GRONDRUIL TEN BEHOEVE VAN DE STOOMPONT.

GRONDRUIL TEN BEHOEVE VAN DE STOOMPONT

Wie vroeger van de Zaanse naar de Amsterdamse kant van het Noordzeekanaal of anders om wilde was aangewezen op één van de vele schepen van de schroef stoombootdienst, de salonschepen van onder andere de Alkmaar Packet  of de treinen van de Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij (HIJSM).

De water en rail vervoersbedrijven.

In 1888 kwam daar nog een derde mogelijk bij, die met name voor de voetgangers en fietsers en handkarren die in de IJpolders moesten zijn, voor een beterere verbinding zorg droeg. Op het einde van de Havenstraat, begin Hemkade werd een heuse trekpont verbinding ingesteld. In het begin was het veer enkel bestemd voor hoger geplaatste militairen en enkele andere specifiek beschreven personen. Dit om het scheepvaart verkeer niet teveel te hinderen, dat had al last genoeg van de spoorbrug. Maar na hevige protesten van verschillende zijde werden die regels al snel afgeschaft, Wat natuurlijk ook weer tot de nodige protesten van de bootdiensten leidde, die bang waren voor grote verliezen, Dit viel achteraf heel erg mee want de pont bracht de mensen dan wel naar de overkant maar dat was nog lang niet in het centrum van de hoofdstad.

De trekponten met op de achtergrond de pontwachterswoningen op de Zaanse oever / langsvarend schip van de Alkmaar Packet.
Een klos waarmee de pont langs een kabel voortgetrokken werd.

De pont zat verbonden aan een over het kanaal gespannen staalkabel die tijdens de vaart werd strak getrokken.Daarna kon met de pont door middel van houten klossen op de kabel te plaatsen de pont voorttrekken. Eenmaal ter plaatse aan één van beide oevers, liet men de kabel door middel van een lier weer op de bodem van het kanaal zakken zodat deze geen belemmering voor de scheepvaart vormde. De pontbaas werd tijdens deze handelingen vaak geholpen door de plaatselijke jeugd of één of meerdere passagiers. Toen het te druk werd is er een tweede trekpont in gebruik genomen.

Toen de Provinciale weg  in 1932 gereed was, werd het pontveer verbinding, die ongeveer 40 jaar op die op die plaats dienst had gedaan tussen den Amsterdamschen en Zaandamschen oever van het Noordzeekanaal en nu niet meer opgewassen was tegen de  hooge eisen van het drukke verkeer opgeheven. De kranten uit die tijd berichten dat er op 15 september nabij de Hembrug en aansluitend op de nieuwe weg een heuse stoomveerpont zou komen.

De eerste stoomveerpont in januari 1933 / Uitbreiding van de stoomveerpont verbinding

Hij kwam echter pas, bijna twee weken later, op maandagmiddag de 26e aan. Vanaf dinsdag 27 september 1932 vond er in het bijzijn van o.a. de heer ir. Voorst Vader, hoofdingenieur van den Rijkswaterstaat, de heer ir. Breuking, toegevoegd ingenieur bij de verbreeding van het Noordzeekanaal, de heer Kroon uit Velsen, chef van de Noordzeekanaalveren en de heer Zimmerman, chef van de kanaalverlichting een aantal proefvaarten plaats met het aan 25 automobielen plaats biedende stoompontveer. Nadat iedereen tevreden was met de resultaten, werd de stoompont op zaterdag 01 oktober in bedrijf gesteld.

Ter gelegenheid van dit feestelijke gebeuren had de Zaanse VVV een prachtige optocht met door bloemen versierde auto’s vanaf de Burcht in Zaandam naar de pont bij de Hembrug georganiseerd.

Verzamelen voor de optocht naar de Rijksstoompont.
Onderweg naar de Rijksstoompont.

Als gevolg van deze verplaatsing en de aanleg van de nieuwe weg, vond er een grondruil plaats tussen Rijkswaterstaat en de Artillerie Inrichtingen. Het stuk grond in de bocht aan het einde van de Havenstraat / Hemkade waar zich ook de pontwachterswoningen bevonden werd geruild tegen het stuk grond langs het kanaal.  De pontwachters kregen van RWS een andere woning aangeboden.

De oude pontwachterswoningen / Het vulhuis dat er voor in de plaats kwam.

