BEGROTING ARTILLERIEBEDRIJVEN 1916

BEGROTING ARTILLERIEBEDRIJVEN

Vergadering van de Ministerraad in begin december 1915:
In Memorie van Antwoord op het afdelingsverslag, betreffende het wetsontwerp tot vaststelling van de begroting van inkomsten en uitgaven van het Staatsbedrijf der Artillerie Inrichtingen voor het dienstjaar 1916 en nadere voorziening ten aanzien van de rente, door het bedrijf aan ‘s Rijks middelen uit te keren zei de Minister van Oorlog , N. Bosboom, over:

LONEN EN TOESLAGEN

Dat het niet in het voornemen lag om aan de ambtenaren van het Staatsbedrijf der Artillerie Inrichtingen een toelage te geven voor de buitengewoon lange werktijd, wel werd aan ambtenaren van deze inrichtingen, van wie het traktement minder dan hfl. 3600 bedroeg, een maandelijkse premie toegekend, welke verband hield met de meer productie van de inrichtingen in de voorgaande maand (november 1915) in vergelijk met de productie van de inrichtingen onder normale omstandigheden.

Minister van Oorlog – N(icolaas) Bosboom

Aangezien de lonen van de werklieden in 1914 al verhoogd waren lag het niet in zijn bedoeling om deze nogmaals te verhogen.
Dat de dienst zwaar was werd niet door de Minister ontkend. Hij greep de gelegenheid ook aan om zijn voldoening uit te spreken over de toewijding en ijver waarmee het personeel onder zware omstandigheden zijn taak had verricht, doch hij vond niet dat de daaraan verbonden langere werktijd geen aanleiding gaf voor een algemene loonsverhoging. Dit omdat het loon voor elk uur overwerken al met 50% werd verhoogd.

GEEN VERLOF

Dat aan de Artillerie Inrichtingen het Taylorstelsel¹ zou worden toegepast en dat het personeel geen verlof mocht opnemen bestempelde de Minister als onjuist.
Alleen aan personeelsleden, die door de aard van hun werk niet gemist konden worden omdat bij hun afwezigheid de ongestoorde gang van zaken in het bedrijf in gevaar zou komen, werd geen verlof verleend. Voor deze dagen waarop ze in normale tijden verlof zouden hebben gehad, kregen zij 150% meer loon.
Dat de geest van het personeel in deze moeilijke tijden wel eens minder goed zou zijn, werd door de Minister ernstig betwijfeld. In tegendeel zelfs want het was bij de directie bekend, dat de werklieden uiterst content waren met het extra geld dat zij in deze dure tijden een welkome aanvulling vonden.

JAARLIJKSE LOONSVERHOGING

Een vergelijking van de lonen met die van de oorlogvoerende landen, ging voor de Minister niet op.
Het toekennen van een tijdelijke loonsverhoging, of het toekennen van gratificaties aan de werklieden, vond de Minister niet noodzakelijk. Dit vooral omdat het gebruikelijk was om met de ingang van een nieuw jaar, verhoogd werd. De verhoging van januari 1915 was gezien de tijdsomstandigheden achterwege gebleven. De verhogingen die op 1 januari 1916 in gingen bedroegen (1 tot 4 cent per uur op het normale loon voor de niet vaklieden, het opvoeren van het loon voor vaklieden tot 35 cent in Delft en tot 37 cent aan de Hembrug)

Op grond van de motieven die in het voorlopige verslag waren genoemd, zou het volgens de Minister aanbeveling verdienen, als de werklieden werkzaam in de fabrieken aan de Hembrug, in Zaandam zouden wonen. Maar hij zag ook dat er dan zeer vele met elkaar strijdende belangen in het spel zouden komen.

PENSIOENEN

Betreffende de tegemoetkoming in de kosten van verpleging van gezinsleden zei de Minister dat er in geen enkel land zoveel vrijgevige bepalingen, met betrekking op dit onderwerp zijn en hij het niet raadzaam vond om hierin nog verder te gaan.
De inhoudingen voor weduwen en wezenpensioen op de lonen van de losse arbeiders geschiedde volgens de weduwenwet voor Rijkswerklieden 1914 in verband met de wet van 18 Juli 1910 (Staatsblad nr. 109) tot regeling van de pensioenen van de mindere geëmployeerden enz. Op daggeld bij de inrichtingen van ‘s Rijks zee en landmacht.
De arbeiders die na de oorlog weer werden ontslagen, stonden ten aanzien van deze inhoudingen op dezelfde lijn met alle losse arbeiders. Op welke de genoemde wetten van toepassing waren.
Overwogen werd of het wenselijk was de wetgeving met betrekking tot dit onderwerp te wijzigen.
Van gebrek aan medewerking vanuit de directie der Artillerie Inrichtingen en het Departement van Oorlog was geen sprake.

HEMBRUG HOGER LOON DAN DELFT

Met het oog op de afgelegen ligging van de Artillerie Inrichtingen aan de Hembrug en de alle daaraan verbonden bezwaren, vond de Minister het billijk dat de lonen hier dan ook hoger waren als die te Delft. Het lag om die reden dan ook niet in zijn bedoeling om deze lonen gelijk te trekken.

