CONSTRUCTIEWERKPLAATSEN AI DELFT MAAKTEN VELDPERS MIELING.

CONSTRUCTIEWERKPLAATSEN AI DELFT MAAKTEN VELDPERS MIELING.

In juni 1891 stond in het ,,Het Militair Blad” een artikel over, de veldpers-Mieling”, er stond o.a. het volgende: Men behoeft niet veel ervaring bij de stafdienst te hebben, om te kunnen begrijpen hoe belangrijk het is om de uit te geven bevelen snel te kunnen vermenigvuldigen. Er hoeft dan niet alleen veel minder te worden geschreven, maar er wordt ook veel tijd bespaard. En hoewel we vaak zeggen tijd is geld, in een oorlog is tijd goud waard. Ondanks het feit dat er nu door middel van hectographie, snel afdrukken te verkrijgen zijn, is men er echter nooit zeker van dat er genoeg en goede afdrukken zijn. Het kost veel moeite en als het niet goed is ontstaat er een behoorlijk en ook kostbaar tijdverlies.

Toen de minister van oorlog in de Algemene Landsdrukkerij, een door de directeur (de heer Mieling), samengestelde en in werking zijnde snelproefpers zag, stelde hij hem voor om in overweging te nemen een inrichting te ontwerpen, waarmee men in het veld uitgegeven orders kon zetten en drukken. Ook ongeoefenden zouden het apparaat eenvoudig moeten kunnen bedienen.

Direkteur Algemene landsdrukkerij. C.W. Mieling

Toen de heer Mieling gevolg had gegeven aan de overweging en zijn plannen aan de minister liet zien, gaf deze de constructiewerkplaatsen te Delft opdracht de veldpers te vervaardigen. In het voorjaar van het afgelopen jaar is deze pers met succes gebruikt tijdens manoeuvres rond Enschede en enige andere plaatsen. Na diverse andere proefnemingen werden door de heer Mieling op verschillende plaatsen nieuw geconstrueerde onderdelen aangebracht. Omdat de veldpers bij manoeuvres vaak verplaatst moest worden ontstond het idee dat hij lichter moest worden.

De laatste door de constructiewerkplaatsen vervaardigde veldpers voldoet nu aan de eisen dat hij licht, eenvoudig verplaatsbaar, door niet deskundigen snel en eenvoudig bediend kan worden en ook snelle en goede reproducties van het geschrevene produceert. Als bewijs hiervan dient het feit dat vorig jaar 2 sergeanten die met het vak typographie totaal onbekend waren na 6 respectievelijk 8 dagen oefening, ieder ruim duizend letters per uur hebben gezet en daarvan goede afdrukken gemaakt. De nieuwe veldpers weegt nu 30 kg en is opgeborgen in een kist die ook als tafel gebruikt kan worden. De letterkasten zijn rondom voorzien van ijzeren beugels waaraan 2 handvatten zijn bevestigd. De beugels zijn met 4 schroeven aan het deksel bevestigd, op dat alles goed gesloten blijft.

Omdat men hier maar vooral in de koloniën niet altijd tijd of mensen heeft om te oefenen met de pers, kan hij met een kleine wijziging ook geschikt worden gemaakt om autograpische (handgeschreven) afdrukken te maken op steen of zink. Het maken van de plaat gebeurd dan automatisch en ook kleine tekeningen kunnen zo vermenigvuldigd worden. Door deze laatste verbetering heeft de heer Mieling de kroon op zijn werk gezet. Bij de fabricage van de volgende persen wordt ook deze verbetering aangebracht. Nu was daar geen tijd voor omdat de pers tijdens de aanstaande manoeuvres gebruikt moet worden. Bron Het Militair Blad juni 1891. ©PDKAIH2017

Advertenties

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 11 van 11.

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 10 van 11.

DELFT IS DE ARTILLERIE INRICHTINGEN NOG NIET GEHEEL KWIJT.

Zoals al gezegd, was Delft tijdens de mobilisatie de Artillerie Inrichtingen niet geheel kwijt. Er werd daar een rijwielafdeling opgericht en later een automobielafdeling. Het aantal werknemers was 600 a 700 man.

Rijwielwerkplaats Delft 1915

Tijdens de mobilisatie waren zeer veel rijwielen gevorderd. Deze waren echter van zeer verschillend model en niet berekend op militair gebruik. Men kwam daarom tot een legermodel.

Carosserie bouw in de Automobielenwerkplaats Delft 1915

De autodienst was in de mobilisatietijd geïmproviseerd met krachten uit de burgerindustrie en handel. De werkplaats te Delft was alleen ingericht voor herstellingen en assemblage van automobielen en motorrijwielen.

Drie schepen van de motordienst Hembrug

In de mobilisatietijd werd er tevens de beschikking gekregen over een 8 tal (mogelijk zelfs 10) motorboten voor de verzending van de goederen. Deze  motorschepen  kregen de naam Motordienst Hembrug en een eigen nr.

Na afloop van de oorlog ging al spoedig het gerucht dat de Constructie werkplaatsen naar de Hembrug zouden worden verplaatst. Dit gerucht werd al spoedig waarheid. Ondanks verwoede pogingen van het gemeentebestuur en anderen mocht het niet lukken de werkplaatsen voor Delft te behouden. In 1924 werden de machines en werktuigen geleidelijk over gebracht naar Hembrug. Delft was daarmee een voorname bestaansbron kwijt. In 1925 was de verhuizing voltooid. Een zeer klein gedeelte van het bedrijf en de automobiel en rijwielafdeling bleven in Delft achter. Hieraan kwam na het uitbreken van de 2e wereldoorlog een einde. De gebouwen te Delft werden door het Rijk verhuurd en gedeeltelijk als opslagplaatsen voor de Artillerie Inrichtingen bestemd. Later zijn daarin diverse industrieën gevestigd of zijn zij als bergruimten in gebruik genomen.

Nu, we schrijven 2014 is vrijwel alles door de modernisering verdwenen. Het gehele staatsbedrijf was  dus sinds die tijd bij de Hembrug geconcentreerd. Het is begrijpelijk dat deze concentratie enorm bijdraagt aan een zo efficiënt mogelijk beheer. Niet alleen oorlogsgoederen werden er vervaardigd, sinds 1919 voerden de Artillerie Inrichtingen de autodiensten uit voor de posterijen te Amsterdam en Rotterdam en voor de departementen van Defensie en Justitie.