Zo kreeg de AI een stuk grond aan de buitenzijde van het terrein ter beschikking waarop zij later een commandobunker voor de ondergrondse schuilplaatsen bouwde. Op de grond waar eerder de woningen stonden en ooit ook nog een groentetuin was geweest, kwam uiteindelijk een vulhuis voor de kleinkaliber munitie. Het stuk waar de bunker kwam is een poosje voor heel andere doeleinden gebruikt, maar daarover in een ander verhaal meer.

Aanleg van de Provinciale weg ter hoogte van de Havenstraat / Aanvoer van zand nabij de Hembrug.

Door de ruil werd het ook mogelijk om de weg langs het Noordzeekanaal open te stellen. Dat stuk kreeg de naam Hemkade. Een straatnaambordje ook in 2017 nog aanwezig geeft de oude grens met de Havenstraat aan. Daarvoor was de weg langs het kanaal fabrieksterrein en afgesloten voor onbevoegden. In WW2 is hij dat ook weer een poosje geweest. Het was een goede ruil voor het bedrijf, want omdat de weg  onderdeel werd en ook nu nog is van de waterstaatkundige werken van Rijkswaterstaat, werd in het contract opgenomen, dat de weg in eeuwig durend onderhoud bij RWS kwam. Na 2003 toen het bedrijf dat inmiddels Eurometaal was gaan heten de poorten sloot, tikte de gemeente de”nieuwe” eigenaar (Domeinen) op de vingers om de weg te onderhouden. De ENHABO had nadat zij toestemming had gekregen van Domeinen om met een klein busje over de autovrije weg te rijden, een klacht over het slechte onderhoud ingediend bij RWS. Deze had ze door verwezen naar de gemeente als zijnde openbaar grondgebied van Zaanstad. Nadat Domeinen waar ik als beheerder / toezichthouder werkzaam was dit aan mij vertelde. Wees ik ze op het oude contract waar ik ooit tijdens mijn speurtochten op het www iets over gelezen had. Na enige nieuw speurwerk kwam het originele contract weer op tafel en bleek nog steeds rechtsgeldig. De weg is na onderling overleg tussen de drie partijen hersteld. En het onderhoud van de weg werd overgedragen aan de gemeente. Die er onmiddellijk allerhande ge en verbodsborden plaatste en er een fietspad van maakte. Uitzondering werd er gemaakt voor het personeel van de onderhoudsdienst en de beveiliging van de Artillerie Inrichtingen (onderhoud gebouwen, hekwerken en surveillanceronden) en de kleine busjes van de ENHABO. De elektra voor de straatverlichting kwam vanaf het door Domeinen beheerde terrein en de eigenaar van het dijklichaam zelf bleef RWS.

De IJpolders met de trotylfabriek, het schietkatoenmagazijn, het munitiemagazijn en de torpedo inschietplaats.

Van de trekponten het latere stoomveer en nog later de Donau en huidige ponten werd ook druk gebruikt werd door de Artillerie Inrichtingen (en in latere jaren Eurometaal en het Militair Complex Hembrug) dit voor transporten van en naar de aan de overzijde van het kanaal gelegen trotylfabriek van het bedrijf,  de torpedo inschietplaats, het munitiemagazijn, het schietkatoenmagazijn en diverse andere plaatsen. Het bedrijf heeft tot aan de sluiting in 2003 voor zijn munitietransporten altijd voorrang gehad op de pontveren. Er werd de laatste jaren wel van te voren een afspraak gemaakt voor zo’n overtocht. De munitie begeleider mocht evenals andere passagiers niet mee tijdens zo’n solovaart en moest omrijden om het transport aan de andere zijde op te vangen. ©PDKAIH2017

Afkortingen: HIJSM – Hollandse IJzeren Spoorweg Maatschappij / RWS – Rijkswaterstaat . ENHABO – Eerste Noord Hollandse Auto Bus Onderneming

EEN GROTE RAMP VOORKOMEN.

EEN GROTE RAMP VOORKOMEN.

Op en rond twee maart 1927 meldden verschillende kranten en bladen het volgende: De minister van Oorlog heeft onlangs schriftelijk, door het toekennen van een geldbedrag en door het betuigen van zijn grote tevredenheid aan de sergeant P.Berghuis en de chauffeur J. Kurschmer, beiden van de afdeling expeditie der Artillerie Inrichtingen aan de Hembrug en de jeugdige landbouwer Stolwijk, wonende in den Groote IJpolder bij het kruitvoorraadmagazijn onderscheiden. Die onderscheiding viel hun ten deel voor het manmoedig optreden, waardoor de westkant van Amsterdam voor een verschrikkelijke ramp werd gespaard. Om de gemoederen van de Amsterdammers niet te verontrusten, is het gebeurde geruime tijd geheim gehouden. Maar nu, enkele maanden later, mag aan de daden van deze dappere mannen bekendheid worden gegeven.

