WERKLIEDENTREIN AI TE WATER

WERKLIEDENTREIN TE WATER.

In 1939, vond er nabij Zaandam een ongeluk plaats waarbij een werkliedentrein voor het personeel der Artillerie Inrichtingen was betrokken.
Als door een wonder vonden er geen persoonlijke ongelukken plaats.

HOUTHANDELS.

Op het traject Amsterdam – Alkmaar – Hoorn vv bevond zich even buiten het station Zaandam een brug (nr.79) die de verbinding vormde tussen de vaart en de Papenpadsluis.
Via deze sluis werd veelvuldig gebruik gemaakt door de vele houthandels in de polder om hun met hout geladen dekschuiten naar de Zaan te vervoeren.

HET ONGELUK.

Op zaterdag 14 januari 1939, kort voor 12 uur, verscheen er een met hout geladen dekschuit voor de sluis. De brugwachter, de heer Dolleman, draaide hierop de brug open om de dekschuit doorgang te verlenen.
Precies op het ogenblik dat de geladen dekschuit zich onder de brug bevond, naderde er een achteruit rangerende trein met daaraan gekoppeld 18 lege personenrijtuigen bestemd voor de werklieden der Artillerie Inrichtingen. De machinist zag te laat de de brug openstond en het achterste rijtuig viel tussen de brughoofden en kwam terecht op het achterste deel van de dekschuit.
De schuitenvoerder, A. Geene, bevond zich op dat ogenblik op het voorste deel van de dekschuit en wist met een geweldige sprong de walkant te bereiken en zich in veiligheid te stellen.

Het ongeluk bij brug 79

VERVANGEND VERVOER.

De stationschef van Zaandam, de heer J.M. ten Napel telefoneerde direct naar de ongevallenwagens van respectievelijk Amsterdam en Alkmaar en verzocht hen met de grootste spoed naar Zaandam te komen. Verder zorgde hij ervoor dat het treinverkeer naar Alkmaar en Hoorn werd omgeleid. Niet veel later werden er pendelbussen tussen Zaandam en Koog a/d Zaan en tussen Zaandam en Purmerend ingezet.

TRACE WEER VRIJGEGEVEN.

Nadat het personeel van de werktreinen uit Amsterdam en Alkmaar er na heel wat inspanningen in geslaagd was, het rijtuig tussen de brughoofden en van de dekschuit te verwijderen.
Het zware onderstel dat van het rijtuig was losgeschoten en op de bodem van de Papenpadsloot was beland, door hen was geborgen.
De andere rijtuigen, de trein en de tussenliggende koppelingen gecontroleerd.
De rails en aansluitingen met de brug nagekeken, kon de brug neergelaten worden en werd het spoor om 17.00 uur, weer vrijgegeven.
De pendeldiensten werden kort daarop ook beëindigd.

©PDKAIH2019

Advertenties

DE RAMMONITOR ‘PANTER’

De rammonitor ‘Panter’

Op vrijdag 17 september 1892 voer er in de vroege avondschemering, vanuit de richting Amsterdam, een rammonitor door het Noordzeekanaal. Ter hoogte van de eerste Hembrug keerde het schip en meerde af aan een steiger behorende tot het grote Rijks Steenkolenmagazijn.

Zr.Ms. rammonitor 2e klasse Panter (1872-1906) ©Europeana

Het schip, de Zr.Ms. Rammonitor der 2e klasse ‘Panter’ lag amper afgemeerd toen een gedeelte van de bemanning, allen voorzien van een kruiwagen, zich over de steiger naar de loods begaven en kort daarop de van een flinke lading kolen voorziene kruiwagen weer via de zelfde weg naar het schip terug reden.

Steenkool laden bij het Rijks Steenkolenmagazijn

Gedurende een kleine twee uren waren beide rijen onafgebroken bezig en toen zij stopten met het kruien, hadden ze zo’n 70 ton kolen aan boord gebracht.
Gedurende dit hele gebeuren werd het steeds donkerder, bij de eerste volle kruiwagens stonden er op beide zijden van de steiger om de twee meter lantaarns met daarin een brandende kaars.
Toen het nog donkerder werd, werd het werkterrein op de walkant, vanuit twee toestellen zo helder verlicht, dat het wel dag leek. Op het schip zelf werd een felle kalklamp ontstoken.

De werking van een kalklamp ©Wikipedia

Toen de laatste kruiwagen aan boord was, werden de trossen direct losgegooid en vertrok de ‘Panter’ een sterke straal kalklicht voor zich uitwerpend, weer richting Amsterdam.  Of de tegemoet komende schippers daar blij mee waren moet worden betwijfeld.
De gehele actie bleek achteraf een proefneming om te kijken in een hoe korte tijd er bij nacht, 70 ton steenkool kon worden geladen. Het lag in de bedoeling dat er in de nabije toekomst meerdere soortgelijke schepen hun lading steenkolen bij het voornoemde Rijksmagazijn zouden innemen.
Geraadpleegde bronnen Europeana en Wikipedia. ©PDKAIH2019

Gebruikte afkortingen

Kalklamp – een lamp waarin door middel van een vlam, een cilinder van ongebluste kalk (caliumoxide) verhit, waardoor een fel wit licht ontstaat.
Rammonitor –  Een relatief klein, laag op het water liggend,  gepantserd en van zware wapens  voorzien  oorlogsschip met een aan de boeg bevestigde ram.
Ton –  1000 kg
Zr.Ms. –  Zijner Majesteits

ARBEIDSCONFLICTEN BIJ DE ARTILLERIE INRICHTINGEN

Het bedrijf.

Minister van Oorlog, N(icolaas) Bosboom

Gedurende de 1e Wereldoorlog werkten er bij het Staatsbedrijf der Artillerie Inrichtingen ruim 8500 personen, het merendeel was in vaste dienst. Het andere deel bestond uit losse arbeidskrachten en dienstplichtige militairen.
     Omdat het bedrijf wapens en munitie vervaardigde, ressorteerde het rechtstreeks onder de Minister van Oorlog, N(icolaas). Bosboom. De leiding van het bedrijf lag, mede daarom in handen van beroepsmilitairen en kende als logisch gevolg daarvan een sterk hiërarchisch karakter.

