DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 7 van 11.

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 7 van 11.

Overplaatsing naar het Hemveld

De invoering van het draagbare wapen model 1895, die een geheel nieuwe machinale inrichting voor de patroonfabricage nodig maakte, werd er de aanleiding van om in 1897 het grootste deel van de werkplaatsen over te brengen binnen de Stelling van Amsterdam. Dit was volgens de toen geldende begrippen het reduit van onze landsverdediging.Daar werden achtereenvolgens gebouwd: de Patroonfabriek, de Werkplaats voor Draagbare Wapenen, de Vuurwerkerij met een Buizenfabriek en IJzergieterij.

Infanterie geweer model 1895

De te ‘s-Gravenhage achter gebleven geschutgieterij, die in 1871 door het Rijk van de familie Maritz was overgenomen werd in 1904 opgeheven. Zij hadden zich toegelegd op de vervaardiging van het bronzen en hardbronzen achterlaatgeschut en maakten daarna ook stalen vuurmonden. Door deze opheffing onderging de Werkplaats voor Draagbare Wapenen een kleine uitbreiding. Dit om in het vervolg ook de herstellingen aan geschut te kunnen uitvoeren. Jammer genoeg werden bij die op zichzelf staande bezuinigingsmaatregel de boor- en trekbanden voor oud-ijzer verkocht iets wat men in de mobilisatietijd zou betreuren.

De Stelling van Amsterdam werd grotendeels aangelegd tussen 1874 en 1914 en is een 135 kilometer lange verdedigingslinie ter verdediging van de Nederlandse hoofdstad

Bij de inrichting van de Werkplaats der Draagbare Wapenen in 1897 aan de Hembrug was het aanvankelijk niet de bedoeling daar een volledige wapenfabriek van te maken. Men dacht de benodigde wapens M95 te blijven kopen bij de Oesterreichische Waffenfabrikgesellschaft te Steyer en bestemde de eigen fabriek als herstellingswerkplaats en aanschaffingsorgaan. Verder diende hij voor de opleiding van geweermakers, zwaardvegers (wapensmeden) en van officieren van wapening. Om bij die opleidingen enig denkbeeld te kunnen geven van de zogenaamde uitwisselbare fabricage, waren er werktuigen met spaninrichtingen en gereedschappen aangeschaft. Dit om van een aantal van de eenvoudigste onderdelen de voor herstellingen benodigde verwisselstukken in eigen werkplaats te kunnen aanmaken.

Lademaker aan het werk in de geweerfabriek aan de Hembrug ©Herman de Ruijter

Die toestand duurde tot 1900, toen er in de Tweede Kamer der Staten-Generaal een vraag werd gesteld over de prijs waarvoor in de Italiaanse Staatsfabrieken het veel met het Nederlandse model overeenkomende geweer werd gemaakt.

Eén van de officieren, die tot de keuringscommissie te Steyr behoord had, was daar al tot de slotsom gekomen, dat de aanmaak van wapens in eigen beheer niet onmogelijk behoefde te zijn. Hij werd naar Italië gezonden. In het rapport over zijn onderzoek daar, stelde hij voor de al aanwezige werktuigelijke inrichting van de wapenfabriek uit te breiden. Daardoor zou het mogelijk zijn om zonder vergroting van de fabrieksruimte door eigen aanmaak tot in 1918 geleidelijk zoveel wapens te verkrijgen, als nodig zouden zijn om tijdig in de behoefte van de te verwachten legeruitbreiding te voorzien.

In twee stappen werd die uitbreiding van machines tot stand gebracht, waardoor men vanaf 1904 in staat was het gehele geweer van de grondstoffen af, in eigen fabriek aan te maken. Dat was geen kleinigheid, een geweer heeft 81 onderdelen. De kwaliteit van de Hembrug wapens bleek niet voor de Steyersche onder doen en de prijs ervan was behoorlijk lager.

Het grootste voordeel van het gaan aanmaken in eigen beheer was wel de ervaring van weloverwogen werken die hierdoor werd verkregen. Daardoor kreeg men de beschikking over zeer deskundig personeel. Dat zou in de toekomst efficiënter kunnen optreden als keurmeester tijdens het inkopen bij andere bedrijven. Ook de verworven kennis en routine zouden kunnen worden toegepast bij andere producten en werk op het eigen en aanverwante gebieden. Dit op dezelfde wijze als waar op de wapenfabricage wegberijdster is geweest voor vele andere takken van industrie.

De Geweerwinkel was dan wel van Delft naar de Hembrug verplaatst en daar uitgegroeid tot een volledige wapenfabriek. Het zou daar niet bij blijven. Delft verloor ook de Pyrotechnische werkplaatsen. Tot ver na de 1e wereldoorlog bleven de Artillerie-Inrichtingen nog gedeeltelijk in het historische stadje. Aan de Hembrug werkte men intussen verder. Men begon met het fabriceren van klewangs. Eerst voor het Indische en later voor het Nederlandse leger. In de mobilisatietijd zou ten volle blijken waartoe men door de verkregen oefening in staat was geworden. ©PDKAIH2017

Eindcontrole van de wapens ©Herman de Ruijter

Hembrug klewang model 1898 bestemd voor het KNIL

VLIEGVELD IN ZAANDAM.