VERGUNNING VOOR BEZOEK AAN BUITENLAND

De maatregel dat voor personen die bepaalde beroepen uit oefenen, de Minister een vergunning moeten vragen om het land te mogen verlaten, golden ook voor het personeel van de Artillerie Inrichtingen.
Tijdens het aanvragen van de vergunning werd er in ieder geval afzonderlijk onderzocht of er door het verlaten van het land door de betrokken persoon gevaar ontstond / of kon ontstaan met betrekking tot lands defensiegeheimen.

ONTSLAG AANGEVRAAGD

Dat de heer Muysken, voorzitter van de Raad van Toezicht ontslag had aangevraagd, had de Minister met leedwezen vernomen. Hij achtte zich niet gemachtigd om de reden hiervan mede te delen. Wel zei hij dat er tussen dhr. Muysken en de directie van de Artillerie Inrichtingen, geen verschil van inzichten bestond, die een reden voor de ontslag aanvraag zouden hebben gegeven.

©PDKAIH2019, ©foto Wikipedia

¹Taylorstelsel:
systeem van wetenschappelijke bedrijfsleiding, met het doel om uit de arbeid het hoogste rendement te krijgen, door iedereen op de juiste plaats en wijze werkzaam te stellen, alle onnodige bewegingen uit te schakelen en zodoende alle verspilling van energie te voorkomen. Het berust op een nauwgezet onderzoek van een ieders arbeidsprestatie.

ARBEIDSCONFLICTEN BIJ DE ARTILLERIE INRICHTINGEN

Het bedrijf.

Minister van Oorlog, N(icolaas) Bosboom

Gedurende de 1e Wereldoorlog werkten er bij het Staatsbedrijf der Artillerie Inrichtingen ruim 8500 personen, het merendeel was in vaste dienst. Het andere deel bestond uit losse arbeidskrachten en dienstplichtige militairen.
     Omdat het bedrijf wapens en munitie vervaardigde, ressorteerde het rechtstreeks onder de Minister van Oorlog, N(icolaas). Bosboom. De leiding van het bedrijf lag, mede daarom in handen van beroepsmilitairen en kende als logisch gevolg daarvan een sterk hiërarchisch karakter.

Arbeidsomstandigheden.

De arbeidsomstandigheden in het bedrijf waren er ronduit slecht.
     Men werkte er zeer lange dagen, hadden slechts korte pauzes en ontvingen een in verhouding tot hun prestaties een zeer karig loon. De officieren die de leiding hadden, gedroegen zich heel onbeschoft tegenover de arbeiders. Verder dreven zij de arbeidsproductiviteit voortdurend op en indien hieraan, om wat voor reden dan ook niet werd voldaan, schroomden zij niet om het personeel te dreigen met ontslag en zelf bedachte straffen zoals het verlagen of inhouden van loon.

Stakingen.

Het kon niet uitblijven dat de werklieden zich gingen verzetten tegen de arbeidsvoorwaarden en omstandigheden waaronder zij moesten werken. En na een reeks van conflicten, barstte in augustus 1916 de bom en brak de eerste staking uit.
     De aanleidingen voor deze grote staking waren o.a. de onbeschofte behandeling, het steeds maar weer opvoeren van de productiesnelheid en het dreigen met straffen of ontslag door de officieren. Ook de lage lonen, toeslagen, onlogische indeling van de dag en nachtroosters en de hygiëne in de was en kleedlokalen maakten deel uit van hun grieven.

Werkwilligen verlaten onder begeleiding van politie en Marechaussee het station Amsterdam. 1916

De vakbond.

Op 18 april 1918 bemoeide de ABLR, (Algemeene Bond Losse Rijkswerklieden) zich met de voortdurende conflicten en riep een staking onder de losse arbeidskrachten uit.
     De aanleiding voor deze staking was de als gevolg van de mobilisatie ingestelde verlenging van de toch al zeer lange werkdagen. Van maandag t/m vrijdag bedroeg de werktijd 12 uur en op de zaterdag 10 uur. Pauzes en reistijden kwamen hier nog bovenop. Gemiddeld waren de werklieden zo’n 82 uur per week van huis.
     De eerste dag van de staking, die de belangrijkste staking gedurende ww1 in Nederland zou worden, lagen c.a. 3000 werklieden het werk neer. De tweede dag zou dit aantal oplopen tot c.a. 4500 werklieden.
     Een andere doch niet onbelangrijke reden voor de staking waren idealistische motieven, voor de ABLR en de arbeiders was het uitroepen van en het staken zelf, een middel waardoor er tegen de oorlog en de kapitalistisch ingestelde staat kon worden geprotesteerd.

Dienstplichtigen.

