EEN LEVERANCIER VERTELD OVER CONTROLE’S EN DIEFSTAL BIJ DE AI.

EEN LEVERANCIER VERTELD OVER CONTROLE’S EN DIEFSTAL BIJ DE AI.

Het was eind jaren vijftig van de vorige eeuw dat de moeder van Kees Tentij samen met haar tweede man, Piet Roos een transportbedrijf, genaamd Langereis en Verdonk, runden van uit een garage en een er naast gelegen woonhuis aan het Rustenburg in Zaandam. Het transportbedrijf reed regelmatig met vracht van en naar de Artillerie  Inrichtingen aan de Hemkade. Vaak bestond de lading uit mandflessen met zoutzuur die waren bestemd voor de hulzenfabriek.

Oude mandfles

Als de wagen bij de fabriek aankwam moest de chauffeur zich melden bij de portier, die vervolgens de lading met bijbehorende documenten en de chauffeur nauwgezet controleerden. Vervolgens reed er een portier mee het terrein op en werd er gelost / geladen. Daarna werd er weer mee teruggereden en werd alles, voordat het terrein verlaten mocht worden nogmaals gecontroleerd. Na een poosje reed de portier niet meer mee, maar de controles bleven.

En zo kon het gebeuren dat Kees op een dag door zijn moeder gebeld werd dat er een chauffeur van het bedrijf werd tegengehouden bij de poort van de Artillerie Inrichtingen. Hij mocht onder geen beding het terrein op. De reden? Ze lazen thuis de communistische krant ,,De Waarheid’’. Omdat de wagen toch gelost moest worden werd Kees op de fiets naar het bedrijf gestuurd om de wagen te lossen. En daarna op de fiets weer terug. Maar ja het was niet anders in die tijd.

Ook gebeurde het dat er werd gebeld om bij de afdeling expeditie een aantal zakken brandhout op te halen. Deze werden dan voor een rijksdaalder naar particuliere adressen van werknemers van de Artillerie Inrichtingen in Amsterdam gebracht. Op  sommige adressen moest je wel naar vier hoog met die zware zakken. Op een gegeven ogenblik leek het wel of die zakken steeds zwaarder werden en keken wij eens in zo’n zak. Er kwam een hele bankschroef uit! Later vonden we in de zakken onder andere beitels, heel handig verwerkt in de houtblokken. Na die vondst was het over met de diefstallen en werden de zakken voortaan collectief gevuld.

Bron de nu 80 jarige C. Tentij (Kees) uit Enschede ©PDKAIH2017

STRIJDGASSEN, EEN REGERING IN DE KLEM.

STRIJDGASSEN, EEN REGERING IN DE KLEM.

In het jaar 1929 trad het vraagstuk der gifgassen als oorlogswapen meer dan ooit op de voorgrond. Vooral in Amerika waren de scheikundigen druk aan het werk met het produceren van en het nemen van proeven met vernietigende gassen. Ook in Nederland zat men niet stil. Aan de Hembrug was de kapitein der genie, Van Til, dagenlang bezig in een laboratorium dat ten zijne behoeve was afgestaan en speciaal ingericht. Kapitein van Til nam als basis de ontdekking van een Zweedse ingenieur, die in enige uren miljoenen kubieke meters gas kon ontwikkelen tot het onzichtbaar maken van oorlogsdoelen. Het ging er nu maar om dit gas aan het z.g. mosterdgas te verbinden. Dan was voor Nederland een afweerwapen geschapen, dat als afdoende kon worden beschouwd voor elke aanval te land of ter zee. Kapitein van Til was met zijn proefnemingen reeds grotendeels geslaagd. Nog niet geheel en al, maar binnen enkele weken hoopte hij zijn werk te hebben beëindigd. Van Til werkte voort. In het diepste geheim. Slechts vijf mensen waren op de hoogte van de gasproeven aan de Hembrug. Daar waren, de majoor van Aa directeur der artillerie inrichtingen, de minister-president, de minister van financiën, die de plannen moest financieren, de minister van oorlog en de uitvinder zelf.

