HET ONTSLAG VAN A.WILOD VERSPRILLE

A. WILOD VERSPRILLE

De 1e Luitenant der infanterie A. WILOD VERSPRILLE was in de mobilisatiejaren voorafgaande en gedurende de 1e wereldoorlog tewerkgesteld bij de Artillerie Inrichtingen Hembrug en daar verantwoordelijk voor het keuren van de door het bedrijf in Amerika aangeschafte Colt mitrailleurs.

M1895 Colt Browning mitrailleur

Aan het einde van deze oorlog, werd hij door de directie van de Artillerie Inrichtingen belast met het op grote schaal aanmaken van lichte mitrailleurs.
Toen het een en ander, ondanks diverse gesprekken met hem niet naar volle tevredenheid werd uitgevoerd, werd VERSPRILLE ontslagen.
Volgens VERSPRILLE was dit ontslag volkomen onterecht en hij schreef dan ook een brief naar het Departement van Oorlog met het verzoek een onderzoek in te stellen naar zijn ontslag.

DE BEHANDELING VAN HET VERZOEK

Het verzoek werd onder n°.166 op de agenda geplaatst: 166. Inlichtingen op het adres van A. WILOD VERSPRILLE, 1e luitenant der infanterie op non-activiteit, te Nijmegen, houdende verzoek een onderzoek te willen instellen naar zijn ontslag bij het Staatsbedrijf der Artillerie-Inrichtingen. (Gedrukt onder n°. 439 der Zitting 1921—1922.)

(439. 1.)

BRIEF VAN DE MINISTER VAN OORLOG

Aan den Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

’s Gravenhage, 21 februari 1922,

Ter voldoening aan het gevraagde in Uw schrijven van 11 november 1921, n°. 154, heb ik de eer U Hoogedelgestrenge het volgende te berichten omtrent het verzoekschrift van den 1e luitenant A. WILOD VERSPRILLE.

 De directie der Artillerie Inrichtingen belastte in februari 1918 den eerste-luitenant A. WILOD VERSPRILLE met de leiding en de aanmaak op grote schaal van lichte mitrailleurs, o. a. omdat deze officier gedurende zijn verblijf aan de Artillerie-Inrichtingen een uitgebreide kennis omtrent verschillende stelsels van mitrailleurs had opgedaan en hij belast was geweest met de keuring van de tijdens de mobilisatiejaren in Amerika bestelde COLT-mitrailleurs, welke keuring hij zeer tot tevredenheid van den vertegenwoordiger van het munitiebureau te New-York had verricht en waardoor hij zijn kennis omtrent de vervaardiging van mitrailleurs had verrijkt.
Voorts werd mede rekening gehouden met het gunstige oordeel, dat de directie had omtrent den technische aanleg van requestrant, in verband met diens vroeger werk bij de Wapenfabriek. Op grond van een en ander mocht de directie verwachten, dat de mitrailleuraanmaak bij meer genoemden officier in goede handen zou zijn.
De heer WILOD VERSPRILLE behoefde geenszins tot het op zich nemen der leiding te worden overgehaald; hij had bij de directie krachtig op het ter hand nemen van de mitrailleuraanmaak aangedrongen en zich geheel vrijwillig en gaarne voor de leiding van die aanmaak beschikbaar gesteld.
Dat de directie alleen de heer WILOD VERSPRILLE tot de aanmaak in staat zou hebben geacht is niet juist. Aanvankelijk werkte genoemde officier onder de bedrijf chef van de Wapenfabriek, terwijl de directie uitdrukkelijk verlangde, dat zoveel mogelijk overleg zou worden gepleegd met de beproefde speciale wapentechnici, die de voorafgegane voorbereiding en gedeeltelijke uitvoering van de aanmaak voor deze mitrailleurs op kleiner schaal hadden geleid, doch nu te zeer bezet waren met ander werk om ook met de aanmaak in het groot te worden belast.
Na het vertrek van genoemde bedrijf chef in augustus 1918 kreeg de heer WILOD VESSPRILLE geheel zelfstandig de leiding van de mitrailleurfabriek; ook daarna werd hem er meermalen op gewezen, dat hij het gewenste verband met de Wapenfabriek zoveel mogelijk in het oog had te houden.