Arbeidsomstandigheden.

De arbeidsomstandigheden in het bedrijf waren er ronduit slecht.
     Men werkte er zeer lange dagen, hadden slechts korte pauzes en ontvingen een in verhouding tot hun prestaties een zeer karig loon. De officieren die de leiding hadden, gedroegen zich heel onbeschoft tegenover de arbeiders. Verder dreven zij de arbeidsproductiviteit voortdurend op en indien hieraan, om wat voor reden dan ook niet werd voldaan, schroomden zij niet om het personeel te dreigen met ontslag en zelf bedachte straffen zoals het verlagen of inhouden van loon.

Stakingen.

Het kon niet uitblijven dat de werklieden zich gingen verzetten tegen de arbeidsvoorwaarden en omstandigheden waaronder zij moesten werken. En na een reeks van conflicten, barstte in augustus 1916 de bom en brak de eerste staking uit.
     De aanleidingen voor deze grote staking waren o.a. de onbeschofte behandeling, het steeds maar weer opvoeren van de productiesnelheid en het dreigen met straffen of ontslag door de officieren. Ook de lage lonen, toeslagen, onlogische indeling van de dag en nachtroosters en de hygiëne in de was en kleedlokalen maakten deel uit van hun grieven.

Werkwilligen verlaten onder begeleiding van politie en Marechaussee het station Amsterdam. 1916

De vakbond.

Op 18 april 1918 bemoeide de ABLR, (Algemeene Bond Losse Rijkswerklieden) zich met de voortdurende conflicten en riep een staking onder de losse arbeidskrachten uit.
     De aanleiding voor deze staking was de als gevolg van de mobilisatie ingestelde verlenging van de toch al zeer lange werkdagen. Van maandag t/m vrijdag bedroeg de werktijd 12 uur en op de zaterdag 10 uur. Pauzes en reistijden kwamen hier nog bovenop. Gemiddeld waren de werklieden zo’n 82 uur per week van huis.
     De eerste dag van de staking, die de belangrijkste staking gedurende ww1 in Nederland zou worden, lagen c.a. 3000 werklieden het werk neer. De tweede dag zou dit aantal oplopen tot c.a. 4500 werklieden.
     Een andere doch niet onbelangrijke reden voor de staking waren idealistische motieven, voor de ABLR en de arbeiders was het uitroepen van en het staken zelf, een middel waardoor er tegen de oorlog en de kapitalistisch ingestelde staat kon worden geprotesteerd.

Dienstplichtigen.

De commandant van de Stelling van Amsterdam, A.R. Ophorst, had er kennis van genomen dat ook de dienstplichtige militairen die bij de Artillerie Inrichtingen te werk waren gesteld aan de staking deelnamen. Hij sommeerde dat alle stakende militairen zich gekleed in hun uniform moesten melden. De militairen reageerden niet op dit bevel. Een kleine gedeelte van hen is gearresteerd en enkele anderen meldde zich pas na de staking. Het overgrote deel is simpelweg weggebleven.

Overleg.

Nadat de vakbond ABLR de militairen ( 14 a 1500 man) aanspoorde om zich te melden verschenen zij op 25 april weer op het toneel.
De ABLR had de volgende reden om de militairen aan te sporen:
1 Zij wilden het overleg met de minister van Oorlog herstellen.
Dit was op 24 april door de Nederlandse regering afgebroken omdat zij geen stakende militairen wenste te zien. Indien de stakende militairen zich tegen hun arrestatie zouden verzetten, was de regering daarom van plan om in Amsterdam een algemene staat van beleg aan te kondigen.
2 De bond wilde niet langer verantwoordelijk zijn voor de militairen.
3 De militairen hadden in tegenstelling tot de andere stakers geen bonboekjes en broodkaarten gehad omdat die waren ingetrokken.
4 Er dreigde strafrechtelijke vervolging, de krijgsraad zou de militairen voor desertie kunnen veroordelen.

Straffen voor de stakende militairen.

Generaal Majoor R.A. Ophorst. Commandant van de Stelling van Amsterdam

Commandant A.R. Ophorst, van de Stelling van Amsterdam gelastte de overplaatsing van de stakende militairen naar diverse legeronderdelen.
     De commandant bij de Hembrug negeerde dit en gelastte dat de militairen zich de volgende dag op hun werk aan de Hembrug moesten melden. De volgende dag verschenen zij in burgerkleding op hun werk. Ondanks het staken en vervolgens negeren van bevelen bleven de militairen tot ongenoegen van de stelling commandant onbestraft.

De autoriteiten.

Enige tijd later besloten de autoriteiten dat het toch een beter plan was om de dienstplichtigen over te plaatsen en werden zij naar diverse legeronderdelen die ver van de hoofdstad waren gelegen gestuurd.
     De dienstplichtigen die naar een legeronderdeel in Leeuwarden waren overgeplaatst, toonden daar hun ongenoegen door met stenen naar het hoofd van een officier te gooien. Wat niet ongestraft is gebleven.

Resultaat van de staking.

Op 23 mei 1918 eindigde de staking van de losse arbeiders aan de Hembrug. Veel van de stakers toonden zich weer werkwillig en gingen weer aan de arbeid.
     Ze hadden met de staking niets vermeldingswaardig bereikt.
Een paar dagen na de staking, in juli volgde er toch nog een klein succesje voor de stakers. De leiding aan de Hembrug verkortte de arbeidstijd met 7 uur. Maandag tot en met vrijdag werd de arbeidstijd met 1 uur per dag en op de zaterdag met 2 uur ingekort.  ©PDKAIH2019

DE 2e WERELDOORLOG EN DE ARTILLERIE INRICHTINGEN Deel 2 van 4

Uit het dagboek Ir. F. Q. den Hollander 1

Het dagboek

Op 1 juni 1940 beantwoorde de directeur van het Staatsbedrijf der Artillerie Inrichtingen, Ir. F.Q. Den Hollander, een schrijven dat hij op 24 mei 1940 had ontvangen van de O.L.Z.1.