Door de AI geassembleerde en gebruikte postauto met het AI embleem op het portier

Er wordt vaak verteld en geschreven dat dit was om de militairen bekend te maken met aardrijkskundige kennis van Nederland. Dit voor het geval er weer oorlog zou komen. In werkelijkheid was het om het automateriaal, dat bij de demobilisatie voor het leger niet meer nodig was, productief te maken. Maar de fabricage van wapens en munitie was toch hoofdzaak gebleven. Wij verlangden, ook nu nog, allemaal naar de wereldvrede maar zelfs nu hij is nog niet verzekerd. Zolang er nog geen internationale ontwapening is, blijft de nationale bewapening een noodzakelijk kwaad. En als er dan bewapening nodig is, moet zij goed zijn. Aan de Artillerie Inrichtingen heeft het zeker niet gelegen. Zij hebben getoond wat te kunnen presteren als onze neutraliteit gevaar dreigde te lopen. Dat ons leger in 1914 tot 1918 paraat was, danken wij voor een zeker niet gering deel aan haar. En daarvoor zijn wij, ook nu het bedrijf niet meer bestaat, nog zeer erkentelijk. ©PDKAIH2014

 

 

 

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 7 van 11.

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 7 van 11.

Overplaatsing naar het Hemveld

De invoering van het draagbare wapen model 1895, die een geheel nieuwe machinale inrichting voor de patroonfabricage nodig maakte, werd er de aanleiding van om in 1897 het grootste deel van de werkplaatsen over te brengen binnen de Stelling van Amsterdam. Dit was volgens de toen geldende begrippen het reduit van onze landsverdediging.Daar werden achtereenvolgens gebouwd: de Patroonfabriek, de Werkplaats voor Draagbare Wapenen, de Vuurwerkerij met een Buizenfabriek en IJzergieterij.

Infanterie geweer model 1895

De te ‘s-Gravenhage achter gebleven geschutgieterij, die in 1871 door het Rijk van de familie Maritz was overgenomen werd in 1904 opgeheven. Zij hadden zich toegelegd op de vervaardiging van het bronzen en hardbronzen achterlaatgeschut en maakten daarna ook stalen vuurmonden. Door deze opheffing onderging de Werkplaats voor Draagbare Wapenen een kleine uitbreiding. Dit om in het vervolg ook de herstellingen aan geschut te kunnen uitvoeren. Jammer genoeg werden bij die op zichzelf staande bezuinigingsmaatregel de boor- en trekbanden voor oud-ijzer verkocht iets wat men in de mobilisatietijd zou betreuren.

De Stelling van Amsterdam werd grotendeels aangelegd tussen 1874 en 1914 en is een 135 kilometer lange verdedigingslinie ter verdediging van de Nederlandse hoofdstad

Bij de inrichting van de Werkplaats der Draagbare Wapenen in 1897 aan de Hembrug was het aanvankelijk niet de bedoeling daar een volledige wapenfabriek van te maken. Men dacht de benodigde wapens M95 te blijven kopen bij de Oesterreichische Waffenfabrikgesellschaft te Steyer en bestemde de eigen fabriek als herstellingswerkplaats en aanschaffingsorgaan. Verder diende hij voor de opleiding van geweermakers, zwaardvegers (wapensmeden) en van officieren van wapening. Om bij die opleidingen enig denkbeeld te kunnen geven van de zogenaamde uitwisselbare fabricage, waren er werktuigen met spaninrichtingen en gereedschappen aangeschaft. Dit om van een aantal van de eenvoudigste onderdelen de voor herstellingen benodigde verwisselstukken in eigen werkplaats te kunnen aanmaken.

Lademaker aan het werk in de geweerfabriek aan de Hembrug ©Herman de Ruijter

Die toestand duurde tot 1900, toen er in de Tweede Kamer der Staten-Generaal een vraag werd gesteld over de prijs waarvoor in de Italiaanse Staatsfabrieken het veel met het Nederlandse model overeenkomende geweer werd gemaakt.

Eén van de officieren, die tot de keuringscommissie te Steyr behoord had, was daar al tot de slotsom gekomen, dat de aanmaak van wapens in eigen beheer niet onmogelijk behoefde te zijn. Hij werd naar Italië gezonden. In het rapport over zijn onderzoek daar, stelde hij voor de al aanwezige werktuigelijke inrichting van de wapenfabriek uit te breiden. Daardoor zou het mogelijk zijn om zonder vergroting van de fabrieksruimte door eigen aanmaak tot in 1918 geleidelijk zoveel wapens te verkrijgen, als nodig zouden zijn om tijdig in de behoefte van de te verwachten legeruitbreiding te voorzien.

In twee stappen werd die uitbreiding van machines tot stand gebracht, waardoor men vanaf 1904 in staat was het gehele geweer van de grondstoffen af, in eigen fabriek aan te maken. Dat was geen kleinigheid, een geweer heeft 81 onderdelen. De kwaliteit van de Hembrug wapens bleek niet voor de Steyersche onder doen en de prijs ervan was behoorlijk lager.

Het grootste voordeel van het gaan aanmaken in eigen beheer was wel de ervaring van weloverwogen werken die hierdoor werd verkregen. Daardoor kreeg men de beschikking over zeer deskundig personeel. Dat zou in de toekomst efficiënter kunnen optreden als keurmeester tijdens het inkopen bij andere bedrijven. Ook de verworven kennis en routine zouden kunnen worden toegepast bij andere producten en werk op het eigen en aanverwante gebieden. Dit op dezelfde wijze als waar op de wapenfabricage wegberijdster is geweest voor vele andere takken van industrie.

De Geweerwinkel was dan wel van Delft naar de Hembrug verplaatst en daar uitgegroeid tot een volledige wapenfabriek. Het zou daar niet bij blijven. Delft verloor ook de Pyrotechnische werkplaatsen. Tot ver na de 1e wereldoorlog bleven de Artillerie-Inrichtingen nog gedeeltelijk in het historische stadje. Aan de Hembrug werkte men intussen verder. Men begon met het fabriceren van klewangs. Eerst voor het Indische en later voor het Nederlandse leger. In de mobilisatietijd zou ten volle blijken waartoe men door de verkregen oefening in staat was geworden. ©PDKAIH2017

Eindcontrole van de wapens ©Herman de Ruijter

Hembrug klewang model 1898 bestemd voor het KNIL

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 6 van 11.

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 6 van 11.

Directeuren / Personeel / werkplaatsen en werkzaamheden

Als directeur van deze inrichtingen traden achtereenvolgend op: Generaal Majoor P. Huguenin, Paravinci di Capelli, van Gorkum, U. Huguenin, de Kolonels Riesz, Hoogeveen, Dinaux, van Meurs, Steuerwald, Blanken, de Luitenant Kolonels von Pfaffenrath, van de Meer de Walchren, Verheije van Sonsbeek en Sesseler.

De huidige (1879) directeur is Kolonel P.H.J.A. de Booy.