De commandant van de Stelling van Amsterdam, A.R. Ophorst, had er kennis van genomen dat ook de dienstplichtige militairen die bij de Artillerie Inrichtingen te werk waren gesteld aan de staking deelnamen. Hij sommeerde dat alle stakende militairen zich gekleed in hun uniform moesten melden. De militairen reageerden niet op dit bevel. Een kleine gedeelte van hen is gearresteerd en enkele anderen meldde zich pas na de staking. Het overgrote deel is simpelweg weggebleven.

Overleg.

Nadat de vakbond ABLR de militairen ( 14 a 1500 man) aanspoorde om zich te melden verschenen zij op 25 april weer op het toneel.
De ABLR had de volgende reden om de militairen aan te sporen:
1 Zij wilden het overleg met de minister van Oorlog herstellen.
Dit was op 24 april door de Nederlandse regering afgebroken omdat zij geen stakende militairen wenste te zien. Indien de stakende militairen zich tegen hun arrestatie zouden verzetten, was de regering daarom van plan om in Amsterdam een algemene staat van beleg aan te kondigen.
2 De bond wilde niet langer verantwoordelijk zijn voor de militairen.
3 De militairen hadden in tegenstelling tot de andere stakers geen bonboekjes en broodkaarten gehad omdat die waren ingetrokken.
4 Er dreigde strafrechtelijke vervolging, de krijgsraad zou de militairen voor desertie kunnen veroordelen.

Straffen voor de stakende militairen.

Generaal Majoor R.A. Ophorst. Commandant van de Stelling van Amsterdam

Commandant A.R. Ophorst, van de Stelling van Amsterdam gelastte de overplaatsing van de stakende militairen naar diverse legeronderdelen.
     De commandant bij de Hembrug negeerde dit en gelastte dat de militairen zich de volgende dag op hun werk aan de Hembrug moesten melden. De volgende dag verschenen zij in burgerkleding op hun werk. Ondanks het staken en vervolgens negeren van bevelen bleven de militairen tot ongenoegen van de stelling commandant onbestraft.

De autoriteiten.

Enige tijd later besloten de autoriteiten dat het toch een beter plan was om de dienstplichtigen over te plaatsen en werden zij naar diverse legeronderdelen die ver van de hoofdstad waren gelegen gestuurd.
     De dienstplichtigen die naar een legeronderdeel in Leeuwarden waren overgeplaatst, toonden daar hun ongenoegen door met stenen naar het hoofd van een officier te gooien. Wat niet ongestraft is gebleven.

Resultaat van de staking.

Op 23 mei 1918 eindigde de staking van de losse arbeiders aan de Hembrug. Veel van de stakers toonden zich weer werkwillig en gingen weer aan de arbeid.
     Ze hadden met de staking niets vermeldingswaardig bereikt.
Een paar dagen na de staking, in juli volgde er toch nog een klein succesje voor de stakers. De leiding aan de Hembrug verkortte de arbeidstijd met 7 uur. Maandag tot en met vrijdag werd de arbeidstijd met 1 uur per dag en op de zaterdag met 2 uur ingekort.  ©PDKAIH2019

HOE ONS LEGER AAN ZIJN BEWAPENING KOMT.

HOE ONS LEGER AAN ZIJN BEWAPENING KOMT.

Deze week (28 october 1916) heeft, de Minister van Oorlog aan een twintigtal vertegenwoordigers van de Nederlandsche pers gelegenheid gegeven een kijkje te nemen in onze wapen- en ammunitiefabrieken. Een goede gedachte voorwaar. Wel was reeds eenige tijd geleden een overzicht gegeven van wat er voor ons leger is aangemaakt sedert het begin der mobilisatie, maar het publiek leest in de oorlogsberichten voortdurend van zoo’n ontzaglijk verbruik van ammunitie en wapens, dat werkelijk wel meer dan een officieele meededeling gewenscht is, om de overtuiging te vestigen dat er inderdaad héél wat gedaan is om de bewapening van ons leger te brengen op het peil dat de oorlog van onze dagen eist.

Dat journalistenbezoek gold natuurlijk allereerst de artillerie-inrichting aan de Hembrug, waarheen in 1897 al de wapen-inrichtingen werden overgebracht die wij toen in verschillende plaatsen hadden, en waar sedert 1904 onze geweren in hun geheel worden gemaakt.

Oude foto van de Artillerie Inrichtingen

Toch is sedert de mobilisatie de inrichting aan de Hembrug tot een volledige wapenfabriek geworden. Het aantal werklieden is er vertiendubbeld, de gebouwen zijn vergroot door bijbouw en door nieuwe verdiepingen. Maar nu wordt dan ook de geheele bewapening van ons leger in al zijn tallooze onderdeelen, daar vervaardigd. Om een klein begrip te geven wat bijvoorbeeld het maken van een geweer beteekent, vermelden we, dat een geweer bestaat uit 88 onderdelen. Er zijn onder die onderdelen verschillende, die 60 en 70 bewerkingen en meer, ja tot zelfs 138 bewerkingen moeten ondergaan.

Voor de bewerking van de kolven alleen is een geheele afdeeling ontstaan, die zelf haar boomen koopt, zelf de planken zaagt, waaruit de kolven, na droging van het hout, machinaal worden vervaardigd.