Situatie Grooten IJpolder

De feiten zijn de volgende: Op zekere dag in het late najaar werd, zoals wel vaker gebeurd gebeurt, een voorraad patronen, schietkatoen en nog meer hoogst gevaarlijke ontplofbare goederen, onder leiding van sergeant Berghuis, per vrachtauto van de Hembrug naar het kruitmagazijn aan de andere zijde van het Noordzeekanaal vervoerd. De militaire chauffeur Kurschmer zat achter het stuur.

Sergeant P. Berghuis

Chauffeur J. Kurschmer

Toen de wagen aan de overkant, in de Grooten IJpolder, op ongeveer vijftig meter afstand van het kruitmagazijn gekomen was, sloegen plotseling de vlammen uit de motorkast. De sergeant en chauffeur sprongen van de auto en schreeuwden de in het land werkenden boerenarbeiders toe: „Mannen vlucht, redt je leven!” Beide op lijfsbehoud bedacht gaven daartoe aanvankelijk het voorbeeld. Maar direct daarop volgend keerde de sergeant, op de voet gevolgd door de chauffeur terug en begonnen nerveus en haastig de kisten met de gevaarlijke lading van de wagen te halen. Ze waren hiermee nog maar net begonnen, toen zij hulp kregen van de boerenzoon Stolwijk die de wagen op handen en voeten kruipend was genaderd. Het dappere drietal wist in korte tijd de gevaarlijke lading op een veilige afstand te brengen en de vlammen met opgespitte aarde te doven. De wagen was geheel uitgebrand, maar dat had geen enkele betekenis tegenover de ramp die door deze wakkere mannen was voorkomen. Met het kruithuis in de onmiddellijke nabijheid en de petroleumhaven, tankinstallaties en enige grote fabrieken op niet al te grote afstand, zou er bij het in aanraking komen met het vuur van de exploderende lading van de grote vrachtauto een reusachtige explosie hebben kunnen ontstaan die zeker een belangrijk deel van Amsterdam had weggevaagd. Het is dan ook geen wonder dat de regering de moedige daad van dit drietal heeft erkend. De uitreiking die afgelopen zondag aan de Heerengracht plaats vond, heeft menigeen doen inzien welke ernstige gevolgen een ontploffing teweeg kan brengen. Wij achten het niet ondienstig, er op te wijzen, voor welk een groot gevaar door dit kordate optreden, Amsterdam enkele maanden geleden, is behoed.

Op vier maart 1927, verscheen het volgende bericht:  Toen wij enige dagen geleden de namen hebben vermeld van de. drie wakkere mannen, om hun kranig optreden hij het gebeurde in de Grooten IJpolder door de minister van Oorlog een beloning en een tevredenheidsbetuiging waardig gekeurd, hadden wij allerminst de bedoeling ongerustheid te wekken. Maar wat in de met kruitmagazijnen bestrooide Grooten IJpolder geschied, was nu eenmaal gebeurd en de aanleiding tot de regeringsonderscheiding voor sergeant P. Berghuis, chauffeur J. Kurschmer en de landbouwer H. Stolwijk mocht eveneens gereleveerd: en ter waarschuwing voor de toekomst, en als dankbaarheidsuiting uit de ambtelijke sfeer tegenover hen, die mogelijk iets ernstigs hebben weten te voorkomen. Nu echter van ambtelijke zijde wordt getracht de betekenis van hetgeen voorviel en dus ook het kordate optreden van de genoemden, te verkleinen, worden wij genoodzaakt andermaal het gebeurde op te halen. Wij laten daarom enkele ooggetuigen aan het woord.