De werkplaatsen bestaan dan uit:

Een modelkamer

Een smederij

Een grofsmederij

Een timmermanswerkplaats

Een zadelmakerij

Een boorkamer

Een instrumentmakerij

Een ververij

Arbeiders in de smederij van de Constructiewerkplaatsen te Delft

Het hieraan verbonden personeel bestaat uit:

1 Kolonel directeur

1 Majoor onderdirecteur

1 Kapitein, hoofd van de keuringscommissie

1 Kapitein hoofdopzichter

1 Kapitein Adjudant van het materieel

8 Officieren hoofdopzichters

5 Magazijnmeesters

12 Conducteurs

1 Chef van de kantoren

4 Boekhouders

9 Schrijvers

2 Tekenaars

1 Werktuigkundig Ingenieur

6 burger opzichters (2 bazen in chinisten, 2 keurders, 2 bazen werkplaatsen)

10 onderopzichters

2 Meester gieters

2 ma…?

6 bedienden en portiers

12 magazijnknechten

Verder naar behoefte te bepalen en op daggeld aangestelde burger werklieden. En enige militairen die opgeleid worden tot Meester werklieden bij de korpsen.

Kabelkar op de binnenplaats van de Constructiewerkplaatsen te Delft

De verschillende militaire werkplaatsen en fabrieken in Delft bestaan uit:

De Constructiewerkplaatsen nabij de Rotterdamsche poort.

Het Magazijn de Geer, aan het water met dezelfde naam.

De Houtloodsen aan de Rotterdamsche weg.

Het Kruithuis aan de Rotterdamsche vaart.

De IJzergieterij, Patroonfabriek en de Slagkruitfabriek aan de Buitenwatersloot.

De Geweerfabriek aan de Verwersdijk.

De Pyrotechnische werkplaatsen en de Affuitloodsen op de Paardenmarkt.

Karren en geschut op de binnenplaats van de Constructiewerkplaatsen in Delft.

Volgens de begroting van het Departement van Oorlog is in 1878 het volgende werk verricht:

318 bronzen en drie stalen kannonnen afgewerkt, van trekken voorzien enz.

Ongeveer 73.000 granaten, 5500 granaatkartetsen en 504.000 kartetsen van verschillend kaliber aangemaakt.

Ruim 50 affuiten van verschillende soorten vervaardigt.

74 affuiten herstelt of gewijzigd.

85 artillerie voertuigen herstelt of gewijzigd.

6.396.000 geweerkogels en ruim 800.000 revolverpatronen aangemaakt enz., enz.

Verder bevat de lijst nog een enorme hoeveelheid aangemaakte en herstelde onderdelen van materieel, tuigen, pontonbehoeften enz.

Het valt wellicht op dat er veel toezichthoudend personeel was. Dit komt omdat de samenstelling van onderdelen, munitie, wapens enz. zeer nauw luistert en er over het algemeen dus meer controle en toezicht nodig is dan bij algemeen fabriekswerk. ©PDKAIH2017

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 5 van 11.

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 5 van 11.

Viering van het 200 jarig bestaan

In 1879 wilde men in Delft het 200 jarig bestaan van de Artillerie Inrichtingen die inmiddels uit de affuitmakerij was ontstaan, vieren op 5 augustus de datum van bekendmaking van de resolutie. Maar juist in die tijd overleed de Prins van Oranje¹. Om die reden werden de feestelijkheden uitgesteld naar 22 november, de datum van de aanbesteding. Sindsdien gebruikt men deze datum voor de verjaardagen van het bedrijf.

deel 5 0

Willem van Oranje

¹ 6 Op 11 juni 1879 stierf prins Willem, 38 jaar oud, te Parijs aan een combinatie van tyfus, een leveraandoening en uitputting. Hij werd bijgezet in de grafkelder van Oranje Nassau in de Nieuwe kerk te Delft op 26 juni 1879. Zijn jongere broer Alexander volgde hem op als Prins van Oranje.

Voor dit feest werden bij kabinetsrescript van 31 juli 1879, nr. 13, goedgekeurd door Zijne Majesteit de Koning, voor een reünie diner uitgenodigd, alle oud officieren en officieren die ooit werkzaam waren geweest in één van de werkplaatsen van de Artillerie Inrichtingen te Delft. Als zij hieraan wilden deelnemen moesten zij zich voor 1 november melden bij de secretaris van de feestcommissie onder vermelding van de inrichting en het tijdvak waarin zij werkzaam waren geweest. Tevens moest er een bedrag betaald worden van hfl 5,- zijnde de kosten voor het couvert exclusief de wijn.

feestcommissie bestond uit de volgende personen:

Kolonel P.H.A.J. de Booy, ere voorzitter

Kapitein P.W. Pfeiffer, voorzitter De

Kapitein W.B. Westhoff, penningmeester

F.W. Braat, industrieel

G.J. Leeuwenberg, handelaar

Kapitein W. de Man

Mr. W.K.S. Van der Mandele, lid van de gemeenteraad

1e Luitenant S.L. van Nooten

1e Luitenant H.J. Ter Spill

1e Luitenant Jhr. E.M. van Belima, secretaris.

deel 5 1

Het reünie diner

Het feestelijkheden werden op 22 november, ‘s middags om 1 uur geopend met volksspelen op de Groote Markt. Het geheel werd opgeluisterd met muziek van het 3e regiment huzaren uit ’s Gravenhage. Een uur voor de opening speelde het klokkenspel en in de hele stad hingen de vlaggen uit. Iedereen was naar de Groote Markt gekomen. De woensdag ervoor had in Den Doele de eerste van vier grote toneelvoorstellingen plaats gevolgd door een concert en een goochelvoorstelling voor de kinderen door de hr. Bamberg. Het opgevoerde blijspel “de oude kleerkoop of een vriend in nood” viel bij het publiek en de smaak. Dit bleek uit de staande ovaties en het terugroepen van de acteurs. Onder leiding van de Luitenant van de artillerie, Jhr. Van der Does was in de concertzaal een wapentropee met daarboven het borstbeeld van de Koning opgericht. Door de maatregelen van de feestcommissie en dhr. Gaarland (pachter van de Doele) verliep ook het buffet, ondanks de vele aanwezigen geheel naar wens. Aan het gebouw van de Doele was in plaats van de gewone lantaarn een fraaie gasilluminatie aangebracht.

deel 5 2

Trompetterkorps 3e regiment huzaren uit ’s Gravenhage (Rode Huzaren) A.M. Luijt

De volgende dag vertrok om 10 uur in de ochtend het personeel van de ijzergieterij en de patroonfabriek, vooraf gegaan door muziek, door de stad, naar de Constructiewerkplaatsen. Tijdens deze tocht sloot het personeel van de Stapel en Constructiemagazijnen zich bij deze stoet aan. Bij de werkplaatsen aangekomen voegde ook het personeel van de pyrotechnische werkplaatsen zich bij dit gezelschap. Iedere afdeling werklieden voerde haar eigen vaandel met zich mee. Het was een aardig schouwspel om deze 900 mannen opgesteld te zien langs de open binnenplaats van de Constructiewerkplaatsen. De binnenplaats was toepasselijk versierd met krijgstrofeeën, borstbeelden en wapenschilden. In het midden van de binnenplaats was een podium ingericht voor de oude Grootmeester der Artillerie, die deze plechtigheid met zijn aanwezigheid zou opluisteren, Zijn Koninklijke Hoogheid Prins Frederik.

