling Vaarwezen die daartoe behoort onderging in september 1917 een belangrijke verandering / uitbreiding. Tot die datum werden de aanpassingen en herstellingen in Schiedam en Delft (Depot en Artillerie Constructie werkplaatsen) uitgevoerd. Het depot in Schiedam werd opgeheven en in Delft sterk ingekrompen. In plaats van daarvan werd er één grotere werkplaats ingericht bij de Artillerie Inrichtingen, afdeling Constructie werkplaatsen te Delft. Alle herstellingen moesten voortaan in deze werkplaatsen op het Koningsveld te Delft worden verricht. Het stond hier dan ook droog vol met defect automateriaal. Ook bevond zich hier een onderdelenmagazijn waarin de voor diverse merken verwisselstukken lagen opgeslagen. De uit het buitenland aangeleverde vrachtauto’s waren afgeleverd en grotendeels al in bedrijf. Bij de depotafdeling werden alleen nog zeer kleine herstellingen uitgevoerd.

De nieuwe herstelwerkplaats.

Door de groeiende hoeveelheid materiaal was er meer bergruimte nodig en werd een bestaande loods waarvan een deel links op onderstaande foto, afgebroken. Op het vrijkomende terrein werd een nieuwe loods doorgetrokken. Door ruimtegebrek, de nieuwe loods werd 20 x 60 meter groot, werd hij over de aanwezige vrachtwagens heen gebouwd. De loods werd ook hoger dan de oude omdat de nieuwe vrachtauto’s die voor het merendeel overhuifd en van een overdekte zitplaats voor de chauffeur en geleider voorzien waren, hoger zijn dan de eerdere vrachtauto’s. Door deze uitbreiding was de Paardenmarkt geheel volgebouwd.

De nieuwe loods op de Paardenmarkt te Delft

De nieuwe vrachtauto’s.

Arbenz vrachtauto

De Arbenz vrachtwagen (Zwitsers fabricaat) met een laadvermogen van 2 ton. De laadbak staat hoog op het chassis hetgeen bij het werken onder de wagen veel gemak op leverde.

Berna vrachtauto

De Berna vrachtwagen (Zwitsers fabricaat) met een laadvermogen van 3 ½ ton. Dit merk verschilde van andere vrachtwagens door zijn geheel andere aandrijving. Deze werkt door middel van een door de motor aangedreven klein tandwiel op de achteras dat op zijn beurt een tandkrans in het achterwiel aandrijft. Dit voor vrachtauto’s zeer geschikte systeem heet ritzel antrieb.

Martini vrachtauto’s

De Martini vrachtwagen (Schweitzer fabricaat) met een laadvermogen van 3 ton. Deze waren voorzien van zeilen die de chauffeur en geleider moesten beschermen tegen koude en regen.

Presto vrachtauto’s met beschermingshekken voor de radiator

Presto vrachtauto (Duitscher fabricaat) met een laadvermogen van 1 ½ ton.
Een deel van deze wagens waren aangeschaft zonder laadbak, deze werden omgebouwd tot keukenwagen. De wagens hadden een open laadbak en waren ter bescherming tegen koude en regen van de chauffeur en geleider overdekt en voorzien van zeilen en een voorruit. De radiator is ter bescherming voorzien van een beugel.

GMC vrachtauto’s

GMC vrachtauto (Amerikaans fabricaat) met een laadvermogen van 1,35 ton. De chassis van deze vrachtauto kwamen alleen voorzien van een zitplaats voor chauffeur en geleider in kisten van de General Motortruck Compagny uit Amerika aan. De bak en huif werden hier vervaardigd en gemonteerd. Van enige bescherming tegen koude en regen voor de chauffeur en geleider is was hier geen sprake.

Nieuwe motor voor de afdeling Vaarwezen.

Ook op de afdeling Vaarwezen werd het bestaande materieel aangevuld met een nieuwe voor het eerst in Nederland ingevoerde buitenboordmotor.
Men beschikte reeds over de 2 en 5 pk Archimedes en de 4 pk Evinrude motoren, deze werden nu aangevuld met de nieuwe door Evinrude op de markt gebrachte 2 cilinder, 4 pk 4 tactmotoren.
Deze motoren waren uitermate geschikt voor militair gebruik, door hun geringe gang en geruisloosheid zijn zij met gesloten uitlaat op ca. 50 meter niet meer hoorbaar. Dit in tegenstelling tot de al aanwezige motoren die men al van verre hoorde naderen.
Op de foto ziet u een jol voorzien van een Caille Perfection motor van 2 pk met een ruststand en twee versnellingen voor zowel voor als achteruit. Bij de afdeling Vaarwezen werd hij bevestigd aan een jol gebruikt als reparatieboot bij het uitrukken of bij oefeningen met meerdere vletten. In rustig water kon hij aardig meekomen maar voor andere militaire doelen was hij totaal ongeschikt. De zeven vletten zijn voorzien van de nieuwe Evinrude motoren

Jol met Caille Perfection en 7 vletten met de nieuwe Evinrude buitenboordmotor

Alle nieuwe motoren waren voorzien een omkeerbeweging waardoor zij door een enkele draai aan de helmstok van vooruit naar achteruit en andersom konden schakelen, wat bij een snelle vaart door smalle sloten en vaarten uitstekend van pas kwam.
Verder hadden de motoren geen ruimte tussen de schroef en de tandwielkast, maar werd de voorplaat van de tandwielkast met een kraag om de achterkant van de schroef geplaatst daardoor kregen biezen, takjes etc. geen kans om daar tussen te raken. De schroef zelf was voorzien van scherpe bladen (wierloze schroef) die wieren die erin dreigden te raken afsneed.