Inderdaad werden na ongeveer een jaar enkele mitrailleurs ter oplevering aangeboden; deze bleken evenwel ongeschikt voor het gebruik, omdat zij onvoldoende werkten en de te eisen onderlinge verwisselbaarheid van de onderdeden alles te wensen overlieten.
Voorts had de inmiddels ingetreden demobilisatie gelegenheid gegeven, meer tijd en zorg te besteden aan het zoeken naar de meest doeltreffende vorm en de beste wijze van harden en afwerken van de onderdelen.
Dit had echter niets te maken met de kardinale fouten, welke, zo langzamerhand bleek, aan het werk van de heer WILOD VERSPRILLE kleefden.
De instelling van een zogenaamde keuringscommissie ten einde zekerheid te krijgen, dat aan billijke eisen beantwoorde wapens zouden worden geleverd, was niets anders dan de toepassing van de bij de Wapenfabriek steeds gevolgde regel om afgewerkte wapens te laten onderzoeken door personeel, dat onafhankelijk is van degene, die met de aanmaak daarvan is belast.
Daarbij werden geenszins zwaardere eisen gesteld dan redelijkerwijze behoord te geschieden. Trouwens, later is alles wat men indertijd van den heer WILOD VERSPRILLE ten aanzien van de mitrailleurs verlangde — en meer dan dat — bereikt geworden. Evenmin als voor andere wapens was voor deze mitrailleurs schriftelijke formulering nodig om tussen vakmensen te kunnen weten, welke eisen op redelijke wijze moesten en konden worden gesteld. Deze waren in hoofdzaak, dat de wapens behoorlijk zouden schieten en de delen onderling verwisselbaar zouden zijn. Ook nu zijn die eisen nog niet nader schriftelijk vastgelegd, zonder dat daarom iemand in twijfel verkeert hoe de wapens moeten zijn.

Lewis mitrailleur

Er is ook geen ruimte voor de opvatting alsof requestrant als bij verrassing’ voor eisen zou zijn gesteld, waarop hij niet van de aanvang af had behoren te rekenen. Schriftelijke formulering heeft hij nooit gevraagd, noch aan de keuringscommissie, noch aan de directie. Voor hem bestond verder niet de minste verplichting om zich te onderwerpen aan eisen van de commissie als die hem onredelijk zouden zijn voorgekomen. In dergelijk geval had hij zich tot de directie kunnen en moeten wenden. Afgezien wellicht van enkele zaken van ondergeschikt belang, heeft hij echter nooit meningsverschillen omtrent keuringseisen aan het oordeel van de directie onderworpen.

Wel was er herhaaldelijk een meningsverschil tussen den heer WILOD VERSPRILLE en de keuringscommissie over de vermoedelijke oorzaak van gevonden gebreken, de beste wijze om die weg te nemen, enz., doch dit was voornamelijk te wijten aan zijn streven om anderen, meer dan wenselijk zou zijn geweest, buiten de bijzonderheden van de fabricage te houden en gemaakte fouten zoveel mogelijk te verbergen. Dat hierdoor snel afleveren niet werd bevorderd spreekt vanzelf.
De voorstelling alsof het optreden van de commissie remmend zou hebben gewerkt op de goede gang van zaken is ten enenmale onjuist. Integendeel, de commissie heeft voortdurend met buitengewone toewijding getracht slechts het belang van de zaak in het oog te houden en opbouwend te werken. Het model van de mitrailleur heeft door het optreden van de keuringscommissie geen verandering ondergaan. Wel zijn, even goed als dit voor de instelling van de commissie en na het vertrek van den heer WILOD VERSPRILLE geschiedde, ook gedurende de samenwerking met de commissie kleine veranderingen, waarvan de ondervinding de wenselijkheid had leren inzien, aangebracht, als zulks met het oog op leveringstijd, kosten, enz., zonder bezwaar mogelijk was. Echter wees de directie er herhaaldelijk met veel klem op, dat de heer WILOD VERSPRILLE de volle verantwoordelijkheid bleef behouden en dat hij verbeteringen, door de keuringscommissie aangegeven, alleen dan had te aanvaarden, als hij die ook zelf werkelijk voor verbeteringen hield. Bij verschil van mening, hetwelk niet door proeven kon worden opgelost, zou de directie kunnen beslissen. Inderdaad zou door hen, die na het vertrek van de heer WILOD VERSPRILLE de fabricage tot een goed eind wisten te brengen, veel onderdeden als onbruikbaar ter zijde gelegd moeten worden. De oorzaak daarvan lag echter uitsluitend bij de eerst later in hare volle omvang duidelijk geworden onverantwoordelijke en lichtvaardige werkwijze van requestrant. Een gedeelte de afgekeurde onderdeden heeft later bij de aanmaak van exercitiemitrailleurs nuttige aanwending gevonden.