deel 5 3

Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Frederik

Om half één kwam de bejaarde Prins, vergezelde door zijn staf, per rijtuig uit de Residentie. Na de werklieden te hebben geïnspecteerd en de verschillende reünisten, bestaande uit officieren die vroeger werkzaam waren bij de inrichtingen, de militaire autoriteiten enz. te hebben begroet, nam de Prins plaats op het voor hem gebouwde podium. Omgeven door schitterend uitgedoste stafofficieren, de stedelijke autoriteiten, de schutterij enz. stond de Prins daar met voor zich de brede schare aan werklieden.

deel 5 4

Personeel van de Constructiewerkplaatsen tijdens het 200 jarig bestaan

Toen beklom de Kolonel Directeur der Artillerie Inrichtingen P.H.J.A. de Booij een daarvoor ingericht spreekgestoelte om zijn feestrede uit te spreken. Allereerst noemde hij de aanwezigheid van de Prins een kroon op het feest. Hij bedankte de Vorst voor zijn voortdurende belangstelling voor het artillerie wapen en dankte daarna alle aanwezige autoriteiten.

Zijne Majesteit de Koning en de Kroonprins hadden beiden hun leedwezen betuigd dat zij verhinderd waren en daardoor niet bij de feestelijkheden aanwezig konden zijn. Om de aanleiding voor de feestelijkheden te duiden, gaf de spreker een schets van de historie van de Inrichtingen. Vervolgens vertelde de spreker over de welwillende beschikking van de Minister van Oorlog om een, ter herinnering aan dit feest, herdenkingspenning uit te geven. Een gouden exemplaar voor de Koning, een zilveren exemplaar voor de Kroonprins van Oranje, voor Prins Frederik, de stad Delft en aan de vroegere en huidige Hoofdofficieren van de inrichtingen. De huidige officieren, de werklieden en de raadsleden van de stad ontvangen ieder een exemplaar in brons.

De penning werd ontworpen door de heer van Bruggen, 1e tekenaar van de constructiewerkplaats. Hij stelt aan de ene zijde de werkplaatsen voor gezien in vogelvlucht, en de jaartallen 1679 – 1879 en het randschrift affuitmakerij en constructiewerkplaatsen. Aan de andere zijde de datum van 1879 in een lauwerkrans en het randschrift 200 jarig bestaan van ’s rijks artillerie-inrichtingen.

Aan het slot van zijn rede wees de spreker op de grote betekenis van deze werkplaatsen vergeleken met wat er op dit gebied in het buitenland bestaat. Vervolgens dankte hij de Vorstelijke Grootmeester der Artillerie voor zijn aanwezigheid en zijn, zoals meermaals ondervonden, belangstelling voor de inrichtingen. Met een juichkreet ter ere van de Prins, welke een luide en herhaalde weerklank vond in de menigte, sloot de spreker zijn rede.

Prins Frederik nam nu het woord, hij bedankte kolonel de Booy voor de grote diensten door hem als chef aan deze werkplaatsen bewezen. De Prins herinnerde zich dat hij deze werkplaatsen al 62 jaar kent. Ofschoon hij vroeger beter volgde wat hier gebeurde, durfde hij toch te verzekeren, dat al is de inrichting niet zo uitgebreid als de buitenlandse, haar wetenschappelijke waarde word in den vreemde niet overtroffen. Tenslotte gaf hij aan de officieren en medewerkers te kennen dat het zijn wens was de verschillende vakken van de artillerie vervaardiging tot een dergelijke hoogte op te voeren dat de vreemdeling bevreesd moest zijn met de Nederlandse kanonnen in aanraking te komen. Een oorverdovend hoera en “leve de Prins” was het antwoord op deze woorden.

deel 5 5

Personeel van de Geweerwinkel tijdens het 200 jarig bestaan

Hierna ging kolonel de Booy over tot het uitreiken van de medailles. Eerst aan de Prins en vervolgens aan de nestor van de Nederlandse artilleristen de Generaal van Meurs en de stad Delft. In naam van de Delftse burgerij sprak de burgemeester een welgemeend woord van sympathie voor het feest en het langdurige bestaan van de inrichting. Hij hoopte dat deze medaille een gedenkstuk zou worden even belangrijk voor de nazaat als nu voor de tijdgenoot en de burgerij van Delft.

Tenslotte nam de Prins weer het woord om het dagelijks bestuur en de raad van Delft zijn leedwezen te betuigen, dat hij helaas niet in de gelegenheid was om aan de aan hem aangeboden lunch in het stadhuis deel te nemen.

De voor en achterzijde van de bronzen herdenkingsmunt

Hiermee was de openbare plechtigheid afgelopen en werd in de versierde bibliotheek van de constructiewerkplaatsen, waar de Prins nog enige tijd vertoefde een korte audiëntie door hem gehouden. Bij herhaling en hartelijk bedankte de Prins de feestcommissie uit de burgerij voor hun medewerking en zorg aan deze feestelijkheden. Ruim anderhalf uur duurde de plechtigheid, welke ondanks het vinnig koude weer, door de Prins al die tijd werd bijgewoond in de open lucht.

Later in de middag was er op de Groote Markt een openbaar concert. De reünisten gingen door met feestvieren en namen ’s avonds deel aan het gastmaal. Dit terwijl de werkplaatsen en verschillende plaatsen in de stad elektrisch of met lichtbeelden verlicht waren. Het 200-jarig bestaan van de werkplaatsen werd dus met grote feestelijkheden in november 1879 te Delft gevierd. Het hele stadje leefde met de Artillerie Inrichtingen mee. Misschien zou het feest minder opgewekt zijn geweest als men geweten had wat er nog geen twintig jaar later zou gebeuren. ©PDKAIH2017

 

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 4 van 11.

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 4 van 11.

De veranderingen

Als gevolg van het in 1815 opgemaakte plan tot het verdubbelen der Constructie Magazijnen, werd een smederij ingericht voor 70 smidsvuren en kwam aan de overzijde hiervan een gebouw tot stand, waarin later de bibliotheek, de bureaus en het ijzermagazijn werden gevestigd. Op het Westelijk gedeelte van de kanonnenwerf verrees een lange loods. De werktuigelijke inrichting bepaalde zich tot drie draaibanken voor de houtdraaiers, vijf wielputten, enig snijdgereedschap voor stelschroeven, twaalf smidshaarden, twaalf blaasbalgen voor die haarden, twee toestellen voor het zagen van hout en verder het handgereedschap voor ambachtslieden. De begroting aan werkloon van de constructiewinkel bedroeg in 1816 hfl 62.540,-.