Tegenwoordig worden ook de propellers (schroefbladen) der vliegmachines hier gemaakt. Vroeger werden deze uit Frankrijk betrokken. Onze vliegers wilden aanvankelijk van het Ned. fabrikaat weinig weten, doch toen ten slotte geen invoer meer plaats had, moest men noodgedwongen gebruik maken van het eigen fabrikaat en… ze bleken beter te zijn dan de buitenlandsche.

De wapenfabriek bezichtigende, zagen we achtereenvolgens alle bewerkingen die de verschillende onderdeelen van het geweer moeten ondergaan, alles met machines, zoo vernuftig en zeker arbeidend dat één man vaak vijf machines kan bedienen, we denken bv. aan het boren der loopen. Dit gedeelte van het werk is zeker wel het meest belangrijke en toch is er slechts één werkman voor verschillende machines noodig. De boor der machine is zo gesteld, dat zij tot op een gedeelte van een millimeter nauwkeurig steeds ‘t gat op de juiste plaats in den juiste vorm boort.

Na de interessante bewerkingen te hebben gezien, kregen we in de controle-afdeeling gelegenheid ons een denkbeeld te vormen van de scherpe controle, die ieder onderdeel tot het allerkleinste deeltje van het geweer, moet ondergaan, alvorens gebruikt te mogen worden. Met allerlei werktuigen worden de onderdeelen onderzocht op de maten, de hardheid van het staal enz. Een buitengewoon secuur werkje is het onderzoeken van de looprichtingen, wat op het oog geschiedt, slechts door langdurige ervaring kan men daarin een zekere vaardigheid verkrijgen. De tenslotte goedgekeurde deelen komen dan in de afdeling ,,samenstelling”, waar de geweren in elkaar worden gezet, om dan geheel gereed te worden afgeleverd. Zonder het juiste aantal te noemen, mogen we wel vermelden, dat dagelijks honderden geweren dit gedeelte van de fabriek verlaten. Nog eenmaal worden dan de geweren beproefd. Geen enkel geweer wordt in gebruik genomen, voordat het is ingeschoten.

Zoals met de geweren, geschiedt ook de afwerking van alle andere wapens. Ook deze fabricatie geschiedt machinaal. Handenarbeid is er, behalve de controle, bijna niet. De werklieden van deze fabrieken zijn in hoofdzaak burger-werklieden, doch een groot deel hunner is aan de verschillende troepenafdeelingen onttrokken, dit zijn dienstplichtigen met verlof. In den laatsten tijd is een inrichting aan de fabriek geopend, waar militieplichtigen tot geweermaker worden opgeleid.

Getuigschrift wapenmaker ©Emiel

Maar ook de munitie-industrie moest worden aangevat. Het was noodzakelijk, dat men er op rekende op eigen kracht te zijn aangewezen. Gelukkig hebben we ons kunnen overtuigen, dat ook onze munitie-productie een groote vlucht genomen heeft. Het is ons niet geoorloofd mede te deelen, wat op dit gebied gemaakt wordt, doch wel kunnen we vermelden, dat in de munitiefabrieken alle ammunitie gemaakt wordt, alle soorten kogels voor handvuurwapens en voor kanonnen van de kleinste tot de grootste afmetingen, waarbij bleek, dat ook het zware geschut niet meer ontbreekt, handgranaten, mijnenwerpers, bommen voor vliegmachines, granaatkartetsen, eenheidsprojectielen, brisantgranaten, enz.

Heintje Garenstroom met de grootste en kleinste granaat. ©ANP

Op aanschouwelijke wijze werd ook hier weer aangetoond, hoeveel machines er noodig zijn voor de afwerking van één patroon, één bom of granaat. Hoe tot in tiende deelen van millimeters nauwkeurig de afwerking moet zijn. Slechts voor enkele onderdelen van de munitiefabricage wordt op dit ogenblik gebruik gemaakt van de particuliere industrie.

Het aantal onderdeelen van granaten enz. is al even talrijk als van de handvuurwapens en de bewerking dier onderdeelen moet zo mogelijk, met nog grooter nauwkeurigheid plaats hebben dan die van de vuurwapens. De minste afwijking kan niet alleen het projectiel onbruikbaar of ondeugdelijk maken, maar bovendien alle berekeningen omtrent den tijd van ontploffing enz. omver werpen. Zoo nauwkeurig is dan ook de controle, dat b.v. voor één granaat 156 mallen en meetwerktuigen noodig zijn, om de controleering te doen plaatshebben.

De afdeeling voor de vervaardiging en de behandeling van de springstoffen ligt geheel afzonderlijk. Alle springstoffen worden ook al weer in de artillerie-inrichting vervaardigd. Het spreekt vanzelf, dat alle mogelijke voorzorgen zijn genomen zoowel voor de werklieden, die met de springstof omgaan, als voor hun in de omgeving werkende mede-arbeiders.