Toen de directie bij het persoonlijk nagaan van wat zij op gezag de aan haar verantwoordelijke personen gemeend had te kunnen aannemen, tot de overtuiging kwam, dat zij geen vertrouwen meer kon blijven stellen in de opgaven van de heer WILOT VERSPRILLE omtrent levertijd, prijs, enz. alsmede omtrent de door hem aangegeven oorzaken van vertragingen, oordeelde zij dat een onderzoek nodig was. Daar zij zelf te zeer door andere bezigheden in beslag werd genomen, droeg zij dit onderzoek op aan een commissie, bestaande uit de drie bedrijfschefs. Dat deze commissie van huis uit noch requestrant noch zijn werk ooit sympathiek gezind was, is een bewering, waarvoor niet de geringste redelijke grond is bij te brengen. Hoewel slechts een van deze bedrijfschefs bijzondere ervaring had van de wapenfabricage, waren allen zonder enige twijfel zeer goed in staat te beoordelen, welke fouten er aan de leiding van den mitrailleuraanmaak kleefden.
De commissie ontdekte bij haar onderzoek zeer ernstige tekortkomingen; het na het vertrek van de heer WILOD VERSPRILLE voortgezette meer gedetailleerde onderzoek heeft de juistheid van het rapport van de bedrijfschefs volkomen bevestigd. De commissie had volle vrijheid haar taak op te vatten zoals zij nuttig achtte. Dat zij den heer WILOD VERSPRILLE niet voortdurend bij het onderzoek aanwezig lieten zijn, is begrijpelijk. Zij achten zich genoodzaakt verschillende ploegbazen buiten tegenwoordigheid van requestrant te horen, omdat zij de indruk had gekregen, dat laatstgenoemde de directie en de keuringscommissie niet eerlijk inlichtte en zijn ondergeschikten er toe aanzette, gemaakte fouten te verzwijgen en te verbergen.

Op grond van vorenbedoeld rapport moest de directie tot de overtuiging komen, dat niet mocht worden gerekend op aflevering van lichte mitrailleurs in afzienbaren tijd, indien werd voortgegaan als tot dusverre; zij achtte het daarom noodzakelijk, de heer WILOD VERSPRILLE de leiding van den mitrailleuraanmaak te ontnemen. Dit besluit en de gronden daarvoor werden de heer WILOD VERSPRILLE door een van de directeuren persoonlijk in een langdurig onderhoud in zijn huis medegedeeld en toegelicht. Hem werd aangeraden gedurende 14 dagen of een maand met verlof te gaan, waarna men, in verband ook met het verdere verloop van het onderzoek naar de toestand, nader zou kunnen beslissen. Het maakte de indruk, dat de heer WILOD VERSPRILLE hierop zou ingaan.
De volgenden dag bleek echter, dat hij zich tot het Departement van Oorlog had gewend met een weinig doordacht schrijven, waarin hij beweerde, dat hem grof onrecht werd aangedaan, dat niet hij schuld droeg aan de mislukking maar de directie en de keuringscommissie, en dat de fabricage in dé war zou lopen als hij niet bleef. Hij wenste ook de leiding niet over te geven en verklaarde zijn functie als bedrijf chef te zullen blijven bekleden, totdat de beslissing van den Minister van Oorlog omtrent zijn ontheffing als zodanig zou zijn genomen.
Deze houding kan natuurlijk niet worden geduld. Het eind was, dat hem de toegang tot het terrein van de fabrieken moest worden ontzegd. Hij kwam toen terug op zijn besluit om geen gebruik te maken van het aangeboden verlof. Door deze wijze van optreden had de heer WILOD VERSPILLE zowel bij zijn chefs en kameraden als bij zijn ondergeschikten zoveel van zijn prestige ingeboet, dat het onmogelijk zou zijn geweest om hem te handhaven in enige betrekking bij de Artillerie-Inrichtingen. Daarom stelde de directie voor, hem bij zijn wapen terug te plaatsen.

De aflevering van mitrailleurs aan de korpsen, ongeveer 5 maanden nadat requestrant uit zijn functie van bedrijf chef van de mitrailleurfabriek was ontheven, is uitsluitend te danken geweest aan de ingrijpende wijziging, welke na zijn vertrek in de fabricage werd aangebracht.
Het ontslaan van losse werklieden hield verband met de. bedoeling om de in verkeerde banen geleide fabricage van verschillende onderdelen tijdelijk stop te zetten, totdat al het aangemaakte door de nieuwe leiders grondig zou zijn nagegaan; en geschift, en de nodige verbeteringen zouden zijn aangebracht.