gifgassen

Strijdgassen

Op een fraaie herfstmorgen zat de minister president in zijn gerieflijk arbeidsvertrek aan het binnenhof te ‘s-Gravenhage. De premier was juist bezig enkele rapporten in te zien, toen de deur van zijn kamer openvloog. De directeur van de Hembrug stormde naar binnen, voorbij de secretaris-generaal, die met een schouderophalen den minister aanzag en de deur sloot. De directeur zag vuurrood. Op zijn voorhoofd parelden druppeltjes zweet, ofschoon het weer vochtig was en guur. Zijn overjas was stoffig. Hij liet zich op een stoel neervallen, zijn handen trilden op de leuning. De minister-president was opgestaan ,,wat is er?” vroeg hij, met zijn handen steunend op het bureau. ,,Hij is weg …..” stootte de directeur met moeite uit. Van Til, zijn aantekeningen verdwenen …. Alles weg!” De premier viel terug in zijn bureaustoel. ,,Wat zeg je?” vroeg hij verblekend. ,,Ik ben direct in een auto hierheen gekomen, om U …!”. Ja, ja…” antwoordde de premier, achterover geleund. De plotselinge slag scheen den krachtige man geheel van zijn stuk te hebben gebracht en geen wonder. Wat de directeur van de Hembrug hem verteld had, betekende vrijwel de val van zijn kabinet. Wanneer ‘t volk er achter kwam, dat de regering een dergelijke uitvinding zich afhandig had laten maken, zou zij onmogelijk zijn. Afgezien nog van de onaangenaamheden die men zich misschien van het buitenland op den hals haalde. Was de uitvinding naar Duitsland gegaan, dan zou natuurlijk de entente op haar achterste benen gaan staan. De minister scheen zich te herstellen. Hij ging naar de telefoon. ,,Even mijn collega’s van oorlog en financiën opbellen, dan kunt u vertellen en kunnen wij daarna beraadslagen wat te doen”. Na den hoorn aan den haak gehangen te hebben kwam de premier, de handen in de zakken gestoken, op den directeur van de Hembrug toe, die voor zich uit zat te staren, een toonbeeld van iemand die door het ongeluk getroffen is. ,,Een glaasje water?” vroeg hij. En hij schonk hem uit de karaf, die op zijn bureau stond. Met een dankbare blik keek de directeur hem aan. Men herkende in hem terstond den militair. Zijn gestalte was krachtig en slank, ofschoon nu zijn rug gebogen leek. Om de lippen lag een vastberaden uitdrukking. Wat geschied was, moest voor dezen man wel een afschuwelijke betekenis hebben. Was hij niet verantwoordelijk voor de veiligheid der uitvinding.

Een korte tik op de deur. De minister van financiën trad binnen. Een persoonlijkheid, dat zag men op het eerste gezicht, het hoge voorhoofd was bedekt door een grijzende, kort geknipte haartooi. De grijze ogen schitterden. De premier lichtte hem kort in. ,,Hm”, zei de minister, hij scheen onbewogen, maar om den mond had het toch even getrokken. Even later kwam de minister van oorlog, kort van gestalte, met achter zijn brillenglazen vrolijk rondkijkende ogen. Toen hij het verpletterende nieuws vernam werd hij vuurrood, sprong van zijn stoel en wilde uitvaren tegen den directeur. De premier legde echter kalmerend zijn hand op den arm van zijn collega van oorlog, keek hem met zijn donkere ogen afkeurend aan en dwong hem zodoende weer plaats te nemen. De directeur vertelde met horten en stootten. De kapitein Van Til was Maandagmorgen omstreeks tien uur aan de Hembrug geweest, waarschijnlijk om zijn aantekeningen te halen. Persoonlijk had de directeur hem niet gezien, wel echter hadden enige andere officieren hem opgemerkt. Eén van hen had nog enige woorden met hem gewisseld. Wanneer de kapitein weggegaan was, wist hij niet precies, maar het moet niet lang daarna geweest zijn, want op de lunch van half een had hij zich tegen zijn gewoonte niet laten zien. Ook ’s middags had geen mens den kapitein opgemerkt en vanmorgen, toen de directeur eens bij hem in het laboratorium was gaan kijken, was hij er niet geweest. De directeur had toen zijn woning in Amsterdam opgebeld en de huisknecht had hem medegedeeld, dat de kapitein Van Til gisteren, dus Maandagmorgen om negen uur op den gewone tijd zijn woning had verlaten om zich naar de trein te begeven voor zijn reisje naar de Hembrug. Tot op dit ogenblik was de kapitein nog niet teruggekeerd en de huisknecht begreep er niets van. De directeur was teruggesneld naar het laboratorium, had in het daarin afgesloten kantoortje de brandkast geopend. De aantekeningen waarin de scheikundige formules van de proeven waren vastgelegd lagen er niet in. Het lag dus voor de hand dat de kapitein den vorigen dag de aantekeningen gehaald en mee naar huis genomen had, om ze daar verder bij te werken. Iets wat wel meer geschiedde. Vermoedelijk was de kapitein met zijn tekeningen onderweg opgelicht, of, en in zekeren zin hoopte de directeur, dat dit het geval zou zijn, was de kapitein een ongeluk overkomen. In dat geval zou men naar alle waarschijnlijkheid de kostbare aantekeningen terug kunnen vinden. ,,Nu weten de heren er alles van”, besloot de directeur van de Hembrug zijn verhaal en wiste zich met zijn zakdoek het voorhoofd af.