Landbouwer Stolwijk vertelt:

Landbouwer Stolwijk

„Het is gebeurd in den namiddag van den 16e september 1926.” „Op een stuk land gelegen op enige afstand van den Noorderweg in de Grooten IJpolder was mijn tractordorsmachine aan het werk, twaalf of dertien knechten waren er ook aan dn arbeid. Ik bevond mij in een boerderij op enige afstand, zag plotseling vlammen slaan uit een munitie auto die van het patronenmagazijn, waarbij sergeant Berghuis woont, op weg was naar de Artillerie Inrichtingen. Er voor bevreesd dat er een ontploffing zou plaats hebben, die ook voor mijn dorsmachine gevaar zou opleveren, rende ik naar de machine, zette die stop en zag dat het volk in het land zich met grote snelheid verwijderde. Ik zag, toen ik naar het bouwland toeliep, dat de sergeant en de chauffeur van de munitiewagen de armen ophieven in de richting van de knechten, zij moeten ook iets hebben geroepen maar wat, kon ik niet verstaan, al begreep ik dat het een soort van waarschuwing was, om te vluchten. Nauwelijks had ik de dorsmachine stopgezet of ik zag sergeant en chauffeur weer op de auto toelopen, zij begonnen aan; de achterzijde de wagen te lossen. Ik ging onmiddellijk helpen, sergeant Berghuis zei: „Flink zo”, en „gauw mannen, want het is een gevaarlijke lading”.

Wij brachten er met gezamenlijke krachten twee grote gevulde kisten uit, ze voelden ten minste zwaar aan, en ook enige kardoezen. Nadat de lading op enige afstand was neergezet, is de brandende auto, door duwen, verder van de ontplofbare stoffen, afgereden.”

„Vreesde u ernstig gevaar?” vroegen wij.

„Ja, mooi was het niet, wij wonen hier feitelijk tussen de kruithuizen, en de auto raakte ook tussen twee munitiemagazijnen, al liggen die op enige afstand, in brand. Het vuur had het houten bovenstuk achter de chauffeurszitting reeds vernield, de asbestplaat werd warm en de zeilen kap werd óók al aangetast. Toen de wagen was weggereden is de brand, die onder de carburateur zijn haard had, met aarde geblust; een blustoestel heb ik niet zien bezigen, maar op die mededeling kunt u geen peil trekken. De twee mannen van de Artillerie Inrichtingen begonnen dadelijk de wagen af te breken. Enige uren later is lading en het auto overschot, door een Hembrugauto weggehaald. De sergeant bedankte mij voor mijn hulp en vroeg of ik, bij het onderzoek naar de schuldvraag, als getuige zou willen optreden. Ik stemde daarin toe en werd dientengevolge enige tijd later door iemand van de rijksrecherche, gestationeerd aan de Hembrug, opgezocht. Hij vroeg mij of ik enig denkbeeld had aangaande de oorzaak; ik antwoordde ontkennend. Wel zei ik hem dat ik het als leek gevaarlijk vond dat die munitiewagens, die hier toch dagelijks de polder van en naar de kruithuizen, doorkruisen, een kap van zeildoek hebben. „Is het zeil door de zon om zo te zeggen uitgedroogd”, dan is het bij het minste wissewasje, onmiddellijk in brand.”

„Ja”, antwoordde de rechercheur, „ik heb ze dat aan de Hembrug al zoo dikwijls gezegd, maar ze trekken er zich niets van aan!”

Een andere ooggetuige.

Cornelis de Kegt, landbouwersknecht, was op die middag va de 16e september 1926 op het land bij de Noorderweg, bij de dorsmachine van Stolwijk werkzaam.

,,Het zal omstreeks drie uur geweest zijn toen uit de bedoelde munitie auto de vlammen sloegen.

De sergeant van het patronenmagazijn en de chauffeur sprongen er af, zwaaide met de armen en riepen ons toe: „Mensen berg je, denk om je leven!” U begrijpt, wij liepen als hazen, maar op zowat vijftig meter afstand, ging ik liggen bij een sloot, zodat ik van verre kon zien wat er gebeurde. Een ogenblikje later zag ik dat sergeant en chauffeur terugkwamen, een stuk van de kap brandde toen al. Zij begonnen aan de achterzijde de lading te lossen, even later kwam mijn baas Stolwijk er ook bij. Zij werkten had met hun drieën en sjouwden kisten en projectielen van grote afmeting weg. De wagen is, na te zijn ontladen, weggeduwd, de militairen zetten daarna het blussingswerk in met een spuit die slootwater en bagger opzoog en het op de vlammen werpen van aarde, voort. Zij braken later de verbrande houten delen van de auto en smeten die in de sloot. De sergeant heeft later op den middag nog verklaard, dat het hachelijke ogenblikken waren geweest”.

Bronnen diverse kranten waaronder het Algemeen Handelsblad van 2 en 4 maart 1927  foto’s Nationaal Archief , ©PDKAIH2015