Minister van Oorlog J.J.C. van Dijk

De beschuldiging, dat de directie bij de moeilijkheden van 1919 in gebreke zou zijn gebleven in het geven van leiding ter zake, mist elke grond. Zij heeft, zoveel het haar mogelijk was aandacht aan de mitrailleurfabriek gewijd en daarbij aanhoudend getracht de zo nodige samenwerking te verzekeren, wat haar, voor zover het de keuringscommissie betreft, ook ten volle gelukte, doch bij requestrant afstuitte op diens overdreven gevoel van eigenwaarde en zijn zucht om liever fouten te verbergen dan eerlijk naar verbetering te streven. Het waren zijn laakbare handelingen die tot gevolg hadden, dat de leiding niet altijd het gewenste effect kon hebben. Dat vele vervaardigde onderdelen als waardeloos werden afgekeurd, had kunnen worden voorkomen als requestrant volgens de bedoelingen der directie had willen samenwerken met anderen; bij de besprekingen erkende hij. dat zulks nodig was en beloofde hij, dat hij dit verder ook zou doen.
Het geldelijk nadeel, ontstaan door vervanging van het groot aantal onderdelen, moet worden geweten aan de onverantwoordelijke werkwijze van requestrant; het behoeft geen betoog dat de directie nooit zoveel delen zou hebben afgekeurd, als die behoorlijk voor oorlogswapens bruikbaar hadden kunnen worden geacht.

Zowel uit de behandeling van deze aangelegenheid vanwege het Departement van Oorlog, als uit het destijds ingestelde onderzoek door een commissie, bestaande uit 2 officieren buiten de Artillerie-Inrichtingen, omtrent verschillende onderwerpen, welke in de Tweede Kamer der Staten-Generaal ten aanzien van dit Staatsbedrijf te berde waren gebracht, is overtuigend gebleken, dat requestrant de hem opgedragen taak op zeer onvoldoende wijze heeft uitgevoerd en dat de scherpe vorm, die het optreden tegenover hem heeft moeten aannemen, gevolg is geweest van zijn eigen ondoordachte handelwijze.
Op grond van een en ander oordeelde mijn ambtsvoorganger het niet nodig, een nader onderzoek te doen instellen. Ook ondergetekende acht een nader onderzoek overbodig, terwijl hij van mening is, dat voor het geven van genoegdoening geen termen aanwezig zijn.

De Minister van Oorlog,
VAN DIJK

NOGMAALS WILOD VERSPRILLE

Wie dacht dat WILOD VERSPRILLE nu van het toneel was verdwenen heeft het mis.
Vlak voor het uitbreken van de 2e wereldoorlog had de Artillerie Inrichtingen een order voor de levering van pantsergranaten voor het Böhler PAG geschut geplaatst bij de munitiewerkplaats NV Metaalwarenmaatschappij Johan de Witt gelegen aan De Staart in Dordrecht

In stelling gebrachte Böhler PAG met op de achtergrond twee pantserwagens

Deze fabriek viel militair gezien officieel onder het DMKL, maar vanwege de order en het ter plaatse aanwezig zijn twee Böhler PAG stukken verantwoording voor deze zaken verschuldigd aan de Artillerie Inrichtingen. Bij het uitbreken van de oorlog werd er regelmatig telefonisch contact onderhouden met directeur Den Hollander van de Artillerie Inrichtingen. Deze gaf de zo verkregen informatie direct door aan het A.H.K.

Op 29 juli beantwoorde Den Hollander een brief N.M. Japikse van het Regelings Bureau van het Algemeen Hoofdkwartier die hem had verzocht om een kopie van de aantekeningen van de telefonisch doorgegeven berichten.

13 mei 1940 ± 10 uur

De Reserve Majoor voor spec.diensten A.WILOD VERSPRILLE, bedrijfsleider van de N.V. Johan de Witt te Dordrecht deelt telefonisch vanuit de fabriek dezer N.V. mede:

“In Dubbeldam zijn Duitsche pantserwagens gezien. De verdediging van de verbinding Moerdijk Rotterdam is onvoldoende sterk. De garnizoenscommandant te Dordrecht is pessimistisch gestemd”

Dit bericht werd door mij aanstonds doorgegeven aan het A.H.K.
Toestel nr. 426

Iets later

Dezelfde berichtgever deelt vanaf dezelfde plaats telefonisch mede:

“De pantserwagens welke te Dubbeldam zij gezien, zouden door de Duitsche troepen buitgemaakte Nederlandsche pantserwagens zijn. Er is ten zuiden van Dordrecht behoefte aan geroutineerde troepen onder leiding van oude, actieve officieren. Een kapitein Dokter, behorende bij een afdeling van 17 R.A. vertelde de reserve Majoor VERSPRILLE, dat zijn afdeling door Duitsche troepen gevangen genomen is na hevig vechten. Daarbij heeft zich moedig gedragen de Kapitein Tenge, die een “flink officier” genoemd werd. Onbekend is waar de krijgsgevangen Nederlanders zijn afgevoerd.
Hedenmorgen waren Duitsche troepen in het Oranjepark te Dordrecht. Ze zijn thans weggetrokken. Ondertussen zijn nog geen uur geleden 50 parachutisten bij Zwijndrecht geland.”

Doorgegeven aan het A.H.K.