De Franse heerschappij was juist geëindigd en het vertrek van de Franse troepen was gepaard gegaan met plundering en vernieling. De talrijke vestingen in Noord-Nederland misten dus zeer veel van haar krijgsvoorraad. Toen het congres te Wenen, in het begin van 1815, het besluit had genomen dat België met Nederland samen één rijk zouden worden, zag het oorlogsbestuur van die tijd zich genoodzaakt ook te zorgen voor de niet minder talrijke en even uitgeputte vestingen in Zuid-Nederland. Voordat men zich kon wijden aan de uitrusting van die vestingen, vereiste de staatkundige toestand van Europa, dat in de eerste plaats maatregelen werden genomen om het veldleger voor zijn bestemming geschikt te maken. Toen de eerste eisen van het veldleger waren voldaan, kon men eindelijk de aandacht besteden aan de vestingen. In eerste plaats zorgde men voor de vestingen in Zuid-Nederland, waarvoor ook te Antwerpen werd gewerkt. Voor het jaar 1816 werd hfl 60.000,- bestemd voor de aankoop van hout en hfl 70.000,- voor ijzer. Het verbruik was evenredig aan de toevoer, want de vestingen in Zuid-Nederland vorderden zeer veel wal- en vestingaffuiten.

In 1827 kregen de Kapiteins van Rozendaal, Hoogeveen en de 2e Luitenant Jooss opdracht om in verschillende buitenlandse fabrieken te gaan kijken hoe de productie daar werd uitgevoerd. Als gevolg van deze bezoeken werden verschillende verbeteringen in de fabricage aangebracht.

Toen in 1830 door de Belgische opstand¹ Luik aan ons beheer werd onttrokken, achtten sommige officieren het nodig in Noord-Nederland een geweerfabriek op te richten. Dit omdat men een aanzienlijk aantal geweren bezat (220.000 verschillende geweren, 9000 karabijnen en 16000 pistolen). Omdat de kosten van een geheel nieuwe inrichting een belangrijke som vereiste, besloot men het aantal werkkrachten van de bestaande werkplaats te vergroten en de nodige verwisselstukken door aankoop in het buitenland te verkrijgen.

Septemberdagen 1830 op de Grote Markt in Brussel © Guustaaf Wappers, 1835

¹Als gevolg van het Congres van Wenen, werd Koning Willem 1, Koning van zowel de Noordelijke als de Zuidelijke Nederlanden. Na vijftien jaar waren veel Belgen ontevreden. Veel van de katholieke zuiderlingen waren niet blij met het feit dat Willem I protestants was en de Franstalige edelen vonden het vervelend dat de regering Nederlands sprak. Veel liberalen waren daarnaast van mening dat de koning veel te machtig was. Toen in 1830 in Frankrijk de Koning Karel X succesvol werd afgezet kwamen ook de Belgen in actie.

Op 25 augustus 1830 werd in de Muntschouwburg in Brussel de opera La Muette de Portica (de stomme van Portica) opgevoerd, ter gelegenheid van de verjaardag van koning Willem I. Het stuk ging over een opstand tegen de Napolitaanse Koninklijke garde. Bij de aria Amour sacré de la patrie (De heilige liefde voor het vaderland) sloeg de vlam in de pan. Rond de Brusselse schouwburg had zich al een groep relschoppers verzameld en zij kregen gezelschap van tientallen bezoekers van de schouwburg. Gezamenlijk sloegen ze ruiten in, plunderden ze winkels en verzamelden ze wapens. Het was het begin van de Belgische opstand. Koning Willem I wilde de Zuidelijke Nederlanden koste wat het kost in het Koninkrijk houden en zette het leger in tegen de opstandelingen. Al snel splitste het leger zich echter. De zuidelijke militairen deserteerden op grote schaal. Dit versterkte het onafhankelijkheidsgevoel van de Belgen nog meer en er werd een nieuwe koning aangesteld. Leopold van Saksen-Coburg hij werd de eerste koning der Belgen. Leopold I legde op 21 juli 1831 de grondwettelijke eed af. Die datum is om die reden in België nog altijd de nationale feestdag.

Nadat de bedrijvigheid die verscheidene jaren had geheerst, door de bewapening van de zuidelijke vestingen begon te verminderen, werd er een nieuwe bron van arbeid geopend door orders afkomstig van de Marine. Ook voor Indië werden vele orders uitgevoerd. Het verlies der hulpbronnen in België was er de oorzaak van dat alle behoeften uit Delft moesten worden betrokken en hoewel het aantal vestingen door de gebeurtenissen van 1830 minder werd, was de langdurige oorlogstoestand die weldra intrad, er de oorzaak van dat de vestingen in Limburg, Noord- Brabant, een gedeelte van Zeeland, het veldleger en de marine zelf, ondanks de inspanning van alle krachten, niet tijdig genoeg door de werkplaatsen konden worden uitgerust. Waardoor men gedwongen werd tot het nemen van buitengewone maatregelen.

Het jaar 1830 is voorts gedenkwaardig omdat aan het in 1827 als gevolg van de bezoeken aan buitenlandse fabrieken ontworpen plan tot opstelling van een groot stoomwerktuig begin van uitvoering werd gegeven. Het verlies van Luik had tengevolge dat de Generaal Majoor Ulrich Huguenin die daar tot de revolutie de scepter zwaaide, maar nu directeur van de stapel en constructiemagazijnen te Delft was geworden, in oktober 1830 besloot dat er een nieuw salpetermagazijn gebouwd diende te worden en tevens besloot hij tot de oprichting van een ijzergieterij. Zeer belangrijk waren de hoeveelheden materiaal, die in het tweede halfjaar in aanmaak werden gegeven. De orders van 1831 getuigden er van dat men in alle benodigdheden tot een krachtige handhaving van onze rechten trachtte te voorzien. Van grote omvang zijn wederom de aanwijzingen van aan te maken materieel.

Ongedateerde kaart met daarop de werkplaatsen / magazijnen en de ijzergieterij (rechts)

Vanaf 1831 maakt men gebruik van stoom als beweegkracht. In de zomer van dat jaar werd in tegenwoordigheid en onder toeziend oog van de hoogleraar Verdam een stoommachine opgesteld van 20 paardenkrachten. Deze was voorzien van een windvergaarbak, waardoor de smidsvuren onafhankelijk werden van de blaasbalgen. In 1842 werd in de grofsmederij een stoomwerktuig geplaatst voor het in werking zetten van een staarthamer van 500 kg. Door de afgezonderde ligging van de ijzergieterij die niet bereikbaar was voor grote vaartuigen, voorzag men dat de transportkosten bij het verwerken van geschut aanzienlijk zouden zijn.