– Het wil mij voorkomen……, begon de minister van oorlog.
– Dat de directeur aan dit geval totaal onschuldig is, viel de premier hem in de rede. Want naar alle waarschijnlijkheid heeft alles zich buiten de terreinen van de Hembrug afgespeeld en verder strekt de verantwoordelijkheid van den directeur zich niet uit.
– Wanneer ik mijn opinie in deze zaak zou mogen uiten, sprak de minister van financiën, zou het aanbeveling verdienen om het hoofd van de plaatselijke recherche te waarschuwen en op de hoogte te brengen.
– Ook van de uitvinding? Stiet de minister van oorlog uit.
– Dat zal wel moeten was het kalme antwoord.
– Daar ga ik mee akkoord, zei de premier en ging naar de telefoon.

Een kwartier later stapte een lange magere man binnen, wiens bleek gezicht werd geaccentueerd door een haviksneus waaronder dunne lippen een streep trokken. De staalblauwe ogen glansden koel. Op zijn gelaat lag een uitdrukking van onverzettelijke wilskracht. Toen hij plaatsgenomen had, legde hij de toppen van zijn lange witte vingers tegen elkaar en keek over zijn handen heen de spreker aan. Dit was de minister van financiën, die op de hem eigen kernachtige wijze een exposé van den toestand gaf. Onbewogen, als een stenen beeld luisterde het hoofd van de recherche toe.
– Mag ik enige vragen stellen? Vroeg hij tenslotte. De premier knikte.
– Kunt u mij een beschrijving geven van het laboratorium en de ligging daarvan ten opzichte van de andere gebouwen?
– De directeur wil misschien deze vragen wel beantwoorden? Vroeg de minister van financiën?
– Het laboratorium is een alleenstaand gebouwtje, de ramen zijn van matglas. Alleen kapitein Van Til is er in werkzaam en heeft er de sleutels van. Ik natuurlijk ook.
– Is het mogelijk, dat de kapitein in zijn laboratorium bedwelmd is en later weggevoerd?
– Dat zou toch gezien moeten zijn?
– ’s Nachts? De directeur haalde de schouders op.
– Er waren absoluut geen sporen van een worsteling.
– Weet iemand dat de kapitein zulke belangrijke proeven neemt?
– Behalve wij hier en de kapitein niemand.
– Pardon het laboratorium wordt niet bewaakt?
– Neen, om de aandacht niet te trekken, in overleg met de minister van oorlog zelf……
-Ja, ja dat is zo beaamde de minister.
– Kunt U mij ook zeggen wat voor soort man de kapitein Van Til is? Getrouwd?
– Kapitein Van Til is niet getrouwd. Voor zover mij bekend is, heeft hij zelf in het geheel geen familie, behalve een paar oude tantes en een ouden oom. Van Til leeft alleen op kamers in Amsterdam, met een ouden huisknecht, dien hij al jaren heeft. Ik weet dit omdat ik hem wel eens een enkele maal heb bezocht.
– Hoe waren zijn financiële omstandigheden? Speelde hij wel eens?
– Van Til was enigszins gefortuneerd, hij behoefde van zijn traktement alleen niet te leven. Hier glimlachte de minister van financiën even.