Duitse parachutisten thv Zwijndrecht

12.15 uur

De Res.Majoor v. spec.diensten A.WILOD VERSPRILLE telefoneert mij uit zijn fabriek:

“Zo even is in de fabriek een soldaat binnengekomen, naam Colignon, radio telegrafist van de Genie bij de Lichte Divisie. Hij was met vier anderen belast met de bediening van een radiouitzendingsauto van de I.D. te Dubbeldam en kreeg de tussen 7 en 8 uur opdracht van kapitein Mulder opdracht de zendinstallatie van deze auto onklaar te maken en zich met de vier anderen naar het veer in Papendrecht te begeven. Ook de wielrijders, bescherming van zijn afdeling moesten weg. Op weg naar het veer werden zij aangevallen door een Duitsche patrouille die hen verspreidde. Colignon komt nu een bootje vragen om daarmee naar Papendrecht over te steken.
Ingenieur Lambeek van de fabriek Johan de Witt heeft telefonisch bericht van de Gemeente secretaris van Dubbeldam, dat enige pantserwagens, beschilderd met een zwart kruis opgerukt zijn in de richting Dordrecht. Daarachter volgt een Nederlandsche Motorafdeeling.”

Door mij doorgegeven aan het A.H.K.

14.10 uur

De Res.Majoor v. spec.diensten A.WILOD VERSPRILLE telefoneert vanuit zijn fabriek:

“De Gemeente Secretaris van Dubbeldam heeft opnieuw gebeld en gevraagd naar een vertrouwde verbinding met Den Haag. Gisteren heeft hij driemaal getracht het A.H.K. te telefoneren, doch slaagde daarin niet. De burgemeester van Dubbeldam had hem opgedragen mede te delen aan Kapt. Lagas van het A.H.K., dat hedenmorgen drie Duitsche pantserwagens, volgens de burgemeester komende uit Brabant en gevolgd door een overvalwagen Dubbeldam in de richting Dordrecht waren gepasseerd. Nederlandsche soldaten lopen in Dubbeldam rond zonder enige leiding, zonder officieren en zonder verbindingen.”

Deze mededeling is door de Re. Majoor VERSPRILLE doorgegeven aan Kapt. Van der Mark, adjudant van de Garnizoenscommandant te Dordrecht.

Door mij doorgegeven aan het A.H.K., toestel nr. 426

IETS LATER

De Commissaris van Politie te Dordrecht telefoneerde ons ter waarschuwing, dat over ongeveer een uur de Duitsche troepen Dordrecht zullen bezetten. Wij (de res. Officieren v. spec. Diensten WILOD VERSPRILLE en Lambeek) trekken ons terug in de richting Rotterdam, na overgave van het beheer van de fabriek aan onze oudste administratieve kracht Wagenaar”

Bronnen Nationaal Archief, Grebbeberg ©PDKAIH2019

GEBRUIKTE AFKORTINGEN

A.H.K.= Algemeen Hoofd Kwartier
DMKL = Directie Materieel Koninklijke Landmacht
 I.D. = Inlichtingen Dienst
PAG = Pantser Afweer Geschut
R.A. = Regiment Artillerie
Requestrant = degene die het /een verzoek doet
SD = speciale dienst

Advertenties

ARBEIDSCONFLICTEN BIJ DE ARTILLERIE INRICHTINGEN

Het bedrijf.

Minister van Oorlog, N(icolaas) Bosboom

Gedurende de 1e Wereldoorlog werkten er bij het Staatsbedrijf der Artillerie Inrichtingen ruim 8500 personen, het merendeel was in vaste dienst. Het andere deel bestond uit losse arbeidskrachten en dienstplichtige militairen.
     Omdat het bedrijf wapens en munitie vervaardigde, ressorteerde het rechtstreeks onder de Minister van Oorlog, N(icolaas). Bosboom. De leiding van het bedrijf lag, mede daarom in handen van beroepsmilitairen en kende als logisch gevolg daarvan een sterk hiërarchisch karakter.

Arbeidsomstandigheden.

De arbeidsomstandigheden in het bedrijf waren er ronduit slecht.
     Men werkte er zeer lange dagen, hadden slechts korte pauzes en ontvingen een in verhouding tot hun prestaties een zeer karig loon. De officieren die de leiding hadden, gedroegen zich heel onbeschoft tegenover de arbeiders. Verder dreven zij de arbeidsproductiviteit voortdurend op en indien hieraan, om wat voor reden dan ook niet werd voldaan, schroomden zij niet om het personeel te dreigen met ontslag en zelf bedachte straffen zoals het verlagen of inhouden van loon.

Stakingen.