VLIEGVELD IN ZAANDAM.

luchthaven (1)

Overzicht Artillerie Inrichtingen met rechtsboven het vliegveld

In juli 1913 werd, na goedkeuring van het parlement, als onderdeel van de landmacht een militaire luchtvaartafdeling (LVA) opgericht. Thuisbasis was Soesterberg. Vanaf augustus 1914 beschikte de LVA over zeven Franse Farman verkenningsvliegtuigen en twee vliegtuigen die door de Nederlandse vliegtuigbouwer Marinus van Meel waren gebouwd. De LVA voerde vanaf de eerste mobilisatiedag van datzelfde jaar al patrouilles langs de Nederlandse grens uit en droegen op die manier bij aan de neutraliteitshandhaving. De grensgemeenten hadden op kerken en openbare gebouwen de Nederlandse driekleur gehesen. Hierdoor konden de vliegers het verloop en de ligging van de grens volgen en was het ook voor de strijdende partijen duidelijk waar de grens precies lag. Ook België gaf op deze wijze haar grenzen aan. Al spoedig waren er meer vliegveldjes nodig en die werden dan ook ingericht bij Gilze-Rijen, Venlo, Vlissingen en op de Kemperheide bij Arnhem. Op 20 augustus 1914 vond het eerste vuurcontact plaats en werd er een Duits toestel neergehaald. De piloot werd in Alkmaar geïnterneerd, waar hij aan uitvoerige verhoren onderworpen werd, zijn vliegtuig werd naar de Constructiewerkplaatsen van de Artillerie Inrichtingen in Delft gebracht, waar het aan een uitvoerig technisch onderzoek werd onderworpen. Deze handelswijze werd de norm en op die manier werd veel informatie verzameld en sommige nieuwe ontdekkingen werden ook nagemaakt of toegevoegd aan de Nederlandse toestellen. Hoewel de LVA geen bommenwerpers had, konden de verkenningstoestellen toch zodanig worden ingericht. In 1915 begon men te experimenteren met het werpen van oefenbommen en handgranaten. De eerste scherpe bommen werden in augustus van datzelfde jaar door de Artillerie Inrichtingen geleverd. Ook bij het plaatsen van mitrailleurs op de toestellen waren de Artillerie Inrichtingen betrokken. In eerste instantie waren die wapens veel te zwaar maar na het bestuderen van een neergehaald Frans toestel met een Hotchkiss mitrailleur en een Engels neergehaald toestel dat was voorzien van een Lewis mitrailleur, vervaardigden de Constructiewerkplaatsen in Delft een bok waarmee een in Denemarken aangeschafte Madsen geweermitrailleur aan de zijkant van een vliegtuig geplaatst kon worden. Het wapen was ontworpen om vanaf de grond op luchtdoelen te schieten, maar was door zijn lage vuursnelheid nu niet direct het meest geschikte. Het werd daarom later vervangen door verkregen Lewis mitrailleurs. Andere mitrailleurs die later werden toegepast waren de Vickers en Spandau die tussen de propellerbladen doorschoten. Ook werden er nog een aantal Duitse Parabellums buitgemaakt en gebruikt. Een deel van deze wapens moest worden aangepast aan de Nederlandse munitie.Een nadeel van de vliegveldjes en met name Soesterberg was dat zij buiten de Stelling van Amsterdam lagen. Ook als de Nieuwe Hollandse Waterlinie zou worden aangevallen moest het vliegkamp al ontruimd worden. Vlak na het uitbreken van de 1e wereldoorlog was dit gevaar echter al onderkend en men had daarom in 1915 een klein vliegveldje ingericht in de in Zaandam gelegen Achtersluispolder. Recht tegenover de Artillerie Inrichtingen en nabij de Hembrug. Enige maanden later bleek dat de plek slecht gekozen was, het was er veel te drassig. Er moest dus een nieuwe plek worden gevonden. Kolonel Walaardt Sacré, commandant van de LVA werd door het opperbevel van het Nederlandse leger, de generaal Snijders met deze taak belast. Hij vond geschikte locaties nabij Halfweg en in de Zeeburgerpolder. Maar omdat de Minister van Oorlog, de heer Bosboom, als eis had gesteld dat het allemaal niet te veel mocht kosten vielen deze locaties af.

vliegveld schiphol

Luchthaven Schiphol 1920 -1921

Wallaardt Sacré ging weer op pad en belandde in januari 1916 op een stuk grond in de Haarlemmermeer. Het was gelegen langs de ringvaart nabij het fort Schiphol. De eigenaar van de grond, boer Kribbe (Knibbe), was bereid om hem twaalf hectare weide en bouwgrond te verkopen voor de som van 55.290 gulden en 40 cent. De koop werd gesloten, de sloten gedempt, het land omgezet naar grasland, er werden enige loodsen geplaatst en half augustus was alles gereed voor de plaatsing van drie vliegtuigen. Vlak daarna kwam men tot de het besef dat het allemaal veel te klein was en dat er door de steeds zwaarder wordende vliegtuigen meer ruimte nodig was om veilig te kunnen opstijgen en landen. De boeren waren niet erg happig om hun grond te verkopen maar daar had de regering spoedig iets op gevonden. Omdat het Nederlandse leger zich in algehele staat van mobilisatie bevond, kon zij gebruik maken van een noodwet uit 1851:”onteigening ten algemeen nutte”. En zo geschiedde, in de lente van 1917 ontving de buurman van Kribbe (Knibbe), Boer Roos een vorderingsorder voor een deel van zijn land. Een half jaar later werd de rest gevorderd en waren ook boer Noordam, Rombouts en Myer aan de beurt. Aan het eind van de 1e wereldoorlog, 11-11-1918 was Schiphol zestig hectare groot en behoorde het tot de grootste vliegvelden in Europa. Het was in het begin heel erg pionieren op de luchthaven want er was geen elektra en waterleiding en de omwonenden protesteerden tegen van alles wat er maar gebeurde. Wat dat betreft is er niets veranderd en is de vliegveldje uitgegroeid tot de luchthaven die het nu is. ©PDKAIH2016, foto’s ©boek SVA en NHA.