– Voor zover mij bekend is, leidde hij een zeer geregeld leven. Hij was een harde werker. Alleen in een mooi concert of een mooie toneelvoorstelling stelde hij belang. Spelen zal hij stellig nooit gedaan hebben.
– Vrouwen?
– Daarvan had hij een afkeer. Tenminste zo is mij verteld.
– Kan ik persoonlijk een bezoek aan het laboratorium brengen?
– Met alle genoegen.
– Ik kan u dan nog enkele nadere gegevens vragen.
– U begrijpt de buitengewoon delicate positie, waarin de regering zich door deze zaak bevind….., begon de premier. De magere man boog.
– Het verdwijnen van de kapitein Van Til zal natuurlijk publiek worden, ging de minister voort, de bladen zullen er kolommen over schrijven. Maar het verdwijnen der papieren moet strikt geheim blijven. De chef der recherche glimlachte. Het is wel goed, dat de bladen alvast maar een kluif hebben, waar ze op af kunnen vliegen. Het onderzoek, vervolgde hij op zakelijke toon, kan in tweeën worden gesplitst: a. dat naar den kapitein, b. dat naar de aantekeningen. Het eerste kan door de gewone politie geschieden, welke daarbij niet op de hoogte zal worden gebracht van de verdwijning der papieren. Het geval is een bijzonder geval, doch heeft dit voordeel, dat bij het onderzoek gebruik kan worden gemaakt van de gegevens van a. Natuurlijk zal ik de personen, aan wie ik het onderzoek in zake geval b. opdraag, geheel in vertrouwen moeten nemen. De minister van financiën knikte.
– Is dat absoluut noodzakelijk? Vroeg de minister van oorlog. De chef knikte. Het is van het grootste gewicht, dat men precies weet, wat men op moet sporen. Bovendien kan ik mij niet voorstellen, dat iemand zulk een onderzoek ter hand wil nemen, wanneer hij niet ten volle wordt vertrouwd, en het tegenovergestelde merkt men gauw genoeg. Dan zou ik U nog willen opmerken, dat ik geheel vrij wens te blijven in de wijze, waarop ik geval b. wil laten onderzoeken, dus geen instructies van hoger hand. De minister van financiën fronste het hoge voorhoofd.
– Anders zou ik mijn taak en de verantwoordelijkheid niet kunnen aanvaarden. De drie heren keken elkaar aan en knikten. Als het moest, dan moest het
– Nog een vraag, zei de minister van oorlog, wat denkt U van het geval? De chef haalde zijn schouders op.
– Ik kan er natuurlijk nog niets van zeggen. Een ongeluk lijkt mij vrijwel uitgesloten. De kapitein is geen kind, en bovendien zouden wij er dan wel wat van gehoord hebben. Ik vermoed , dat het om de papieren te doen is en dan is het natuurlijk niet onmogelijk, dat wanneer deze in veiligheid zijn gebracht, ik bedoel vanuit het standpunt van de tegenpartij gezien, dat de kapitein wordt losgelaten. Ja, maar dan ….., begon de minister van oorlog. Dan zou U het geheim nog niet aan de grootte klok kunnen hangen en de tegenpartij zal de papieren te gelde maken en voorgeven, dat de proeven vrucht van eigen arbeid en studie zijn. Ik geloof, dat wij nu de zitting wel kunnen opheffen sprak de premier. De chef boog. Dan mag ik misschien met u meerijden naar de Hembrug, majoor. Wij hebben geen tijd te verliezen. (Fragment uit de roman ,,De eervolle opdracht”) ©1939 R.J.Brandenburg.

 

SPECTACULAIRE DIEFSTAL EN VLUCHT VAN EEN FOKKER T.VIIIw EN WAT ER AAN VOORAF GING.