De brief.

“Naar aanleiding van Uw brief van 24 Mei 1940, Afd. Landmacht Sectie I  b Nº 172 A Geheim, doen wij Uwer Excellentie hierbij toekomen een opgave van berichten van het A.H.K2 ontvangen in het tijdvak 10/14 Mei.
Voorts deelen wij U mede, dat dezerzijds reeds aanwijzingen waren verstrekt om een beknopt overzicht samen te stellen van de gebeurtenissen in voormeld tijdvak bij de Directie, de Fabriek Hembrug en de Vestiging Delft.
Na voltooiing van dit werk zullen wij U het overzicht – tot een door U te bepalen aantal exemplaren – toezenden”.

De bijlage.

opgave van berichten, ontvangen van het A.H.K. in het tijdvak 10/14 Mei 1940

11 Mei. Telefonisch, tijdstip van ontvangst niet genoteerd.

De O.L.Z. verzoekt:
1e ± 2000 onbg. van 10,5 hw. Te doen omlaboreeren in scherpe schoten. Wanneer klaar?
2e 25.000 bg. Patronen verminderde lading van 7 veld te doen aanmaken.

12 Mei. Telefonisch, tijdstip van ontvangst niet genoteerd.

De O.L.Z. vraagt met aandrang naar tb. Nº 7 H.N. gew. en naar eihandgranaten.Overigens zijn van het A.H.K. geen bevelen of berichten bij de Directie der Artillerie Inrichtingen binnen gekomen”.

1 O.L.Z. =  Opperbevelhebber van Land en Zeemacht
2 A.H.K. = Algemeen Hoofd Kwartier

Het toegezegde overzicht.

BEKNOPT OVERZICHT VAN DE VOORNAAMSTE GEBEURTENISSEN IN DE DAGEN VAN 10 – 14 MEI 1940.

     Het hieronder beknopt overzicht is samengesteld met behulp van de berichten, door de Hoofden van de verschillende onderdelen van het bedrijf ingediend, terwijl tevens de van de Directie uitgaande telexberichten zijn geraadpleegd.
Voor een goed overzicht en ook om te trachten het belangrijke van het minder belangrijke te scheiden zijn in het 1e Gedeelte slechts algemeene zaken, betrekking hebbende op het personeel, de veiligheid, de algemeene werkgelegenheid enz. opgenomen, in het 2e Gedeelte n.m.m.3 het belangrijkste omdat daaruit eventueel leering voor de toekomst valt te trekken – zijn meer bijzonderheden vermeld aangaande productie en productiemogelijkheden in deze dagen, alsmede aangaande hulpverleening enz. buiten het bedrijf en contact met de particuliere nijverheid, terwijl in het derde gedeelte is getracht enkele beschouwingen en conclusies uit de gebeurtenissen vast te leggen.

3 n.m.m. = namens mijn mening

1E GEDEELTE
A l g e m e e n e  Z a k e n.

Zooveel mogelijk met inachtneming de chronologische volgorde worden achtereenvolgens de gebeurtenissen te ’s Gravenhage, Hembrug en Delft in het kort vermeld.

’s Gravenhage.

a.   Te ’s Gravenhage werden de noodige aanwijzingen verstrekt om alle kantoorgebouwen doorlopend bezet te houden, zoowel met het oog op het geven van en ontvangen van telefonische orders als met het oog op het doorlopend bedrijfsvaardig zijn der brandploegen en van het personeel belast met het vervoer.
     Door het hoofd van de Afdeeling Brandweer werden onverwijld alle brandbluschmiddelen in de verschillende gebouwen geïnspecteerd en waar noodig nadere voorlichting aan het personeel gegeven. Alle bluschmiddelen en de gereedschappen voor den luchtbeschermingsdienst werden in goede staat aangetroffen.
     De noodige verduisteringsmaatregelen en maatregelen tot bescherming der ruiten werden genomen.
     H.T.A.Vo.4 deed in verband met een op het Malieveld opgestelde batterij luchtdoelgeschut, de naar die zijde gekeerde lokalen van het gebouw Prinssese(n)gracht 19 ontruimen.
     In het bijzonder bij de Hoofdadministratie werd gelast de dosiers en boeken zooveel mogelijk in stalen kasten opgeborgen te houden, alléén het hoog noodige mocht op de schrijftafels blijven liggen; belangrijke dossiers werden, met het oog op een eventueele ontruiming, bij de hand gehouden.

4 H.T.A.Vo. =  Hoofd van de Technische Aanschaffings- en Voorlichtingsdienst (van de Artillerie Inrichtingen).

Het pand van de Artillerie Inrichtingen aan de Prinsessegracht 19 te ’s Gravenhage