Het zeer gevaarlijke slagkwik wordt in huisjes, achter af liggende, gedroogd en met andere ontplofbare bestanddeelen vereenigd tot sas, de springstof voor de slaghoedjes. In ieder huisje, dat met een netwerk van bliksemafleiders is omgeven, werkt slechts één man. Het huisje is door hooge aarden wallen geheel geïsoleerd. Nimmer kan dus iemand, die hier werkt, door de onvoorzichtigheid van een collega een ongeluk krijgen, terwijl ook door eigen onvoorzichtigheid nimmer een ernstige ramp kan ontstaan.

Vullen van munitie

Het sas wordt verdeeld in kleine hoeveelheden in doosjes, die van buitenaf, door den vervaardiger worden geplaatst in een lokaaltje, dat geheel met pantserstaal is afgesloten. In een volgend lokaaltje, dat verdeeld is in celletjes, weer met pantserstaal omgeven, zitten eenige werklieden, die belast zijn met het vullen van de slaghoedjes en die daartoe de gevulde doosjes wegnemen door een klein luikje. Ze nemen een hoeveelheid voor een paar vullingen en zetten het doosje dan weer achter het luikje. De vulling geschiedt door de verdeeling over een messing-liniaal, waarin twaalf slaghoedjes zijn geplaatst. Door een spleet, die juist ruim genoeg is, om de gevulde liniaal door te geven, schuiven ze de gevulde linialen naar den achter den pantsermuur werkende man, die de liniaal verder doorgeeft ter afwerking. De vulling der linialen geschiedt onder een plaat van onbreekbaar glas, zodat wanneer de kleine hoeveelheid sas nog eens tot ontploffing zou komen, de werkman daarvan geen of althans weinig hinder zou hebben.

We hadden nog gelegenheid een kijkje te nemen in de kogelgieterij, waar de kartetsen en handgranaten o.a. gegoten worden.

Uit de groote koepelovens vloeit het vloeibare ijzer als water weg om dan in de vormen gegoten te werden voor de gietijzeren projectielen. Het smelten van messing, het metaal voor de patroon en granaathulzen heeft plaats in hel opvlammende olie-ovens.

Koepelovens in de gieterij

In wording is de inrichting voor het persen van stalen granaten, die tot dusver uit het buitenland betrokken werden.

Het vullen der hulzen, het mallen en controleeren daarvan, het vullen van de projectielen, geschiedt in afzonderlijk liggende gebouwen onder de strengst mogelijke controle en voorzorgen.

Ons volgend bezoek gold de elders gelegen opslagplaatsen en werkplaatsen der artillerie, een sedert de mobilisatie in gebruik genomen, uitgestrekt terrein met grote magazijnen en stapelplaatsen. Op de buitenterreinen zagen we grote voorraden staal voor projectielen en reeds gedeeltelijk afgewerkte projectielen, terwijl de magazijnen volgepakt zijn met allerlei onderdeelen.

Vullen en samenstellen

De munitie zelf wordt hier niet opgestapeld, doch zoo spoedig mogelijk gedistribueerd of elders opgeslagen. Het vullen der granaten met springstof en buskruit is een arbeid, die niet alleen buitengewone voorzichtigheid vereischt, maar vooral groote nauwkeurigheid, wat de hoeveelheid buskruit betreft. Het buskruit wordt gedeeltelijk nog ingevoerd, in hoofdzaak uit Zweden, doch tegenwoordig ook reeds voor een groot deel in ons land gefabriceerd. De springstof voor de granaten, het trinitrotoluol of TNT wordt machinaal in ronde blokken geperst, en in dien vorm in de hulzen gebracht.

Het vullen van de revolver-patronen en het verpakken geschiedt mede in deze afdeeling. Ondanks de bergen materiaal en de groote voorraden afgewerkte artikelen, heeft de directie van de artillerie-inrichtingen op deze terreinen nog flinke ruimte om zoo noodig tot uitbreiding te kunnen overgaan.

Ten slotte stond nog op het programma een bezoek aan de constructie-werkplaatsen. Deze werkplaatsen zijn een afdeeling van het staatsbedrijf der Artillerie-Inrichtingen, doch munitie of wapens worden hier niet gemaakt.

De werkzaamheden beslaan in het fabriceeren en herstellen der affuitage, artillerie-voertuigen, richtmiddelen en bedieningsgereedschappen van het geschut, van de bespanningen, de hulpmiddelen voor het in richting brengen der vuurmonden, de optische instrumenten,  kijkers, afstandmeters, telescopen enz.

Gedurende de mobilisatie is een afdeeling ingericht waar de rijwielen hersteld en gefabriceerd worden, benevens een afdeeling waar de motorrijwielen en automobielen hersteld worden.

Voor de goede uitvoering van één en ander heeft men de beschikking over een metaaldraaierij, instrumentmakerij, wagenmakerij, ververij, rijwielafdeeling, motorrijwiel-herstelwerkplaats, automobiel-herstelwerkplaats, magazijnen voor materialen, controle en expeditie.