Omdat ook de gebouwen en terreinen ook niet volledig voor het doel geschikt waren, gaf men aan het Ministerie van Oorlog in overweging om in de nabijheid van Delft, aan de Schie, op een aan te kopen terrein, een geheel nieuwe werkplaats op te richten voor het gieten en afwerken van ijzeren geschut. Ook de ijzergieterij zou daar naar toe overgebracht moeten worden. Op de daardoor vrijkomende ruimtes en terreinen zou dan alles kunnen komen wat tot het vak van een vuurwerkmaker behoorde. De werkplaatsen aan de Paardenmarkt zouden dan moeten worden ontruimd, zodat de slagkruitfabriek, het laboratorium en de Pyrotechnische werkplaatsen op één plaats buiten de stad gevestigd zouden zijn. Tegelijkertijd kon dan worden voldaan aan de noodzaak de Pyrotechnische werkplaatsen uit te breiden. Buiten de prijs voor het terrein bedroeg de raming van de kosten hfl 94.000,- Voor ketels, stoomwerktuigen, machinerieën, etc. werd hfl 39.500,- begroot. In 1848 gaf de minister te kennen, dat de tijdsomstandigheden het niet toelieten uitvoering aan het plan te geven.

Een door stoom aangedreven valhamer in de smederij van de Constructiewerkplaatsen te Delft.

In dat zelfde jaar was de toestand in de omringende landen van dien aard dat de spanning hoog opliep. Hierdoor konden voorzorgsmaatregelen niet uitblijven. Vandaar dat er wederom een buitengewone bedrijvigheid in alle afdelingen der artillerie inrichtingen heerste.

In 1859 werd begonnen enige kanonnen een inrichting te geven die er na verloop van jaren toe zou leidden dat een volkomen verandering in het artilleriematerieel tot stand werd gebracht. In maart van dat jaar werd de opdracht verstrekt een bronzen kanon van trekken te voorzien. Hierdoor werd het mogelijk de vuurkracht en de precisie van het schot te verbeteren. Dit was het begin van de veranderingen, die op het wapen der artillerie en daardoor ook op de werkplaatsen een zo overwegende invloed hebben uitgeoefend.

Het jaar 1870 neemt in de geschiedenis der Artillerie-inrichtingen een gedenkwaardige plaats in. Als gevolg van de oorlog tussen twee grote mogendheden² werd ons leger gedurende enige tijd gemobiliseerd. Gedurende 1872 en 1873 werden verscheidene achterlaad kanonnen afgewerkt, om te worden beproefd. Enige affuiten werden met hetzelfde oogmerk voorzien van ijzeren verhoogstukken. De al vroeger beproefde transportwagens met draaiend voor onderstel werden in 1873 in gebruik genomen. In de hierop volgende jaren zijn de machine installaties en het aantal werktuigen voortdurend uitgebreid. Hierdoor werd een aanzienlijke besparing op machines en arbeidsloon verkregen.

²Oorlog die begon op 19 juli 1870 en duurde tot 10 mei 1871 werd gevoerd tussen Frankrijk en de Duitse staten, geleid door Pruisen. Frankrijk was beducht geraakt voor de snel groeiende Pruisische macht. Tot 1870 was Frankrijk immers de meest dominante natie op het vasteland in Europa. Maar nu werd de dominante positie van Frankrijk bedreigd door Pruisen, onder leiding van kanselier Bismarck. De oorlog zou leiden tot een overwinning van Pruisen en zijn bondgenoten en resulteren in de oprichting van het Duitse Keizerrijk, waarin de Duitse staten verenigd werden.

Verwijderen van de bronzen kern uit een kanon met als doel het van trekken en velden te voorzien en her te gebruiken. Constructiewerkplaatsen aan de v. Leeuwenhoeksingel te Delft. 1915

©PDKAIH2017

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 2 van 11.

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 DEEL 2 VAN 11.

De oprichting van de Affuitmakerij

In 1679 deed men een poging om hierin meer eenheid te krijgen. Bij de resolutie van 4 augustus en bekend gemaakt op 5 augustus besloten de „Gecommitteerde Raden van de Edel Mogende heren van Staten van Holland en West- Friesland¹ een affuit makerij op te richten. Zestien dagen later werd de order gesteld om onder directie van de commies der Artillerie, Reijer van der Burgh, deze te bouwen binnen de stad Delft bij lands loodsen in de Houttuynen aan de Singels. Uit het bedrag van de aanbesteding (hfl 6800, -) van 22 november 1679 kan worden afgeleid, dat de affuit makerij niet op al te grote voet werd opgezet. De plaats van vestiging droeg al de naam Houttuynen en diende tot stapelplaats van constructiehout.

De houttuynen in Delft

In de Resolutie staat niet waarom de affuitmakerij in Delft werd geplaatst. Maar waarschijnlijk was dat vanwege de daar toen al aanwezige landsmagazijnen.

Dit vereist enige toelichting:

Delft was aan het begin van de 16e eeuw een plaats met vele beroemde ijzergieterijen. Zij hielden zich bezig met het vervaardigen van klokken. Hoewel het bestaan van buskruit al in stukken uit 1248 wordt genoemd werd het in bestaan ervan in de 16e eeuw door Berthold Schwartz in Duitsland “opnieuw” uitgevonden. Het was een goedje dat bliksem en vernieling ter beschikking van de mensheid stelde. Sinds die tijd gingen de klokkengieterijen zich ook bezig houden met het gieten van geschut. Op 23 oktober 1573 werd door Prins Willem van Oranje een resolutie uitgeschreven waarin stond dat te Delft, Lants Tuighuis diende te worden opgericht. Hij gaf deze opdracht aan Jhr. Van Egmond, Mr. Van Wesenbeek en Jhr. Van Duivenvoorde. Zij waren belast met alles wat met het krijgswezen te maken had. En kregen tot opdracht:

“omme zich in ’t bezit te stellen van een bequame plaatse, omme in bewaringe te houden alle het geschut, wapenen, poudre en crijghsmunitie”.

In 1601 besloten de Staten van Holland aan de zuid poort van Delft nog een tweede magazijn op te richten. Dit zou de naam krijgen Magazijn van Holland. Bij dit magazijn werd ook een Constructiewerkplaats gebouwd. Deze werkplaats mocht eigenlijk geen naam hebben want het meeste werk werd uitbesteed aan bazen die het in hun eigen winkels vervaardigden. In de resolutie tot oprichting van het magazijn en de werkplaats stond als rechtvaardiging: Om in eigen behoefte te voorzien.

Om hare quote bij den Raad van State, die selden of nooit genoeg van penningen in voorraad is voorzien, om een stapelmagazijn te kunnen aanleggen in stede van met geld, geheel of ten deele met oorlogstuig te kunnen voldoen. Om bij onverhoopt ongeluk, dat aan andere magazijnen van Holland of van de Generaliteit kon overkomen, altoos een toevlucht in het groote stapelmagazijn te Delft te vinden.