In het Directiegebouw Lange Voorhout102, werd de  radio doorloopend bezet; alle berichten werden stenografisch opgenomen en uitgewerkt.
     Per telex-telefoon werd op alle heele uren verbinding opgenomen met de fabriek en op alle halve uren met de Vestiging Delft teneinde byzondere gebeurtenissen te vernemen en berichten uit te wisselen. Deze verbinding is nagenoeg doorlopend, nacht en dag bruikbaar gebleken.
     De opkomst van het personeel, werkzaam op diverse kantoren  te ’s Gravenhage , was voor Zoover aldaar woonachtig normaal te noemen. Verschillende personen, woonachtig buiten ’s Gravenhage, konden door plaatselijk vervoer, hun bestemming, niet, niet altijd, of althans niet dan met groote vertraging bereiken.
     Ook in de stad zelve werd door  de veelvuldige controle op straat veel oponthoud ondervonden, waardoor het personeel vaak te laat kwam. Dit gaf aanleiding tot een wijziging in de kantooruren, waarbij de koffiemaaltijd in de kantoorgebouwen werd gebruikt.
     De werkzaamheden aan kantoorgebouwen werden allen en dan ook herhaaldelijk gestoord door het in de Gemeente gegeven “luchtalarm”. Bij dit alarm moest het personeel zich hetzij in de schuilkelders in of buiten de gebouwen, hetzij in de lokalen of gangen gelijkvloers, bevinden.
Op den duur werd de reactie op het groot aantal malen, dat alarm gemaakt werd, minder.
     Ter vermijding van ongevallen bij te groote opeenhoping van personeel werden de bovenste twee verdiepingen van het Directiegebouw Lange Voorhout 102 ontruimd en het personeel ondergebracht in lokalen van het gebouw van de Octrooiraad, Willem Witsenplein. De verhuizing bracht natuurlijk stagnatie in den dienst mede. Even eens werden naar dit gebouw overgebracht diensten uit een der andere gebouwen, n.l. Prinssessegracht 6a, hetwelk door de in de nabijheid ingeslagen bommen tijdelijk onbewoonbaar was geworden.
     De houding van het personeel was – nadat de eerste ernstige schok van den plotseling ingetreden oorlogstoestand was verwerkt – rustig en beheerscht, het werk werd, niettegenstaande de veelvudige stoornissen met nauwgezetheid en groote plichtsbetrachting verricht.
     In overleg met de Directie werd door de Hoofdaministrateur bepaald, dat voorloopig geen rekeningen zouden worden betaald; aan de arbeiders werd een voorschot op het loon verstrekt, aangezien niet gerekend kon worden op normale geldtransporten in de eerstkomende dagen. Op den 14e Mei werd aan de ambtenaren het salaris voor de maan Juni uit betaald.

b.     Te Hembrug werd door den E.A. ambtenaar reeds te circa 4.00 uur van den 10e Mei waargenomen dat zich in de omgeving een luchtgevecht afspeelde waarop het signaal “luchtalarm”werd gegeven, waardoor de nachtploeg, dankzij een toevallig den vorigen dag gehouden oefening, in zeer korten tijd in de schuilplaatsen was.

Op het terrein bevonden zich ook bovengrondse schuilplaatsen (Zie bij X)

Personeel.

      Na gewaarschuwd te zijn besloot het Hoofd van de fabriek Hembrug de nachtploeg zekerheidshalve onverwijld naar huis te zenden, behoudens het daaruit aangewezen personeel voor de luchtbeschermingsdienst.
     Maatregelen werden genomen om het van de dagploeg opkomende opzichtvoerend- en werkliedenpersoneel te waarschuwen, dat dien dag slechts enkele fabrieksafdeelingen zouden werken, in het bijzonder de laboreerwerkplaatsen. Dit Personeel werd per boot naar de Fabriek gebracht. Later op de dag werd per radio bekend gemaakt, dat het geheele personeel op 11 Mei de arbeid zou hervatten.
     Van het op den eerste dag opgeroepen personeel ter sterkte van ruim 800 man hebben intusschen slechts rond 450 man aan dezen oproep gehoor (kunnen) (ge)geven. Op den volgenden dagen was de opkomst van het personeel heel normaal te achten.
     In verband met het luchtgevaar werd besloten, des nachts niet te werken, voordat de geheele fabriek afdoende zou kunnen worden verduisterd, waartoe direct met een ploeg van ruim 100 man, later uitgebreid tot pl.m 150 man werd begonnen.
     Het is in het tijdvak 10 – 14 Mei niet meer gekomen tot nachtarbeid; de daguren waren van 7,30 – 18,30 uur.
     Het werk werd herhaaldelijk door luchtalarm gestoord.
     Aangezien het van het meesten belang was, dat de Fabriek bleef doorwerken werd het alarmeeren beperkt tot die gevallen, waarbij het aantal en soort der vliegtuigen een opgezetten aanval deden verwachten. Het aantal alarmeeringen is hierdoor gering gehouden en was veel geringer als die in de Gemeente Amsterdam zelve. Meldingen werden zoowel van de luchtmachtdienst Amsterdam als van den C(entrale).Luchtverdedigingsdienst Amsterdam verkregen, terwijl bovendien nog eigen uitkijkposten waren uitgezet, welke geinstrueerd waren in zake de kenmerken van vijandelijke toestellen. Het eigen alarmsysteem heeft naar behooren gefunctioneerd; de vluchttijd was in den aanvang veel te groot, doch werd later aanzienlijk korter. Toch bleef de in verhouding tot de snelheid van doorkomen der meldingen en de vliegsnelheid der vijandelijke toestellen te groot.

Geneeskundige dienst.

     Terstond na het uitbreken van de vijandelijkheden werd de geneeskundige hoofdpost overgebracht naar den daarvoor ingerichte schuilkelder, waarvan de inrichting alleszins heeft voldaan.
     Door de I.G.D.L.5, werden 2 officieren van gezondheid, ter versterking van het geneeskundig personeel, gezonden. Deze zijn eenige dagen na het staken van vijandelijkheden weder vertrokken.
     Behalve het voorzien van enkele schot- en scherfwonden van militairen, die vanaf het front onderdeelen en munitie kwamen halen en in eenige verwondingen door het aanschieten van een auto bij het Pontveer ontstaan, is geen verdere geneeskundige hulp noodig geweest.
     Ten behoeve van een eventueel transport naar Amsterdam werden 2 motorhospitaalschepen ingericht, 1 vaartuig van de A.I. met 30 bedden en 1 ingehuurd vaartuig met 65 bedden.

5I.G.D.L = Inspectie Geneeskundige Dienst (Koninklijke) Landmacht

Fabrieksbewaking en verdere veiligheidsmaatregelen.

     Het detachement infanterie, 1 onderofficier, 1 korporaal en 22 manschappen, in normale tijden reeds aanwezig voor bewaking van het terrein in en om de fabriek, bezette met eenige mitrailleurs enkele posten in en om de fabriek ter directe beveiliging tegen parachutisten en laagvliegende vliegtuigen.
     Aangezien het aantal bezette posten voor een afdoende bescherming te gering werd geacht, werd versterking gevraagd aan den Garnizoenscommandant van Amsterdam.
     In afwachting van de komst van deze versterking werden reserve-officieren voor Speciale Diensten tijdelijk aangewezen voor de bezetting van eenige posten, terwijl de diensten van deze officieren werd ook gebruik gemaakt voor het bezetten  van den commandopost, voor de controle van autos bestemd voor de fabriek, bij het handhaven van de orde op de posten en bij de ingang van de Fabriek bij den aanvang van den werktijd.