SPECTACULAIRE DIEFSTAL EN VLUCHT VAN EEN FOKKER T.VIIIw  EN WAT ER AAN VOORAF GING.

Fokker-T8W-Duits

Fokker TVIIIW

In mei 1940 viel het Duitse leger Nederland binnen, daarbij werd veel gebruik gemaakt van luchtlandingstroepen. Een jonge luitenant genaamd Jan Beelaerts van Blokland werd er in de omgeving van Haarlem met enkele soldaten op uit gestuurd om de parachutisten gevangen te nemen of uit te schakelen. Vijf dagen later gaf Nederland zich over. Beelaerts had geen vijand gezien en geen schot gelost. Hij bleef in Nederland en begon na te denken over hoe hij de Duitsers alsnog dwars kon zitten. Tijdens de dagen na de capitulatie heerste er veel verwarring onder de Nederlandse militairen. In die verwarring drukte een leerling van het SROC (Sc Officieren der Cavalerie) een drijfzak achterover. Dit was een soort van opblaasbaar matras waarop vier militairen zich over het water konden verplaatsen. Beelaerts was hiervan op de hoogte, maar deed er niets mee. Elf maanden later zou deze drijfzak van groot belang zijn voor het succes van een spectaculaire ontsnappingspoging.

drijfzak

Voorbeeld van een drijfzak

Beelaerts zat aan het begin van mei 1941 ondergedoken in Amsterdam. Hij had gehoord dat er daar ergens een plan klaar om met een Duits vliegtuig naar Engeland te vluchten. In Amsterdam kwam hij in contact Edouard de Nève het speudoniem van de schrijver journalist Jean Lenglet. Deze was een spil in het verzet. Deze Nève kwam in contact met vliegtuigmechanicus Wijbert Lindeman die bij Fokker werkte en daar ook gebleven was toen de Duitsers de fabrieken overnamen. Lindeman had contact met het verzet en gaf hun informatie over vliegbewegingen locaties en bezetting van de commandoposten en dergelijke. Toen de gedacht dat het volgens hem wel mogelijk moest zijn met een vliegtuig naar Engeland te ontkomen hem steeds vaker door het hoofd ging spelen vertelde hij zijn verhaal aan Nève. Op Schiphol stonden een aantal Junckers waarmee eenvoudig zeker tien verzetsmensen zouden kunnen vluchten. Ze zouden met vervalste papieren naar Schiphol moeten komen en hij zou er voor zorgen dat er een volle tank brandstof in het toestel zat. De Nève had een piloot gevonden die het vliegtuig wel wilde besturen, maar toen het puntje bij het paaltje kwam haakte deze af. Via de verzetsman Willem Boomsma werd een nieuwe piloot gevonden de gevechtsvlieger Govert Steen. Een paar dagen later merkte Lindeman tot zijn schrik dat de Junckers inmiddels waren verdwenen. Beelaerts zat al die tijd ondergedoken bij de Néve en verveelde zich mateloos. Hij ging geregeld een stukje fietsen en op 17 april 1941 zag hij een watervliegtuig van de Duitsers in de Amsterdamse Minervahaven liggen. Dit toestel een Fokker T.VIIIw met de registratie KD-GQ werd door de Duitsers gebruikt voor testvluchten. De Fokker T.VIIIw was een in 1938 op verzoek van de Nederlandse Marine ontworpen tweemotorige torpedobommenwerper en verkenner op drijvers. Hij was bestemd voor zowel de Nederlandse kustverdediging als voor Nederlands Indië. Qua constructie waren de eerste series in de traditionele gemengde wijze opgebouwd: romp uit staalbuis met linnen, houten vleugels, rompvoorstuk en motorgondels uit metaal. Er zijn 36 toestellen gebouwd die dienst hebben gedaan bij de Marine luchtvaartdienst en 320 Dutch Squadron RAF.
Het vliegtuig ging in productie na de eerste vlucht in 1938 en er werden er elf ingezet in Nederlandse dienst. Op het moment van de Duitse inval in 1940, werden negen vliegtuigen verplaatst naar bases in Frankrijk, en op 22 mei 1940 ontsnapten zij naar het Verenigd Koninkrijk en vormden daar de basis voor het Nederlandse 320 Squadron RAF, Coastal Command, die zijn basis had op Pembroke Dock in Zuid- Wales. Uiteindelijk werden deze vliegtuigen door gebrek aan onderdelen uitgeschakeld.*
Ondertussen, voltooiden de Duitsers de nog in aanbouw zijnde T.VIIIs, op de Fokker-fabriek. Na evaluatie bij Travemünde, speelden ze in de Zwarte Zee in de verkenning, reddingsoperaties op zee en onderzeebootbestrijding een niet onbelangrijke rol.
Beelaerts aarzelde geen moment, hij waarschuwde vlug de anderen en alles werd in het werk gesteld de ontsnapping zo snel mogelijk te regelen. Beelaerts herinnerde zich dat een huzaar in de dagen na de capitulatie een drijfzak achterover gedrukt had. De zak was van essentieel belang omdat ze anders niet bij het vliegtuig konden komen. Hij regelde dat de opblaasbare zak door iemand opgehaald werd. Op de drijfzak konden maar vier personen en daarom werd besloten dat  dat de volgende vier waren: de voormalige Luitenant en gevechtsvlieger Govert Steen en Korporaal en verzetsman Evert Willem Boomsma die diende als korporaal vliegtuig mechanicus van het 4e JAVA (Fighter Squadron), Bergen Noord Holland, Fokker vliegtuigtechnicus Wijbert Lindeman en de voormalige Luitenant van het Nederlandse leger Jan Beelaerts van Blokland. Jan wilde graag naar Londen om zijn oom, die vice president van de raad van state was, enkele belangrijke boodschappen van de OD (Orde Dienst) doorgeven.