Ook de Generaliteit beschikte in Delft over tal van tuighuizen en militaire inrichtingen. Zo bezat dit machtige college een magazijn van vuur en blanke wapenen op de hoek van de Nieuwstraat, in de kapel van het oude Heiligen Geest / Zusterhuis. Verder was er nog een tweede magazijn voor projectielen, loodgereedschap en bruggenmaterieel, reikend vanaf de Oude Delft tot aan de stadsmuur. Aan de Generaliteit behoorde ook de in 1611 buiten de Schiedamse poort gebouwde houtloodsen en het in 1660 op kanonschots afstand, buiten dezelfde poort gebouwde kruitmagazijn. De keuze voor een affuitmakerij in de Houttuynen te Delft was dus toch niet zo heel vreemd.

Uit de prijs waarvoor de affuit makerij werd aanbesteed, mag worden afgeleid dat de eerste aanleg zeer beperkt was. Het eerste gebouw had een lengte van 16 m, was 12 m breed en bevatte drie werkplaatsen: voor de affuit maker, de wielenmaker en de smid. Laatstgenoemde werkplaats besloeg bijna driekwart van het gehele gebouw. Aan de zuidkant bevonden zich een paar bijgebouwen en bergplaatsen voor brandstoffen en ijzerwerk. Voor het bewaren van het constructiehout, waarvoor het terrein voor de stichting van de affuit makerij bestemd was, waren enige grote houten loodsen aanwezig. Tussen die loodsen vond men stapels projectielen. Waarom deze projectielen juist daar lagen wordt niet vermeld.

Oude stadsplattegrond van Delft. Bij de pijl de Houttuinen waar de affuitmakerij gebouwd moest worden.

¹ De 55 leden van de Staten-Generaal hebben de titel ‘Edel Mogende Heeren’. ©PDKAIH2017

F.Q. DEN HOLLANDER TIJDENS DE BEZETTING VAN DE AI 1940.

F.Q. DEN HOLLANDER TIJDENS DE BEZETTING VAN DE AI 1940.

In 1938 functioneerde het Staatsbedrijf der Artillerie-Inrichtingen Hembrug slecht. In een poging het bedrijf op het gebied van wapenproductie voor de Nederlandse krijgsmacht geheel zelfstandig te maken vroeg de toenmalige minister van Oorlog, J.J.C. van Dijk aan F.Q. den Hollander (een topfunctionaris van de Staats Spoorwegen) de leiding van het bedrijf op zich te nemen. Deze protesteerde hevig maar werd zo onder druk gezet dat hij in augustus 1938 toch accepteerde. Hij werd benoemd tot adjunct-directeur en in januari 1940 kwam hij in die functie bij het bedrijf. Veel tijd om te reorganiseren had hij niet. Vier maanden later vielen de Duitsers ons land binnen. De wapenproductie was nog maar net op gang gekomen en Den Hollander wilde van samenwerking met de Duitsers niets weten en vroeg ontslag. Ook wilde hij delen van het bedrijf opblazen, maar dit werd hem door het Nederlandse gezag ten strengste verboden. Onder zware druk van de secretarissen generaal, de minister in Den Haag en het personeel van de Artillerie Inrichtingen besloot hij uiteindelijk om te blijven. Hij dacht er niet aan om voor de Duitsers te blijven produceren. Hij besloot om over te schakelen op civiele productie en een aanzienlijk deel van zijn personeel (al dan niet betaald) te laten afvloeien. Veel wapentuig werd er niet meer geproduceerd. En wat er werd gemaakt functioneerde van slecht tot helemaal niet. Op aandrang van de bezetter die hevig geïrriteerd was door zijn optreden, werd Den Hollander uiteindelijk in 1943 met wachtgeld de laan uit gestuurd.

In het tijdschrift ,,Nederlandsch Fabricaat” verscheen  in 1940 een verslag van een gesprek met ir. F.Q. den Hollander, de directeur voorzitter van het Staatsbedrijf der Artillerie Inrichtingen. Het ging er over hoe het bedrijf zich aan de nieuwe omstandigheden onder de bezetter had aangepast.

Ir F.Q. Den Hollander (c)Anefoto

Ir F.Q. den Hollander:

Op 15 mei na de capitulatie zaten wij met onze grootte fabriekscomplexen en 6430 mensen plotsklaps zonder werk. Alle opdrachten kwamen te vervallen en wij waren plotseling zonder, maar dan ook helemaal zonder werk. Het duurde enige weken voordat onze positie ten opzichte van onder andere de bezetter en de autoriteiten, bepaald was. En pas toen kon er een helder begrip over de reorganisatie waar we nu mee bezig zijn ontstaan.

Hoe wilt u het bedrijf aan de gang houden?

Door de overgang op vredesproducten, producten , waarvoor vrijwel dezelfde vakbekwaamheid en uitrusting nodig zijn als die waar wij over beschikken. Juist op dit terrein, onze specialiteit, zijn er heel veel producten die in Nederland nog niet worden gemaakt. Wij zijn ingesteld op metaalbewerking die een hoge nauwkeurigheidsgraad vereist en aan dat soort werk willen wij ons houden. Mede om te voorkomen dat de deskundigheid van onze arbeiders achteruit loopt. In de eerste plaats omvat het ontworpen productieprogramma lichte gereedschappen en werktuigen. Wij denken verder vooral aan span, snij en meetgereedschappen.

Bent u van plan om naast deze gereedschappen en werktuigen ook nog andere artikelen te maken?

Ja er staan ook nog andere artikelen, die niet in Nederland vervaardigd worden op ons lijstje. Bijvoorbeeld onderdelen voor lichte transportmiddelen zoals onder andere transportkettingen en rijwielonderdelen en misschien besluiten we in de toekomst ook wel tot het maken van auto onderdelen. Er is een voortdurende vraag naar reserveonderdelen en dat is allemaal massa maar ook vooral precisiewerk.  Misschien blijkt dit werk van voorbijgaande aard als we door gewijzigde omstandigheden voor sommige artikelen de concurrentie met het buitenland niet meer zinvol kunnen volhouden. Dat neemt echter niet weg dat wij van mening zijn dat onze fabrieken nu zo veel mogelijk op de bestaande behoeften moeten instellen.

Maar met de genoemde maatregelen kunnen wij ons doel niet voldoende bereiken en zouden wij toch nog veel van de beste arbeiders moeten ontslaan. Daarom hebben wij ook nog het idee opgevat om werktuigen en gereedschappen voor de land en tuinbouw (voor zover dat in ons land niet gemaakt wordt) in onze plannen op te nemen. Men moet hierbij denken aan ploegen, zaaimachines, kunstmeststrooiers enz. Deze plannen staan reeds op de tekentafels en er worden prototypes ontworpen. Dit laatste is erg belangrijk want er komt op dit gebied nog ontzaglijk veel uit het buitenland. Maar als Nederlands bedrijf kunnen wij ons in sterkere mate dan het buitenland instellen op de behoeftes van onze tuinbouw.