Het bedrijf werd tijdens de mobilisatie belangrijk uitgebreid. Het aantal werklieden van voor de mobilisatie is thans ongeveer vervijfvoudigd. Het meerdere personeel moest voor een groot gedeelte werden onttrokken aan de gemobiliseerden. Toch ondervond de uitbreiding in den aanvang groote moeilijkheden, omdat men hier, in tegenstelling met de munitie- en wapenfabrieken, in hoofdzaak bekwame vaklieden noodig had. Dit was dan ook de oorzaak, dat een belangrijk deel van het personeel aan het leger onttrokken moest worden.

Hoewel het hoofddoel is het verrichten van herstellingen, voor zoover dit bij de verschillende korpsen niet ter plaatse kan geschieden, wordt toch tegenwoordig vooral, ook zeer veel materieel aangemaakt als: goederenwagens, proviandwagens, keukenwagens, keuken-automobielen (de motoren niet), affuiten voor de veldartillerie en de houwitserafdeeling, caissons voor houwitserafdeelingen, zadels, raderen, materieel, bestemd voor vervoer van mitrailleurpatronen, instrumenten voor het richten, en niet te vergeten, rijwielen.

Bij het begin van de mobilisatie waren er betrekkelijk weinig rijwielen bij het leger in gebruik, dadelijk werden er toen een groot aantal gerequireerd, meest natuurlijk gewone toerkarretjes. ’t Bleek spoedig, dat deze niet zo geschikt waren voor het meer ruwe gebruik van den soldaat, terwijl er ook zooveel soorten waren, dat men vaak groote moeilijkheden had met het verkrijgen van de noodige verwisselstukken.

Dit leidde tot de samenstelling van een militair-rijwiel, dat met vermijding van alle luxe, een maximumweerstandsvermogen had. Men hoopt hierdoor langzamerhand een eenheidsrijwiel te krijgen. De meeste onderdeelen moeten nog uit het buitenland verkregen worden omdat de binnenlandsche industrie ze niet kan leveren. Nu kan men ook langzamerhand een stapelmagazijn krijgen, van waaruit voor alle rijwielen de verwisselstukken kunnen verkregen worden. Tijdens ons bezoek was er juist een compagnie wielrijders aan de fabriek, die de oude karretjes kwam inleveren, om daarvoor een nieuw rijwiel –militair model– in ontvangst te nemen. De rijwielen met de uniforme uitmonstering zagen er keurig uit en gaven een indruk van buitengewone soliditeit.

Men is thans ook bezig met het maken van affuiten voor afweergeschut tegen vliegtuigen. Een exemplaar van een afweerkanon op affuit was in de fabriek opgesteld.

Belangrijk is ook, dat de meeste richtwerktuigen voor het geschut geheel hier worden gemaakt en hersteld, terwijl speciale afstandmeters voor de kust-artillerie in de fabriek worden gemaakt, ook alle optische instrumenten, telefoon, telescopen enz. kunnen in de instrumentwerkplaatsen worden hersteld.

Detailtekening van een Houwitser en Affuit 1904

Binnenkort zal de werkplaats voor het herstellen en maken van optische werktuigen, die in de tegenwoordige oorlog van zulk een groote waarde zijn gebleken, aanzienlijk worden uitgebreid.

We hadden verder gelegenheid enkele juist aangekomen exemplaren van het Zweedsche houwitsergeschut te bezichtigen, dat reeds in gebruik is genomen en spoedig in de eigen fabrieken zal worden gemaakt, daar het gieten van geschut, dat in 1904 werd gestaakt, thans opnieuw zal worden ter hand genomen en wel allereerst het gieten van houwitsers.

In de elders gelegen automobielherstelplaats kregen we een idee van de omvang van deze afdeeling. Niet minder dan 60 auto’s waren in herstelling.

De indrukken, die wij hebben opgedaan, samenvattende, menen we te mogen constateren, dat het staatsbedrijf der artillerie-inrichtingen alleszins rekening heeft gehouden met de eischen, die aan een dergelijke inrichting onder de tegenwoordige tijdsomstandigheden moeten worden gesteld; dat het is geworden een enorme industrie of liever een complex van industrieën; dat men alle moeilijkheden zoo goed mogelijk heeft overwonnen en dat, als we binnenkort ook zelf weer geschut gieten, onze legervoorziening in gene deele van het buitenland afhankelijk is.

We willen geenszins ontkennen, dat niet te een of anderen tijd gebrek aan enkele materialen groote moeilijkheden zal kunnen veroorzaken, doch daartegen over meenen we te mogen vaststellen, dat onze wapen- en munitie-productie, ieder geval van oorlog toch ongetwijfeld de belangrijkste takken van het artillerie-bedrijf, in afzienbaren tijd geen gevaar loopen. Niet alleen toch, dat nu reeds maanden en maanden door de tot het maximum opgevoerde productie ongetwijfeld een belangrijke voorraad is aangemaakt, maar zoals ons uit eigen bezichtiging gebleken is —  voor zover dit althans door ons te beoordelen is — zal de nog beschikbare voorraad grondstoffen nog langen tijd voor de grootst mogelijke massa-productie voldoende zijn.