Het kon niet uitblijven dat de werklieden zich gingen verzetten tegen de arbeidsvoorwaarden en omstandigheden waaronder zij moesten werken. En na een reeks van conflicten, barstte in augustus 1916 de bom en brak de eerste staking uit.
     De aanleidingen voor deze grote staking waren o.a. de onbeschofte behandeling, het steeds maar weer opvoeren van de productiesnelheid en het dreigen met straffen of ontslag door de officieren. Ook de lage lonen, toeslagen, onlogische indeling van de dag en nachtroosters en de hygiëne in de was en kleedlokalen maakten deel uit van hun grieven.

Werkwilligen verlaten onder begeleiding van politie en Marechaussee het station Amsterdam. 1916

De vakbond.

Op 18 april 1918 bemoeide de ABLR, (Algemeene Bond Losse Rijkswerklieden) zich met de voortdurende conflicten en riep een staking onder de losse arbeidskrachten uit.
     De aanleiding voor deze staking was de als gevolg van de mobilisatie ingestelde verlenging van de toch al zeer lange werkdagen. Van maandag t/m vrijdag bedroeg de werktijd 12 uur en op de zaterdag 10 uur. Pauzes en reistijden kwamen hier nog bovenop. Gemiddeld waren de werklieden zo’n 82 uur per week van huis.
     De eerste dag van de staking, die de belangrijkste staking gedurende ww1 in Nederland zou worden, lagen c.a. 3000 werklieden het werk neer. De tweede dag zou dit aantal oplopen tot c.a. 4500 werklieden.
     Een andere doch niet onbelangrijke reden voor de staking waren idealistische motieven, voor de ABLR en de arbeiders was het uitroepen van en het staken zelf, een middel waardoor er tegen de oorlog en de kapitalistisch ingestelde staat kon worden geprotesteerd.

Dienstplichtigen.

De commandant van de Stelling van Amsterdam, A.R. Ophorst, had er kennis van genomen dat ook de dienstplichtige militairen die bij de Artillerie Inrichtingen te werk waren gesteld aan de staking deelnamen. Hij sommeerde dat alle stakende militairen zich gekleed in hun uniform moesten melden. De militairen reageerden niet op dit bevel. Een kleine gedeelte van hen is gearresteerd en enkele anderen meldde zich pas na de staking. Het overgrote deel is simpelweg weggebleven.

Overleg.

Nadat de vakbond ABLR de militairen ( 14 a 1500 man) aanspoorde om zich te melden verschenen zij op 25 april weer op het toneel.
De ABLR had de volgende reden om de militairen aan te sporen:
1 Zij wilden het overleg met de minister van Oorlog herstellen.
Dit was op 24 april door de Nederlandse regering afgebroken omdat zij geen stakende militairen wenste te zien. Indien de stakende militairen zich tegen hun arrestatie zouden verzetten, was de regering daarom van plan om in Amsterdam een algemene staat van beleg aan te kondigen.
2 De bond wilde niet langer verantwoordelijk zijn voor de militairen.
3 De militairen hadden in tegenstelling tot de andere stakers geen bonboekjes en broodkaarten gehad omdat die waren ingetrokken.
4 Er dreigde strafrechtelijke vervolging, de krijgsraad zou de militairen voor desertie kunnen veroordelen.

Straffen voor de stakende militairen.

Generaal Majoor R.A. Ophorst. Commandant van de Stelling van Amsterdam

Commandant A.R. Ophorst, van de Stelling van Amsterdam gelastte de overplaatsing van de stakende militairen naar diverse legeronderdelen.
     De commandant bij de Hembrug negeerde dit en gelastte dat de militairen zich de volgende dag op hun werk aan de Hembrug moesten melden. De volgende dag verschenen zij in burgerkleding op hun werk. Ondanks het staken en vervolgens negeren van bevelen bleven de militairen tot ongenoegen van de stelling commandant onbestraft.

De autoriteiten.

Enige tijd later besloten de autoriteiten dat het toch een beter plan was om de dienstplichtigen over te plaatsen en werden zij naar diverse legeronderdelen die ver van de hoofdstad waren gelegen gestuurd.
     De dienstplichtigen die naar een legeronderdeel in Leeuwarden waren overgeplaatst, toonden daar hun ongenoegen door met stenen naar het hoofd van een officier te gooien. Wat niet ongestraft is gebleven.

Resultaat van de staking.

Op 23 mei 1918 eindigde de staking van de losse arbeiders aan de Hembrug. Veel van de stakers toonden zich weer werkwillig en gingen weer aan de arbeid.
     Ze hadden met de staking niets vermeldingswaardig bereikt.
Een paar dagen na de staking, in juli volgde er toch nog een klein succesje voor de stakers. De leiding aan de Hembrug verkortte de arbeidstijd met 7 uur. Maandag tot en met vrijdag werd de arbeidstijd met 1 uur per dag en op de zaterdag met 2 uur ingekort.  ©PDKAIH2019

DE AI IN DE STELLING VAN AMSTERDAM.