De nieuwe Evinrude 2 cylinder buitenboordmotor

Tot slot.

Het Nederlandse leger heeft in die tijd geen middel onbeproefd gelaten om ontbrekende zaken aan te schaffen en hoewel men i.v.m. herstellingen en verwisselstukken het het liefste zoveel mogelijk wagens en motoren van het zelfde type wilde hebben, is dit onder de toen heersende omstandigheden onmogelijk gebleken. Men moest zich tevreden stellen met hetgeen er toen te verkrijgen was.

©PDKAIH2020

AFSCHEID 2e HEMBRUG

Hembrug op tv.

In juni 1983 zond het tv programma van gewest tot gewest de volgende reportage uit over de aankomende sloop van de 2e Hembrug.

Niet lang na deze uitzending verscheen de door de MBTZ (vereniging tot behoud van Monumenten van Bedrijf en Techniek Zaanstreek) gemaakte dvd met daarop de documentaire “Hembrug 1906 – 1983”.

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN EN HET KNIL

Voor de 2e wereld oorlog hadden de Artillerie Inrichtingen in omgeving van Bandoeng (Indonesië) enige fabriekscomplexen ten behoeve van het KNIL (Koninklijk Nederlandsch Indisch Leger).
Deze bestonden onder andere uit de Pyrotechnische Werkplaatsen, de Projectiel Fabriek en de Werkplaatsen voor Draagbare Wapenen.
Hieronder volgen enige foto’s van deze werkplaatsen.

Pyrotechnische Werkplaatsen: Kalibratie inrichting voor geschuthulzen.
Pyrotechnische Werkplaatsen: Scheikundig Laboratorium.
Pyrotechnische Werkplaatsen: Doorsneden ten behoeve van theorielessen en links een vliegtuigbom van 200kg.
Projectiel Fabriek: Artilleriegranaten en vliegtuigbommen in de draaierij en montage afdeling.
Werkplaatsen voor Draagbare Wapenen: Mitrailleurwerkplaatsen.
Werkplaatsen Draagbare Wapenen: Algemene werkzaamheden aan infanterie mortieren en verschillende soorten mitrailleurs.

©PDKAIH2020

NEDERLANDSE M1 GARAND MET AR-10 MAGAZIJN

Nieuw wapen

Rond het begin jaren 60 van de vorige eeuw was het Nederlandse leger op zoek naar een nieuw wapen. De regering overwoog een keuze tussen twee wapens, de in een door de Artillie Inrichtingen, in licencie geproduceerd wapen, de AR-10 (Armelite) en de door het Belgische FN Herstal geproduceerde wapen, de FAL (Fusil Automatique Léger).  
Na een reeks testen en beproevingen viel de keus uiteindelijk op de Fal.
Of meteen alle wapens zouden worden vervangen was niet meteen duidelijk want men dacht dat het misschien beter (goedkoper) was om een grote door de VS geleverde en bij de NATRES (Nationale Reserve) in gebruik zijnde M1 (Garand) geweren te moderniseren.

Aanpassingen

Hiervoor werden er twee ingenieurs van de Artillerie Inrichtingen naar de Beretta fabriek in Italie gezonden om te onderzoeken of het op een M1 geweer gebaseerd wapen, de BM-59 (Beretta), die ipv de oorspronkelijke 7,62 x 63 m/m (.30-06 Springfield) munitie al was aangepast naar de gebruikelijker 7,62 x 51 m/m (7,62 NATO) standaardmunitie en voorzien van een uitneembaar patroonmagazijn,kon worden voorzien van een aluminium AR-10 wafelpatroonmagazijn dat door een drukknop ontgrendelingsmechanisme kon worden vastgeklikt / uitgenomen.

Nederlandse Garand M1 met wafelpatroonmagazijn AR-10

Prototype

Nadat er enkele prototypes waren vervaardigd, kwam men tot de conclusie dat het misschien toch wel eenvoudiger en efficiënter zou zijn het leger en de NATRES met één in plaats van twee verschillende wapens uit te rusten. En daardoor viel de keus definitief op de Fal.

©PDKAIH2020, foto ©forgottenwapens/Vic

GEVAARLIJK SPEL MET ERNSTIGE AFLOOP

STOEIEN

Op zaterdagmiddag 29 juli 1906 waren er aan de Artillerie Inrichtingen Hembrug te Zaandam een paar jongens uit Amsterdam aan het stoeien.
Tijdens deze stoeipartij werd de 18 jarige J. Boom door de andere jongen met een driekante vijl in de borst getroffen en liep daarbij een zeer ernstige verwonding op.

Dr. C.J. Van der Loo

OPERATIE

Het slachtoffer werd dadelijk naar de medische dienst overgebracht waar hij onmiddellijk door de officier van gezondheid, Van der Stempel en de burgerdoctoren J. Sasse en C.J. Van der Loo werd geopereerd. Hierna werd hij nog enige tijd aan de Hembrug verpleegd om dat zijn toestand hoewel er geen dadelijke redenen was om ernstig gevaar te vrezen, niet echt zonder gevaar was.
Het gebeurde was louter aan een ongeluk te wijten en er was dan ook geen sprake van boze opzet.
Het maakte echter wel duidelijk wat de gevolgen kunnen zijn van het stoeien in een werkplaats.

©PDKAIH 2020