De gehele legeruitrusting, die een belangrijke factor is gebleken te zijn, is bij de artillerie-inrichting in goede handen.

Bronnen, de Middelburgsche Courant, foto’s Emiel, ANP en eigen collectie  ©PDKAIH2019

ARTILLERIE INRICHTINGEN MAAKTEN VLIEGTUIGPROPELLERS.

In de periode 1915 – 1930 maakte de Artillerie Inrichtingen in licentie houten vliegtuigpropellers. Zij waren o.a. bestemd voor de Farman lestoestellen van de op 1 juli 1913 opgerichte LVA. Dit was de Luchtvaartafdeeling van de Koninklijke Landmacht en voorloper van de latere Nederlandse Koninklijke Luchtmacht. De LVA die in het begin alleen vloog met een gehuurde tweedekker genaamd ‘’De Brik” en over 4 in het buitenland opgeleide piloten beschikte, begonnen in 1915 met het opleiden van vrijwilligers tot militair vliegers. Eerst alleen officieren en vanaf 1916 ook lagere rangen. Aan die vrijwilligers was geen gebrek want uit alle wapen en dienstvakken melden zij zich aan om te worden opgeleid tot vlieger of waarnemer.

De Brik in Soesterberg 1913

Waar wel een grote behoefte aan was waren gevechtsvliegtuigen. De omliggende landen hadden er genoeg maar omdat de eerste wereldoorlog in volle hevigheid woedde was de toevoer van oorlogsbenodigdheden afgesneden. Maar diezelfde oorlog kwam de LVA onverwachts te hulp want de vliegtuigen van de om ons heen oorlogvoerende landen hadden nog al eens te kampen met gevechtsschade, motorstoringen, brandstofgebrek, navigatieproblemen enz. En werden daardoor gedwongen te landen op Nederlands grondgebied. De noodlandingen vonden in geheel Nederland plaats maar in Cadzand landen er wel heel vaak toestellen en die plek kreeg dan ook al snel de naam vliegtuigfabriek van Nederland.

De gelande en gecrashte toestellen werden onmiddellijk in beslag genomen, de bemanning geïnterneerd  en de toestellen gedemonteerd en overgebracht naar Soesterberg de thuisbasis van de LVA. Waar mogelijk werden deze toestellen opgeknapt en als ze te zwaar beschadigd waren werden ze ontdaan van alle nog bruikbare onderdelen. Een deel van de vliegtuigen werd gekocht en betaald en na afloop van de oorlog weer terug gegeven aan de betreffende landen. Dit was overigens niet alleen het geval met vliegtuigen maar ook schepen die in onze territoriale wateren terecht kwamen ondergingen hetzelfde lot. En zo groeide de hoeveelheid vliegtuigen van de LVA met een grote verscheidenheid aan vliegtuigen met ook nog eens verschillende motoren.

Het eerste Farman lestoestel van de LVA.

En ook voor deze toestellen en motoren maakte de Artillerie inrichtingen propellers, soms in de hoeveelheid van slechts één exemplaar. De propellers werden vervaardigd door verschillende lagen hardhout op elkaar te verlijmen en daar na in de gewenste vormen te zagen, schaven, raspen, vijlen en schuren. Was de gewenste vorm eenmaal bereikt dan werden zij voorzien van de bevestigingsgaten, gelakt / geschilderd en eventueel nog voorzien van een messing versteviging op de uiteinden van de bladen.

Het vervaardigen van een propeller bij de Hembrug.

Daarna werden de maten van de bevestiging, het jaartal van aanmaak, type van vliegtuig en motor en het Hembruglogo in de propeller gebrand. Deze laatste bewerking gebeurde in tegenstelling tot de andere bewerkingen niet altijd even zorgvuldig en daarom is het vandaag de dag niet altijd even duidelijk voor welk type motor/vliegtuig zij waren bestemd en ook het logo met jaartal was vaak onduidelijk.

Voorbeelden van het fabrieksstempel van de Hembrug

Hoeveel verschillende modellen en in welke hoeveelheden ze zijn gemaakt is helaas (nog) niet bekend. Heel grote aantallen zullen het niet geweest zijn want in 1914 bestond de Nederlandse luchtvloot uit 8 vliegtuigen en had de marine 1 Farman landtoestel. In de eerste drie oorlogsjaren kwamen er 17 in beslag genomen buitenlandse vliegtuigen bij en in de laatse twee jaar 48. Het waren 58% Duitse, 34% Engelse en 8% Franse toestellen. De Marine kreeg er in die periode 17 in beslag genomen watervliegtuigen bij waarvan 71% uit Duitse en 29% uit Engelse toestellen bestond. De totale vloot bestond na het aflopen van de 1e wereldoorlog dus uit 91 toestellen. Van de vijf onderstaande propellers is het inmiddels wel bekend voor welke soort motoren en vliegtuigen zij gemaakt zijn.

 

AEG C.IV – 160PK Benz

AEG C.IV

 

 

 

 

 

 

 

Tweebladige propeller met Stempel Hembrug 1918, MODEL AE, 160PK, BENZ SPOED 190, D266, messing beklede tips, lengte 2660 mm.