opdefoto

In willekeurige volgorde Govert Steen, Wijbert Lindeman, Evert Willem Boomsma, Jan Beelaerts van Blokland, Piet Vos en Hidde Leegstra.

Hieronder volgt een deel van het verhaal verteld door Evert Willem Boomsma: 

Met zijn grootvader en vader opgepakt door de Gestapo, behoorde Evert tot de vele jonge mannen die droomden te ontsnappen aan de tirannie van het nazi regime.Uit het onderzoek van Beelaerts bleek dat westenwind de meeste kans op een succesvolle start gaf. Ook hier kon niet op gewacht worden want op de middag van 05 mei 1941 kwam Lindeman zeer geëmotioneerd bij Nève binnen met de mededeling dat de ontsnapping zo snel mogelijk plaats moest vinden, dit omdat die dag twee andere Nederlanders ( Hidde Leegstra en Piet Vos) met een Nederlands vliegtuig van Schiphol naar Engeland waren gevlogen.“(Hidde Leegstra werd in 1933 vlieger en al gauw was hij instructeur op Soesterberg. In 1937 kwam hij in dienst bij Fokker. Toen de tweede wereldoorlog uitbrak bleef Leegstra in dienst bij Fokker om allerlei toestellen in te vliegen, onder meer de neergeschoten en door Fokker herstelde JU-52 toestellen, die hij goed kende omdat hij ze vaak voor de Duitsers had ingevlogen. Eén van zijn collega’s was testpiloot Emil Meinecke. Op 5 mei 1941 vluchtte Leegstra met een Duits vliegtuig naar Engeland. Leegstra had zijn ontsnapping zorgvuldig voorbereid. Hij maakte contact met een Duitse piloot, die hem een paar keer in zijn vliegtuig liet vliegen met 15 minuten brandstof. Leegstra hield elke testvlucht wat over door wat korter te vliegen, en spaarde zo voldoende op om ineens op een mistige dag naar Engeland over te steken. Op de bewuste dag liep hij om half vier met Ir. Piet Vos het vliegveld op, beiden in vliegersuniform. Vos werd nog even teruggeroepen omdat hij eigenlijk niets op Schiphol te maken had, maar kwam even later met testpiloot Emil Meinecke naar buiten. Ze mochten vertrekken, zoals altijd begeleid door een ander vliegtuig met Duitse bemanning. Die wisten ze van zich af te schudden boven het IJsselmeer waarna ze richting Engeland vlogen. Vanaf de grond werden ze beschoten, want ze hadden Duitse kenmerken op hun toestel, maar ze slaagden erin veilig te landen. Na deze geslaagde poging ging Piet Vos bij de RAF in dienst als jachtvlieger, Leegstra werd instructeur op de jagers en werkte daarna voor de luchtmacht in diverse delen van de wereld”).Om de Duitsers niet de kans te geven te herstellen van deze verassing besloten we nog dezelfde nacht op pad te gaan. Het was nu of nooit. Ik ontmoette Beelaerts, Govert Steen en Wijbert Lindeman. Een ieder van ons droeg een onderdeel van en voor de drijfzak mee waar mee we ons naar het vliegtuig zouden begeven. Ik had ook nog een Nederlandse vlag bij me. Bij het afscheid van onze onderduikadressen, en ook mijn vader en moeder had ik gezegd dat ik bij een behouden aankomst in Engeland zou proberen op Radio Oranje (de Nederlandse radio service van de BBC) te laten zeggen: “Ons motto blijft Je Maintiendrai”. Dit om te laten weten dat we goed waren aangekomen. We gingen met de tram naar de Spaarndammer weg en van daaruit liepen we de rest. Spaarndammerweg