Maar we zijn er nog niet, tot nu toe sprak ik over het aandeel van onze bedrijven aan de Hembrug, maar er is ook nog ons complex van werkplaatsen te Delft. Daarvoor hebben wij twee speciale productiegroepen bedacht. De eerste betreft messing artikelen. We zijn in staat, en dat gebeurd door niemand anders in Nederland, messing in staaf, profiel en buisvorm te leveren in verschillende alliages (legeringen) al naar gelang de gewenste eigenschappen. De tweede groep betreft het instellen op vredeswerk van de optische en instrumentenafdeling. Ook dit weer op een wijze dat de andere Nederlandse industrieën niet in hun belangen worden geschaad. 

Maar daarbij blijven wij niet stilstaan. Wij hebben altijd al een grootte vakopleiding gehad en die wordt nu verdrievoudigd. De bedoeling daarvan is het aantal vakbekwame, op precisiewerk gespecialiseerde arbeiders in ons land op te voeren om in toenemende mate de industrie te kunnen helpen aan bekwame op onze school opgeleide vaklieden. 

En wanneer begint u nu met het nieuwe werk?

 O, wij zijn al druk aan de gang met allerlei vredeswerk. Enkele artikelen komen binnenkort al op de markt. Ook exporteren wij reeds naar Duitschland. Het bedrijf zal n.l. ook voor de buitenlandsche markt werken. 

Nu de Artillerie-Inrichtingen zoo geheel gaat reorganiseren, kan zij nu op den duur ook een staatsbedrijf blijven? En blijft de naam dan ook ongewijzigd?

Dat zijn vragen waarop zeker een antwoord moet worden gevonden, besloot Ir. den Hollander. Het is echter moeilijk daarover nu al definitieve mededelingen te doen. Ik wil er alleen op wijzen, dat ook de Steenkolenmijnen een staatsbedrijf zijn. En wat de naam betreft, hopen wij de letters A. I. ook in de toekomst te behouden. ©PDKAIH2017

OP DE FIETS NAAR DE CONSTRUCTIEWERKPLAATSEN DELFT.

OP DE FIETS NAAR DE CONSTRUCTIEWERKPLAATSEN DELFT.

Korps wielrijders en de rijwielherstelwerkplaats

Korps wielrijders / De rijwielherstelwerkplaats te Delft

Na een lange rit, bij temperaturen tussen de – 1,5 en 2,3 graden kwamen er op woensdagmiddag 21 maart 1917 onder luid trompetgeschal, twee escadrons van het korps wielrijders in Dordrecht aan en werden daar voor een nacht ingekwartierd. Zij waren die ochtend uit Vechel en Sint Oedenrode vertrokken. De volgende morgen zetten zij hun reis voort naar de constructiewerkplaatsen der Artillerie Inrichtingen te Delft om daar hun oude en half versleten fietsen om te ruilen voor volledig herstelde exemplaren. Op de terugtocht reden zij weer naar Dordrecht, waar ze weer ingekwartierd werden en rust konden houden. De volgende morgen zetten zij hun reis naar hun Brabantsche bestemmingen voort. En zo hadden zij behalve een andere fiets ook nog flink aan hun conditie gewerkt. ©PDKAIH2017

RUDOLPH WITTE BEDENKER PLANNEN BOUW ARTILLERIE WERKPLAATSEN HEMBRUG.

RUDOLPH WITTE BEDENKER PLANNEN BOUW ARTILLERIE WERKPLAATSEN HEMBRUG.

Rudolph Witte werd op 30 juni 1850 als zoon van zoon van C.G.F. Witte en P.D. Lagers te Utrecht geboren. Hij bezocht daar de technische en daar de hogere burgerschool en deed in 1867 op deze laatste instelling zijn eindexamen. Hierna ging hij naar Delft en begon een studie voor werktuigkundig ingenieur. In 1869 vertrok hij naar Aken en haalde daar in 1872 het diploma werktuigbouwkundig ingenieur. Hierna was hij als ingenieur werkzaam bij verschillende bedrijven in Remscheid, Essen, Barme en Rheine.
In 1876 werd hij benoemd tot werktuigkundig ingenieur bij de Artillerie Stapel en Constructie-magazijnen te Delft. Daar bestonden de werkzaamheden onder andere uit het vervaardigen en herstellen van affuiten, voertuigen en opzetten van vuurmonden.* Hij heeft hier veel verbeteringen in de werkwijzen ingevoerd. In 1886 werden alle Artillerie Inrichtingen verenigd, tegelijkertijd werd ook de commissie van proefneming onder de leiding van de chef van deze inrichtingen geplaatst. De werkzaamheden van Witte werden fors uitgebreid en hij bleef op werktuigkundig gebied de vraagbaak voor de artillerie officieren die allen ook niet de minsten op het gebied van werktuigkunde waren. Om dat echter niet elke officier even meegaand is, was het voor Witte niet altijd even gemakkelijk, de vrede te bewaren. Maar door zijn tact en welwillendheid wist hij telkens weer botsingen van enige betekenis te voorkomen. Voor het zagen van grote balken in verschillende afmetingen ontwierp hij een horizontale dubbele lintzaag die vervolgens door de firma E.H. Begman uit Helmond werd gebouwd. Het leverde hem in 1878 een tevredenheidsbetuiging van de minister van oorlog op. De door hem ontworpen zaag werd ook door verschillende andere fabrieken aangeschaft. Omdat het nodig was om gedurende een oorlog artillerie werkplaatsen binnen de stelling te hebben, werden naar zijn plannen van 1895 tot 1900 verscheidene van deze werkplaatsen aan de Hembrug gebouwd. In 1897 werd hem bij Koninklijk besluit de persoonlijke rang van hoofdingenieur toegekend. Ook de werkzaamheden aan de Hembrug gingen gestaag door en onder zijn hoofdtoezicht werd daar een elektrische centrale gebouwd.

rudolf witte

De elektrische krachtcentrale met op de voorgrond een omvormer en op de achtergrond een generator van 200 kilowatt. Zittend de machinist Boelrijk en staand de machinist Advokaat. De man links achter onbekend.

Ook buiten de Artillerie Inrichtingen verrichte Witte veel werkzaamheden. Zo was hij van 1891 tot 1894 secretaris van de Nederlandsche Vereeniging van Werktuig en Scheepsbouwkundigen en van 1902 tot 1905 president van de vakafdeling voor Werktuig en  Scheepsbouw van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs. Ook was hij in 1898 lid en secretaris van de commissie voor het onderzoek naar de levensvatbaarheid van een staalgieterij in Nederland. Hij was voor deze functie benoemd door de Vereniging tot bevordering van Fabrieks en Handwerksnijverheid, die hem ook het ere lidmaatschap van de vereniging verleende. Rudolph Witte overleed in 1905 te Delft. bron: Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek, ©PDKAIH2015

* Messing toestel, bestaande uit een voetstuk met twee staanders, waartussen een schuifje op en neer kan bewegen, dat bij het richten van een kanon of houwitser achter op de vuurmond wordt geplaatst om de nodige verhoging te geven.