Aangezien buiten een versterking met 16 marechaussées geen verdere uitbreiding van het bewakingsdetachement te verkrijgen was, werden door hoofd Fabriek. Ten einde de bewaking en de verdediging aan redelijke eischen te doen beantwoorden, pl.m. 150 dienstplichtigen behoorende tot het werkliedenkorps en met industrieel verlof zijnde, in dienst teruggeroepen.
     Naast de directe bewaking en verdediging van de Fabriek moest nog worden voorzien in de bewaking van schepen, geladen met ontplofbare stoffen en loodsen met materieel, alles liggende buiten het fabrieksterrein.
     In de namiddag van 13 mei kwam een detachement infanterieter sterkte van 1 officier en 60 manschappen ter bewaking van de Hembrug, den spoorweg en het terrein ter weerszijden van d spoorweg, voor zoover ten N(oorden). Van het Noordzeekanaal gelegen.
     Uiteindelijk werd er derhalve op 14 Mei beschikt over het volgende militaire personeel:
     1 onderofficier, 1 korporaal met 22 manschappen infanterie vat bewakingsdetachement.
     16 leden van het korps Koninklijke Marechaussee.
     1 onderofficier en 10 manschappen uit Zaandam.
     4 dpl. Wachtmeesters der artillerie.
     29 beroepsofficieren en reserve-officieren voor Speciale Diensten.
     5 dpl. sergeanten-vuurwerkers.
     4 dpl. onder-officieren en korporaals in opleiding voor vuurwerker en opzichter.
     150 dpl. van het werkliedenkorps.
     De militaire bewaking stond onder commando van Majoor van Erpenbeek de Wolff.
Daadwerkelijker aanvallen op de Fabriek, zoowel vanaf de grond al vanuit de lucht, zijn uitgebleven.
     Verliezen aan personeel en beschadiging aan materieel, gereedschappen en outilage door óóvijandelijk ingrijpen, derhalve geene, terwijl op een telefonische vraag van Hoofd Fabriek of bij vijandelijke nadering zelf de noodige vernielingen mochten worden uitgevoerd door de Directie ontkennend werd beslist.

Delft.

     Te Delft werden op de 10e Mei reeds te 3.30 uur groote formaties Duitsche vliegtuigen waargenomen. Het vliegveld Ypenburg werd aangevallen, terwijl rondom Delft o.m. de Kleiweg, in den Wippolder en aan de Schie, parachutisten waren neergekomen.
     Om 6.00 uur was het mogelijk eenigzins een overzicht van den toestand te verkrijgen. Hierbij bleek dat het terrein aan de Schie niet meer bereikbaar was, de laboreerwerkplaatsen waren in Duitsche handen, de reserve 2e Luitenant van Speciale Diensten Ir. Capel, was gevangen genomen.
     De gebouwen aan de Julianalaan lagen onder vuurbereik, zoodat het verblijf aldaar slechts mogelijk was in de ruimten, welke van de Wippolder afgekeerd waren.
     Het werk aan de v.m. Constructie-werkplaatsen aan de Hooikade en in de Werkplaatsen aan het Koningsveld werd op normale wijze aangevangen en voorgezet. Op het Koningsveld werd met ons personeel de houtvoorraad van de firma ’t Mannetje’, welke een gedeelte van de gebouwen aldaar in huur heeft, naar een naburig gelegen voetbalveld overgebracht.
Aan de Julianalaan waren de voor ons personeel aangelegde schuiltunnels in gebruik genomen door personeel van de Nederlandsche Weermacht, waardoor deze voor ons niet meer bruikbaar waren. Als schuilplaats werd een der kelderlokalen bestemd, hetgeen als zoodanig echter niet was ingericht.
     Het te Delft wonende personeel kon de Julianalaan bereiken. Het van elders komende personeel werd dikwijls door de omstandigheden gedwongen tot verzuim.
     Nadat het bericht was ingekomen dat de toestand aan het Koningsveld in verband met het optreden der parachutisten, critiek begon te worden, werd besloten slechts de gebouwen aan de Julianalaan en de Hooikade te laten bewaken.

     Voor de beide complexen werden de brandploegen, de E.H.B.O.-ploegen en de ploegen voor den bedrijfsdienst volledig ingedeeld. Twee officieren van Speciale Diensten werden voor elke wacht ingedeeld, terwijl de pl.m 20 aanwezige militairen over beide complexen werden verdeeld voor het doen van gewapende wachtdiensten, Van de v.m. Constructiewerkplaatsen werden zoowel  vóór als achterpoort bewaakt. In verband met het door het Gemeentebestuur afgekondigde verbod zich na 20.00 uur op straat te bevinden werden de noodige maatregelen getroffen, pl.m. 20 man in ieder complex te doen overnachten. Nadat echter onderdeelen  der Ned. Weermacht zich in den avond van dezen dag in het gebouw Julianalaan gingen vestigen werd een deel van de eigen bewaking van dit gebouw teruggetrokken, met name ook de E.H.B.O.-ploeg. De ziekenauto en de motorbrandspuit werden aan de v.m C.W. tot uitrukken gereed opgesteld.