DE AI IN DE STELLING VAN AMSTERDAM.

Regelmatig wordt deze site benaderd met vragen als: “De Artillerie Inrichtingen Hembrug lagen in het laatste bolwerk van de landsverdediging, de Stelling van Amsterdam, maar wat is dat nu eigenlijk die stelling?, Hoe stak dat in elkaar?, Hoe werkt dat nu precies zo’n stelling?”enz.

Hoewel er op het wereld wijde web heel veel informatie te vinden is over het hoe wat en waarom van de stelling en ook op de vele forten veel wordt uitgelegd, zullen we ook hier het één en ander met behulp van een aantal filmpjes uitleggen en verduidelijken.

De Stelling van Amsterdam is de laatste van een aantal verdedigingslinies en had als doel in geval van een oorlog, als laatste te verdedigen gebied enige maanden geheel zelfstandig te kunnen functioneren, dit in afwachting van buitenlandse bondgenoten die ons zouden komen helpen.

Deze laatste verdedigingskring die voor het grootste deel tussen 1881 en 1914 door het Departement van Oorlog is aangelegd, heeft een lengte van 135 km en ligt op afstanden tussen de 15 en 20 km rondom het centrum van Amsterdam. Verder is de stelling verdeeld in 5 sectoren. Aan de buitenzijden bevinden zich 3 tot 5 km brede inundatie gebieden die in geval van nood onder water gezet kunnen worden. De vijand kan dan niet zien waar wegen, paden, greppels en sloten zijn en zakken met hun zware materiaal in slappe grond of lopen in sloten. Verder zijn ze door hun langzame en soms stagnerende opmars een makkelijke prooi voor de verdedigers en kanonnen en mitrailleurs van de forten, die bij de weinige accessen (doorgangen) staan opgesteld en elkaars schootsveld bestrijken.

De Stelling van Amsterdam

De verdediging bestaat uit:  Fort bij Edam, Fort bij Kwadijk, Fort benoorden Purmerend, Fort aan de Nekkerweg, Fort aan de Middenweg, Fort aan de Jisperweg, Fort bij Spijkerboor, Fort bij Marken-Binnen, Fort bij Krommeniedijk, Fort aan Den Ham, Fort bij Veldhuis, Fort aan de St. Aagtendijk, Fort bij Velsen, Fort Zuidwijkermeer, Fort bij IJmuiden, Fort benoorden Spaarndam, Fort bezuiden Spaarndam, Fort bij Penningsveer, Fort bij de Liebrug, Fort aan de Liede, Fort bij Vijfhuizen, Fort bij Heemstede, Batterij aan de IJweg, Fort bij Hoofddorp, Batterij aan de Sloterweg, Fort bij Aalsmeer, Fort bij Kudelstaart, Fort bij De Kwakel, Fort aan de Drecht, Fort bij Uithoorn, Fort Waver-Amstel, Fort in de Botshol, Fort aan de Winkel, Fort Abcoude, Batterij aan het Gein, Fort bij Nigtevecht, Fort bij Hinderdam, Fort Uitermeer, Vesting Weesp Fort aan de Ossenmarkt, Vesting Muiden Muizenfort, Vesting Muiden Fort H, Vesting Muiden Westbatterij, Fort Coehoorn, Kustbatterij bij Diemerdam, Fort aan het Pampus, Kustbatterij bij Durgerdam

In september 1995 werden de Nieuwe Hollandse Waterlinie en dit deel van de Stelling van Amsterdam aangemeld om op de UNESCO Werelderfgoedlijst geplaatst te worden. In 1996 werd het geheel op deze lijst geplaatst. (De Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur (United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization, UNESCO))

Verder een aantal nevenbatterijen, magazijnen, inundatiesluizen en natuurlijk een groot aantal manschappen.

Binnen de Stelling bevonden zich vele zaken die alle monden binnen in de stelling van voedsel, kleding, materialen en nog veel meer moesten voorzien en verder waren er ziekenhuizen, pakhuizen, transportmiddelen enz. En natuurlijk ook een wapen en munitiefabriek (De Artillerie Inrichtingen Hembrug). Omdat dit bedrijf zich zo’n beetje in het midden van de stelling bevond, wordt het vaak aangeduid als “Het hart van de Stelling.” De Artillerie Inrichtingen bevoorraden de sectorparken en van daaruit werden de forten en baterijen van de nodige wapens, munitie en materialen voorzien. Al deze voorzieningen staan niet op de Werelderfgoedlijst maar vele van deze gebouwen behoren wel tot lands Rijksmonumenten. ©PDKAIH2017

Bron van de kaart en lijst van de forten : © Stelling van Amsterdam 

Bron van de filmpjes Museion Media iov ©Provincie Noord Holland 

“Onderstaande filmpjes zijn gemaakt door Museion Media in opdracht van de provincie Noord Holland en maken onderdeel uit van de Les kist Stelling van Amsterdam” Een project om scholieren kennis bij te brengen over het waarom en de werking van de Stelling en het dagelijks leven op en in de forten.