en daar kregen we af en liep de rest. Aangekomen gingen we plat in het gras liggen en waren dankbaar dat het bewolkt was en erg donker. Rond 02.00 uur besloten we dat het veilig was en gingen naar de brug en begonnen de drijfzak voor te bereiden. Daarna werd deze langzaam neergelaten in het water en klommen er op, Beelaerts eerste, gevolgd door Lindeman, die niet kon zwemmen, vervolgens Steen en uiteindelijk ikzelf. Bij het vliegtuig aangekomen nam mijn plaats in op de achterbank, klemde de vlag stevig vast, ik was klaar om te zwaaien mocht enig gevechtsvliegtuig besluiten om ons aan te vallen, we zaten tenslotte in een vliegtuig met allemaal Duitse markeringen. Als de Duitsers niet zouden proberen om ons neer te schieten, de Britten zouden zeker hun best doen, we zouden geen schijn van kans hebben. Steen was totaal onbekend met het vliegen van een totaal onbekend tweemotorig toestel, hij was immers een gevechtspiloot. Plotseling hoorden we Lindeman kreet: “Het is vol, het verdomde ding is tot de nok gevuld met brandstof, ze moeten geweten hebben dat we kwamen om het te stelen!” Even later, om 07.00 uur startte Steen de linker motor als eerste, die meteen aansloeg. Hij smoorde de motor direct om mij staat te stellen het touw op de drijver van het toestel los te maken. In de tussentijd begonnen Steen en Lindeman met het starten van de rechtermotor. Op dat moment sloeg de linker motor om onbekende reden af. Door steen en Lindeman werd verwoed geprobeerd om de linker motor weer te starten, toen de motor aan sloeg begon het vliegtuig in cirkels rond te draaien want de drijver aan de rechterzijde zat nog steeds stevig vastgebonden aan zijn anker. Gelukkig raakten we niets, maar we waren allemaal even in paniek omdat allemaal een eeuwigheid leek te duren. Toen de ander motor eindelijk gelijk liep, klom ik snel uit het vliegtuig op de andere drijver, maakte het laatste touw los en klom er snel weer in. Dit ontging de Duitser op de oever niet, maar zij dachten vermoedelijk dat het hier weer een test van hun eigen mensen betrof. Steen begon te taxiën de haven uit het Noordzee kanaal op. Ik kon niet zien wat er buiten gebeurde, maar blijkbaar zouden we vlak langs de wachtpost gaan, compleet met bewakers en machinegeweren die geen weet hadden van onze vlucht of wat dan ook. Na een poosje stegen we op misten de pijler en vlogen rakelings over de Hembrug.

de sprong

Rakelings over de Hembrug

Met behulp van een kompas dat Beelaerts geregeld had vlogen we op goed geluk naar Engeland. Na ongeveer tien minuten vliegen begon Steen langzaam te dalen om te zien waar we waren. Toen we uit de wolken kwamen zag ik opeens de pier in Scheveningen aan mijn linkerkant. Ik schreeuwde naar Steen “ we gaan de verkeerde kant op” tegelijkertijd kwamen we tot de ontdekking dat het kompas niet goed werkte. Steen draaide het vliegtuig naar rechts, dichter naar de kustlijn en ongeveer naar waar hij dacht Engeland lag. Hij klom vervolgens terug naar de wolken. Verder op zee werd de bewolking steeds minder, totdat het uiteindelijk helemaal verdwenen. Steen besloot om net boven de golven te vliegen, zo laag als hij durfde.