     Op 11 Mei werden de gebouwen der v.m. C.W. zoowel van af den Leeuwenhoeksingel als van af de Vest herhaaldelijk beschoten; in de stad heerste die dag groote onrust.
     Een gedeelte van het gebouw Julianalaan werd door II-2 R.A. in gebruik genomen; de toren van het gebouw werd als waarnemingspost gebezigd. Door de gevechtshandelingen in de onmiddellijke nabijheid van dit gebouw en door het hiervoren genoemde zuiver militair gebruik van een gedeelte van het gebouw, was het uit den aard der zaak niet mogelijk op het Scheikundig Laboratorium regelmatig door te werken. Ook het gebruiken van de reserve officieren voor Speciale Diensten voor zuiver militaire doeleinden – wachtdiensten, verdediging van het gebouw e.d. – maakte, dat zij hun oorspronkelijk werk niet of nagenoeg niet meer konden volvoeren.
     De archieven van het S.L. werden voor een groot deel vernietigd, om het in vreemde handen vallen te beletten.
     Aan de v.m. C.W., werd een eigen luchtalarmdienst ingesteld. Het bleek toch, dat de stad Delft van af Vrijdagmorgen vrijwel doorloopend in staat van luchtalarm verkeerde. Precies volgens de voorschriften handelende, zou dus feitelijk het personeel zich doorloopend in de schuilplaatsen hebben moeten bevinden.
     Aan de post van de vóórpoort werd nu opdracht gegeven een signaal te geven zoodra vliegtuigen  boven Delft begonnen te cirkelen: op recht overvliegende vliegtuigen werd geen acht meer geslagen. Toch is het werk dien dag meermalen ernstig gehinderd, eenmaal werd zelfs 2 uur aan één stuk geschuild in verband met ernstige vuurgevechten tusschen Nederlandsche en Duitsche troepen in Delft.
     Mede rekening houdende met de mogelijkheid van plotselinge aanvallen in duikvlucht op het talrijke personeel, dat zich bij (eigen) luchtalarm van de werkplaatsen naar de schuilplaatsen moest begeven, werd het werk aan de patroonfabriek in de v.m. C.W.  gestopt ; de overige diensten aldaar werden in bedrijf gehouden.
     Alle uitgangen van de gebouwen, die verhuurd waren, werden gesloten en gebarricadeerd, de huurders werd tot nader order het werken aldaar verboden, vooral omdat het Hoofd van de Vestiging Delft geen controle had op het personeel dezer huurders en niet zeker was van hun betrouwbaarheid.
     Op 12 Mei werd het werk in het gebouw Julianalaan gestopt, d.w.z. de messingperserij, optische-afdeeling en gasmaskerafdeeling stonden dus stil; dit gebouw had een sterke militaire bezetting gekregen en werd ter verdediging ingericht. De in aanbouw zijnde laboreerwerkplaatsen waren inmiddels in Nederlandsche handen over gegaan, de reserve Luitenant Sp. D. Capel was in vrijheid gesteld. Het werk aldaar werd niet hervat wegens het gevaar bij bombardementen op het nabij gelegen vliegveld Ypenburg.
     Een groot deel van buit gemaakt Duitsch materieel werd aan de v.m. C.W. opgeslagen; een tijdelijk bij de Vestiging Delft werkzaam gestelde 1e Luit. Van het K.N.I.L. werd op 13 Mei met het beheer en weder uitgifte aan Ned. Troependeelen belast.
     Op 14 Mei vlogen in buitengewoon groote aantallen Duitsche toestellen boven Delft, vooral, in de richting Rotterdam. In verband met het verloop der krijgsverrichtingen, welke een minder gunstige wending namen en om bij een eventueele bezetting van de gebouwen der Vestiging Delft door Duitsche eenheden militaire conflicten te vermijden, werd de geheele militaire bezetting te 11.00 uur op de Hembrug gedirigeerd; het burgerpersoneel bleef in de verschillende gebouwen op zijn post.

Sergeant-opzichter gesneuveld.

     De verliezen aan personeel zijn gering, alleen de sergeantopzichter in opleiding P. Dietrich is in de nabijheid van het gebouw Julianalaan gesneuveld op weg naar zijn huis zijnde. Nadere bijzonderheden omtrent dit ongeval ontbreken verder.
     De gebouwen en de outillage daarvan zijn behoudens talrijke gesprongen ruiten en lichte beschadigingen, volkomen intact gebleven; door de Directie was bepaald, dat niet tot vernietiging mocht worden over gegaan.

Bronnen Dagboek Ir. F.Q . den Hollander, Archieven.nl©PDKAIH2019

HOLLAND OP Z’N SMALST (HET NOORDZEEKANAAL)

HOLLAND OP Z’N SMALST (HET NOORDZEEKANAAL)

Omdat het IJ langzaam dicht slibte, werd het steeds moeilijker voor de grote handelsschepen om Amsterdam te bereiken. Er werd besloten om dit probleem op te lossen door een kanaal te graven van Den Helder naar Amsterdam ( Noord-Hollands Kanaal). Al snel bleek dat dit niet de juiste oplossing was, de reis duurde langer en het probleem bij het IJ bleef bestaan.

Om de stad beter bereikbaar te maken zou een rechtstreekse korte verbinding van de zee naar de hoofdstad de oplossing zijn. Na veel vergaderingen over de voors en tegens van het doorgraven van de duinen, werd er uiteindelijk besloten deze verbinding te maken. Op 8 maart 1865 stak de Amsterdamse Kanaal Maatschappij in het smalste deel van Holland nabij Breesaap de eerste schep in de grond. Deze nieuwe waterweg kreeg de naam Noordzeekanaal.

Bij Oneindig Noord-Holland besloot met een korte geanimeerde constructie van deze enorme klus te laten maken. In hun opdracht maakte Mookx de door Koert-Jan de Bruijn ingesproken video. ©video Oneindig Noord -Holland

DE EERSTE HEMBRUG

DE EERSTE HEMBRUG

Tijdens het graven van het Noordzeekanaal moesten er ook een aantal verbindingen komen om van de ene zijde van het kanaal naar de andere zijde te kunnen komen. Daar werd indertijd tussen alle partijen veelvuldig over vergaderd.

Na veel gesteggel over en weer werd er in 1867 een akkoord bereikt over de bouw van een brug nabij de Hem met daarop een spoorlijn naar en van de hoofdstad Amsterdam. De brug en spoorlijn zouden in eerste instantie dienen voor het vervoer van zand en rails voor de verlenging van het spoor naar Amsterdam CS. Als deze lijn klaar was kon hij ook voor goederen en personenvervoer in gebruik worden genomen.