Bemanning: 2.
Lengte: 7,15 mtr.
Spanwijdte: 13,46 mtr.
Hoogte:3,35 mtr.
Vleugeloppervlak:39 m²
Leeg gewicht: 800 kg.
Max gewicht: 1120 kg.
Motor: 1 Mercedes D.III 6 cilinder, watergekoelde, inline pistonmotor van 160 PK.
Maximum snelheid: 158 km/u.
Bereik:450 km.
Klimsnelheid:2,78 mtr p/s.
Tijd tot 1000 mtr hoogte 6 minuten.
Plafond: 5000 m.
Vliegduur: 4 uur.
Bewapening: 1 voorwaarts vurende Spandau LMG 08/15 mitrailleur en 1 draaibaar opgestelde Parabellum MG14 mitrailleur, die werd bediend door de waarnemer.

bommenlast: maximaal 100 kg.

 

Farman HF.20 – 80HP Gnome

Farman HF.20 – 80HP Gnome

 

 

 

 

 

 

 

 

Twee bladige propeller, stempel Hembrug 1915, MODEL G, lengte 2500mm.

Bemanning: 2.
Lengte: 8,3 mtr.
Spanwijdte:14 mtr.
Hoogte:3,2 mtr.
Leeg gewicht: 360 kg.
Max. gewicht: 660 kg.
Motor: Gnome en Rhône stermotor 80 pk.
Maximum snelheid: 110 km/u.
Bereik:250 km.
Bewapening: 1 Lewis Mitrailleur.

 

Fokker D.VII – 160PK Mercedes

Fokker D.VII – 160 pk Mercedes

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tweebladige propeller, Stempel Hembrug 1918, MODEL AF,160PK, MERCEDES, D276, messing beklede tips lengte 2760mm.

 

 

 

 

 

 

Bemanning: 1.
Lengte:6,95 mtr.
Hoogte: 2,75 mtr.
Spanwijdte: 8,90 mtr.
Vleugeloppervlakte: 20,02 m².
Gewicht leeg: 698 kg.
Startgewicht: 850kg.
Gewicht max.: 878 kg.
Snelheid: 190 km/u.
Motor: prototype V.II Mercedes DIII, 160 PK.
Bewapening: 2 gesynchroniseerde 7,92 Spandau mitrailleurs.

 

Nieuport 11 – 80PK LeRhone

Nieuport 11 80 PK LeRhone met volledige bewapening.

 

 

 

 

 

 

 

 

Tweebladige propeller stempel Hembrug 1917, Model M, 80PK, NIEUPORT, bewerkte tips lengte 2450 mm.

 

 

 

 

 

 

Bemanning: 1.
Spanwijdte: 7,55 m.
Lengte: 5,80 m.
Hoogte: 2,45 m.
Leeggewicht: 350 kg.
Startgewicht: normaal 480 kg.
Maximumsnelheid: 157 km/u.
Motor: Le Rhône 9C, 80 pk.
Bewapening: 1 Lewis machinegeweer, en soms ook 8 kleine Le Prieur raketten (voor luchtdoelen op max 120mtr afstand (niet geschikt voor zeppelins)).

 

DFW CV – Aviatik, 224 PK Benz

DFW CV

 

 

 

 

 

 

 

 

Enkel propellerblad met naaf stempel Hembrug 1917, MODEL T, SPOED16,0 NAAF VII, 224 pk, messing vleugeltip lengte 1670 mm (in deze vorm).

 

 

 

 

 

 

Bemanning: 2.
Lengte: 7,85 mtr.
Vleugelwijdte: 13,27 mtr.
Hoogte: 3,25 mtr.
Leeggewicht: 970 kg.
Max gewicht: 1430kg.
Motor: Watergekoelde Benz Bz.IV 6 cilinder inline piston motor van 200pk of een 150pk C.III N.A.G.*
Max snelheid: 155 km/u
Max hoogte: 5 km.
Klimsnelheid: 1,27 m/s
Vliegduur: 3, 5 uur.
Bewapening: 1 x 7,92 MG08/15 Spandau propeller gesynchroniseerd machinegeweer en 1 door de waarnemer bediende, op een ring gemonteerde Parabellum MG14 machinegeweer.
Max bommenlast: 100kg.

*Dit vliegtuig was de beste gevechtsjager uit WW1 en er werden uitvoerige verbeterde prototypes vervaardigd. Deze proppeller is waarschijnlijk van zo’n prototype geweest dat nabij Waardenburg was neer gestort en was uitgerust met een watergekoelde Benz 6 cilinder inline piston motor van 225pk.

Bij Waardenburg neergestorte DWF CV Aviatik

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

©foto de Brik vliegbasis Soesterberg, de eerste Farman ANP, werkplaats Herman de Ruyter, vliegtuigen wikipedia. ©neergestort vliegtuig, stempels, propellers en verhaal PDKAIH2017. Met dank aan H.Luttmer voor tech. info.