Deel 1, De stelling van Amsterdam en de mobilisatie van 1914 – 1918.

Deel 2, De werking van een fort, bewapening en bescherming.

Deel 3, Het leven op de forten.

Deel 4, De inundatie, het geheim van de militaire onderwaterzetting.

 

Deel 5, Het nationale reduit, de strategie van de laatste wijkplaats.

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 11 van 11.

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 10 van 11.

DELFT IS DE ARTILLERIE INRICHTINGEN NOG NIET GEHEEL KWIJT.

Zoals al gezegd, was Delft tijdens de mobilisatie de Artillerie Inrichtingen niet geheel kwijt. Er werd daar een rijwielafdeling opgericht en later een automobielafdeling. Het aantal werknemers was 600 a 700 man.

Rijwielwerkplaats Delft 1915

Tijdens de mobilisatie waren zeer veel rijwielen gevorderd. Deze waren echter van zeer verschillend model en niet berekend op militair gebruik. Men kwam daarom tot een legermodel.

Carosserie bouw in de Automobielenwerkplaats Delft 1915

De autodienst was in de mobilisatietijd geïmproviseerd met krachten uit de burgerindustrie en handel. De werkplaats te Delft was alleen ingericht voor herstellingen en assemblage van automobielen en motorrijwielen.

Drie schepen van de motordienst Hembrug

In de mobilisatietijd werd er tevens de beschikking gekregen over een 8 tal (mogelijk zelfs 10) motorboten voor de verzending van de goederen. Deze  motorschepen  kregen de naam Motordienst Hembrug en een eigen nr.

Na afloop van de oorlog ging al spoedig het gerucht dat de Constructie werkplaatsen naar de Hembrug zouden worden verplaatst. Dit gerucht werd al spoedig waarheid. Ondanks verwoede pogingen van het gemeentebestuur en anderen mocht het niet lukken de werkplaatsen voor Delft te behouden. In 1924 werden de machines en werktuigen geleidelijk over gebracht naar Hembrug. Delft was daarmee een voorname bestaansbron kwijt. In 1925 was de verhuizing voltooid. Een zeer klein gedeelte van het bedrijf en de automobiel en rijwielafdeling bleven in Delft achter. Hieraan kwam na het uitbreken van de 2e wereldoorlog een einde. De gebouwen te Delft werden door het Rijk verhuurd en gedeeltelijk als opslagplaatsen voor de Artillerie Inrichtingen bestemd. Later zijn daarin diverse industrieën gevestigd of zijn zij als bergruimten in gebruik genomen.

Nu, we schrijven 2014 is vrijwel alles door de modernisering verdwenen. Het gehele staatsbedrijf was  dus sinds die tijd bij de Hembrug geconcentreerd. Het is begrijpelijk dat deze concentratie enorm bijdraagt aan een zo efficiënt mogelijk beheer. Niet alleen oorlogsgoederen werden er vervaardigd, sinds 1919 voerden de Artillerie Inrichtingen de autodiensten uit voor de posterijen te Amsterdam en Rotterdam en voor de departementen van Defensie en Justitie.

Door de AI geassembleerde en gebruikte postauto met het AI embleem op het portier

Er wordt vaak verteld en geschreven dat dit was om de militairen bekend te maken met aardrijkskundige kennis van Nederland. Dit voor het geval er weer oorlog zou komen. In werkelijkheid was het om het automateriaal, dat bij de demobilisatie voor het leger niet meer nodig was, productief te maken. Maar de fabricage van wapens en munitie was toch hoofdzaak gebleven. Wij verlangden, ook nu nog, allemaal naar de wereldvrede maar zelfs nu hij is nog niet verzekerd. Zolang er nog geen internationale ontwapening is, blijft de nationale bewapening een noodzakelijk kwaad. En als er dan bewapening nodig is, moet zij goed zijn. Aan de Artillerie Inrichtingen heeft het zeker niet gelegen. Zij hebben getoond wat te kunnen presteren als onze neutraliteit gevaar dreigde te lopen. Dat ons leger in 1914 tot 1918 paraat was, danken wij voor een zeker niet gering deel aan haar. En daarvoor zijn wij, ook nu het bedrijf niet meer bestaat, nog zeer erkentelijk. ©PDKAIH2014