Ook werd er afgesproken dat hij het grootste deel van de tijd open moest staan omdat er nu eenmaal meer scheepvaartverkeer was dan treinverkeer en de scheepvaart vooral bij hevige wind veel last had van het obstakel. In 1870 begon men met de bouw van de brug en in 1875 was hij gereed. Een jaar later was ook de spoorlijn gereed en konden de eerste passagiers het kanaal met de trein passeren.

1875 Beproeven van de net gereedgekomen 1e Hembrug.

De brug bestond uit twee vaste delen en een draaibaar middendeel, dat door de brugwachters door middel van het draaien aan twee zogenaamde kaapstanders (windassen) kon worden geopend. De doorvaart opening bedroeg dan 19 meter.

Voor de brugwachters waren zowel aan de Zaanse als aan de Amsterdamse kant enige dienstwoningen gebouwd zodat ze net als de pontwachters vlak bij hun werk woonden en snel ter plaatste konden zijn. Eén van de brugwachters genaamd Aris Klomp heeft aan beide zijden van het kanaal gewoond en heeft ons enige mooie foto’s nagelaten.

1902. Het openen van de brug d.m.v. de kaapstanders, 2e van rechts Cor Klomp.

In 1904 werd een aanvang gemaakt met de bouw van een nieuwe hogere en van bredere doorgangen voorziene Hembrug tegelijkertijd werd in de dienstwoning aan de Amsterdamse zijde van het kanaal Cor Klomp geboren.

1905 Bouw nieuwe 2e Hembrug.

Trotse brugwachter Klomp nam Cor en zijn broer geregeld mee met het roeibootje van en naar de oude brug en later ook naar het seinhuis van de nieuwe brug.

1907 Aris Klomp met Cor (links) en zijn broer nabij de 1e Hembrug.

1926 Aris, Cor en een onbekende persoon voor het seinhuis op de nieuwe Hembrug.

1907 Ansicht met beide bruggen. Op de nieuwe brug 4 locomotieven voor de laatste beproeving voor de officiële ingebruikname.

Toen de oude brug gesloopt werd zette opa Klomp zijn werk als brugwachter voort op de 2e Hembrug. Dat was een stuk gemakkelijker want in plaats van de zware kaapstanders werkte nu alles met eenvoudige handels en knoppen die je zonder krachtsinspanningen kon bedienen. En al was het niet op de oude brug die inmiddels gesloopt is, de nieuwe brug mocht er ook wezen en was ooit de grootste draaibrug van Europa.

1907 sloop van de oude en op de achtergrond de nieuwe Hembrug.

In 1927 vierde Aris Klomp zijn 25 jarige dienstjubileum als brugwachter en kreeg daarbij als cadeau van zijn werkgever een massief zilveren schaalmodel van de 2e Hembrug. Het is nog steeds in de familie en zijn kleinzoon Cor die het weer van zijn vader Cor kreeg is er met recht apetrots op.

2018 Kleinzoon en naamgenoot opa Cor Klomp met het bijzondere cadeau.

Een aantal malen was het noodzakelijk om het Noordzeekanaal uit te diepen of te verbreden. In 1937 was het gebied nabij de Fordfabrieken aan de beurt en daar werd het kanaal over een lengte van 300 meter met 25 meter verbreed. De noordelijke en de middenpijler van de Hembrug stonden in het water. De zuidelijke pijler al ruim 30 jaar op het land en hoewel men tijdens de bouw wel rekening gehouden had met het feit dat het kanaal ooit breder zou worden, was deze pijler mede omdat hij toch niet aangevaren kon worden en waarschijnlijk ook om de kosten te drukken veel lichter uitgevoerd als de andere pijlers. (In het model van opa Klomp staat de pijler ook nog on versterkt op de vaste wal.)Dit probleem diende dus te worden opgelost en nog voor dat de pijler in het water kwam te staan is hij aan twee zijden versterkt.

1937 De versterkingen die aan beide zijden van de zuidelijke pijler werd aangebracht.

De brug werd in 1983 na de aanleg van de Hemspoortunnel overbodig en werd gesloopt en als oud ijzer afgevoerd. Een deel van de draaikrans ligt samen met de jaarstenen op het Hembrugterrein.

De eerste Hembrug werd in 1907 gedeeltelijk verkocht en heeft nog jaren in Dordrecht over het Wantij gelegen.

1908 Plaatsen van de oude Hembrug over het Wantij in Dordrecht.

1910 De oude Hembrug na de plaatsing over het Wantij te Dordrecht.

1910. Officiële opening van de oude Hembrug door Prins Hendrik. V.l.n.r.: Prins Hendrik met A. Bos, burgemeester Wichers, CDK?, wethouder P.J. de Kanther, directeur Gemeentewerken Van Ruisen , wethouder Hordijk, secretaris Van Houten, verslaggever A. van Son.

Omdat de brug door de gemeente Dordrecht van een nieuwe naam was voorzien werd deze op 12 februari 1910 door Prins Hendrik als de Prins Hendrikbrug geopend.

1912 De Prins Hendrikbrug voorzien van smalspoor.

In 1912 werd de brug aangesloten op het smalspoor en was de Lips goederentrein regelmatig op de brug te zien. ©PDKAIH2018, ©foto’s Cor Klomp Jr en Gemeente archief Dordrecht.

Meer info over de beide bruggen en de verbreding van het kanaal vind u in De beide Hembruggen in een notendop en in het verbreden van het noordzeekanaal

BAAS ARTILLERIE INRICHTINGEN KRIJGT BEKEURING.

BAAS ARTILLERIE INRICHTINGEN KRIJGT BEKEURING.