Aankomst in Engeland

Na ongeveer 1 uur en 15 minuten vliegen dachten we de kust van Groot-Brittannië te zien, dus we vlogen er recht op af. Natuurlijk hadden we geen idee waar we waren maar dicht bij het strand, draaide Steen het vliegtuig in de wind om een landingspoging te wagen. Natuurlijk vlogen we nu evenwijdig aan de kust en de Duitse markeringen waren duidelijk zichtbaar voor de kustbewaking en die aarzelden dan ook niet om het vuur te openen. Net op dat moment was ik erin geslaagd om de luifel te openen en begon met mijn vlag zwaaien toen het vliegtuig het water met een geweldige klap raakte en direct terug de lucht in stuiterde. Het vliegtuig dook opnieuw naar beneden en op een gegeven ogenblik dacht ik dat we over de kop zouden gaan. Uiteindelijk lukte het Steen toch om te landen. Ik sprong op de drijver en begon met mijn vlag te zwaaien en begon samen met de anderen als een idioot te schreeuwen: ” Wij zijn Nederlanders, niet schieten”.
Een van de officieren aan de kant wees op het strand om ons te vertellen naar hen toe te taxiën.

ophetstrand

De Fokker op het strand van Broadstairs

Eenmaal bij het strand slaagde ik erin om met mijn oude vertrouwde fold-up camera een foto van het vliegtuig te maken. Er was geen kans op een tweede, omdat er een bewaker naast me verscheen, de camera uit mijn handen sloeg en begon te schreeuwen: “Geen foto’s”. We kregen te horen dat we in Broadstairs, Kent waren geland.
De soldaten nam ons mee naar het politiebureau waar ze ons een stevig ontbijt gaven. Daarna namen paar RAF officieren ons mee naar Manston, en begonnen ons te ondervragen over het vliegtuig. Nadat ze klaar waren werden we terug gebracht naar het politiebureau. Later die middag werden we meegenomen naar Londen voor verdere ondervraging. Natuurlijk behandelden de Britten ons met grote argwaan. Ik had al mijn spullen meegenomen waaronder ook een aantal artikelen van mijn vader en anderen uit het verzet. Daarbij bevond zich een sigaret die, vond ik later uit een microfilm bevatte. Ik heb nooit geweten wat er opstond, De Britten hielden hem, herinnerde ik me ineens. We werden tot zaterdag 10 mei voor een volledige debriefing vastgehouden. Daarna werden we allemaal genomen om Prins Bernhard van Nederland te ontmoeten. De bijeenkomst was zeer informeel maar hartelijk en natuurlijk wilde hij alles van wat er zich in Nederland afspeelde weten. Op 14 mei werden we aan koningin Wilhelmina voorgesteld en kregen we te horen dat onze boodschap al door Radio Oranje was verzonden, zodat in ieder geval iedereen in Nederland wist dat we waren aangekomen, verder vroeg de koningin ons hoe het verzet standhield in het bezette Nederland.
Beelaerts van Blokland en Lindeman zijn lid geworden van de Prinses Irene Brigade, Beelaerts werd bevelhebber tijdens operaties in Normandië, Steen trad toe tot het 129 Squadron RAF, vloog 79 missies voordat hij op 05 juni 1942 werd neergeschoten en gedood.
©Foto’s Evert Willem Boomsma en Serge Stone. Bronnen verhaal Wikipedia / Evert Willem Boomsma en go2war.Overige tekst en onderzoek ©PDKAIH2015
* Het NIMH heeft enige zeldzame opnames van de Fokker TVIIIW u kunt deze hier bekijken