In de jaren 20 van de vorige eeuw was het een levensgevaarlijke gewoonte om van nog rijdende treinen die een perron of halte naderden de deuren voortijdig te openen en op het perron te springen. Ook werd er op vertrekkende treinen gesprongen Dit werd ook gedaan door personeel van de Artillerie Inrichtingen en het is dan ook niet verwonderlijk dat menige arbeider door zo’n onbezonnen actie zijn ledematen gekneusd of gebroken heeft, of er in het gunstigste geval er met schrammen, schaafwonden en blauwe plekken van af kwam. Ook kwamen velen er achter dat dit gedrag in artikel 25 van het Algemeen Reglement op Spoorwegvervoer strafbaar was gesteld. Als beloning voor hun gedrag kregen zij een boete van hfl. 10,- . Daar moest in die tijd menige uurtje voor gewerkt worden.

Trein nabij station Amsterdam

De directeur van de Artillerie Inrichtingen, de heer W.G. Houtwipper, die  als goede werkgever over  lijf, leden en gezondheid van zijn personeel waakt en het goede voorbeeld wilde geven, liet in alle werkplaatsen, kantoren en fabrieken een dienstorder op hangen. Daarin stond dat een ieder zich diende te houden aan artikel 25 en dat degene die dat niet deden konden rekenen op strenge straffen. De roekeloze medewerkers waren nu voor eens en altijd gewaarschuwd. Hoe lang het goed ging is onbekend, maar op zaterdagmiddag 26 januari 1929 gebeurde het volgende: De trein uit de Zaanstreek, met daarin enige honderden ambtenaren en ander personeel van de Artillerie Inrichtingen naderde het Centraal Station van Amsterdam en als of er geen artikel 25 en dienstorder bestonden werd  er een deur geopend en sprong er een meneer uit de trein en rende het perron op. Regelrecht in de armen van een ,, smeris” En meneer of niet, hij moest net als iedereen zijn naam, adres en abonnement afgeven aan de man der wet. De overige mensen die ondertussen uit de stilstaande trein waren gestapt proesten het uit van het lachen bij het aanschouwen van de overtreder. Zij hadden hem direct herkend, het was hun directeur de heer Houtwipper, die daar een bekeuring en preek kreeg. De dagen daarna deed het verhaal de ronde dat de heer Houtwipper slechts had willen aantonen wat er gebeurd als je je niet aan zijn dienstorder en artikel 25 houdt. Of  dat de waarheid was weet behalve de heer Houtwipper zelf niemand, wel is zeker dat hij een slechte dag had. ©PDKAIH2015.

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 11 van 11.

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 10 van 11.

DELFT IS DE ARTILLERIE INRICHTINGEN NOG NIET GEHEEL KWIJT.

Zoals al gezegd, was Delft tijdens de mobilisatie de Artillerie Inrichtingen niet geheel kwijt. Er werd daar een rijwielafdeling opgericht en later een automobielafdeling. Het aantal werknemers was 600 a 700 man.

Rijwielwerkplaats Delft 1915

Tijdens de mobilisatie waren zeer veel rijwielen gevorderd. Deze waren echter van zeer verschillend model en niet berekend op militair gebruik. Men kwam daarom tot een legermodel.

Carosserie bouw in de Automobielenwerkplaats Delft 1915

De autodienst was in de mobilisatietijd geïmproviseerd met krachten uit de burgerindustrie en handel. De werkplaats te Delft was alleen ingericht voor herstellingen en assemblage van automobielen en motorrijwielen.

Drie schepen van de motordienst Hembrug

In de mobilisatietijd werd er tevens de beschikking gekregen over een 8 tal (mogelijk zelfs 10) motorboten voor de verzending van de goederen. Deze  motorschepen  kregen de naam Motordienst Hembrug en een eigen nr.

Na afloop van de oorlog ging al spoedig het gerucht dat de Constructie werkplaatsen naar de Hembrug zouden worden verplaatst. Dit gerucht werd al spoedig waarheid. Ondanks verwoede pogingen van het gemeentebestuur en anderen mocht het niet lukken de werkplaatsen voor Delft te behouden. In 1924 werden de machines en werktuigen geleidelijk over gebracht naar Hembrug. Delft was daarmee een voorname bestaansbron kwijt. In 1925 was de verhuizing voltooid. Een zeer klein gedeelte van het bedrijf en de automobiel en rijwielafdeling bleven in Delft achter. Hieraan kwam na het uitbreken van de 2e wereldoorlog een einde. De gebouwen te Delft werden door het Rijk verhuurd en gedeeltelijk als opslagplaatsen voor de Artillerie Inrichtingen bestemd. Later zijn daarin diverse industrieën gevestigd of zijn zij als bergruimten in gebruik genomen.

Nu, we schrijven 2014 is vrijwel alles door de modernisering verdwenen. Het gehele staatsbedrijf was  dus sinds die tijd bij de Hembrug geconcentreerd. Het is begrijpelijk dat deze concentratie enorm bijdraagt aan een zo efficiënt mogelijk beheer. Niet alleen oorlogsgoederen werden er vervaardigd, sinds 1919 voerden de Artillerie Inrichtingen de autodiensten uit voor de posterijen te Amsterdam en Rotterdam en voor de departementen van Defensie en Justitie.

Door de AI geassembleerde en gebruikte postauto met het AI embleem op het portier

Er wordt vaak verteld en geschreven dat dit was om de militairen bekend te maken met aardrijkskundige kennis van Nederland. Dit voor het geval er weer oorlog zou komen. In werkelijkheid was het om het automateriaal, dat bij de demobilisatie voor het leger niet meer nodig was, productief te maken. Maar de fabricage van wapens en munitie was toch hoofdzaak gebleven. Wij verlangden, ook nu nog, allemaal naar de wereldvrede maar zelfs nu hij is nog niet verzekerd. Zolang er nog geen internationale ontwapening is, blijft de nationale bewapening een noodzakelijk kwaad. En als er dan bewapening nodig is, moet zij goed zijn. Aan de Artillerie Inrichtingen heeft het zeker niet gelegen. Zij hebben getoond wat te kunnen presteren als onze neutraliteit gevaar dreigde te lopen. Dat ons leger in 1914 tot 1918 paraat was, danken wij voor een zeker niet gering deel aan haar. En daarvoor zijn wij, ook nu het bedrijf niet meer bestaat, nog zeer erkentelijk. ©PDKAIH2014