DE 2e WERELDOORLOG EN DE ARTILLERIE INRICHTINGEN Deel 2 van 4

Uit het dagboek Ir. F. Q. den Hollander 1

Het dagboek

Op 1 juni 1940 beantwoorde de directeur van het Staatsbedrijf der Artillerie Inrichtingen, Ir. F.Q. Den Hollander, een schrijven dat hij op 24 mei 1940 had ontvangen van de O.L.Z.1.

De brief.

“Naar aanleiding van Uw brief van 24 Mei 1940, Afd. Landmacht Sectie I  b Nº 172 A Geheim, doen wij Uwer Excellentie hierbij toekomen een opgave van berichten van het A.H.K2 ontvangen in het tijdvak 10/14 Mei.
Voorts deelen wij U mede, dat dezerzijds reeds aanwijzingen waren verstrekt om een beknopt overzicht samen te stellen van de gebeurtenissen in voormeld tijdvak bij de Directie, de Fabriek Hembrug en de Vestiging Delft.
Na voltooiing van dit werk zullen wij U het overzicht – tot een door U te bepalen aantal exemplaren – toezenden”.

De bijlage.

opgave van berichten, ontvangen van het A.H.K. in het tijdvak 10/14 Mei 1940

11 Mei. Telefonisch, tijdstip van ontvangst niet genoteerd.

De O.L.Z. verzoekt:
1e ± 2000 onbg. van 10,5 hw. Te doen omlaboreeren in scherpe schoten. Wanneer klaar?
2e 25.000 bg. Patronen verminderde lading van 7 veld te doen aanmaken.

12 Mei. Telefonisch, tijdstip van ontvangst niet genoteerd.

De O.L.Z. vraagt met aandrang naar tb. Nº 7 H.N. gew. en naar eihandgranaten.Overigens zijn van het A.H.K. geen bevelen of berichten bij de Directie der Artillerie Inrichtingen binnen gekomen”.

1 O.L.Z. =  Opperbevelhebber van Land en Zeemacht
2 A.H.K. = Algemeen Hoofd Kwartier

Het toegezegde overzicht.

BEKNOPT OVERZICHT VAN DE VOORNAAMSTE GEBEURTENISSEN IN DE DAGEN VAN 10 – 14 MEI 1940.

     Het hieronder beknopt overzicht is samengesteld met behulp van de berichten, door de Hoofden van de verschillende onderdelen van het bedrijf ingediend, terwijl tevens de van de Directie uitgaande telexberichten zijn geraadpleegd.
Voor een goed overzicht en ook om te trachten het belangrijke van het minder belangrijke te scheiden zijn in het 1e Gedeelte slechts algemeene zaken, betrekking hebbende op het personeel, de veiligheid, de algemeene werkgelegenheid enz. opgenomen, in het 2e Gedeelte n.m.m.3 het belangrijkste omdat daaruit eventueel leering voor de toekomst valt te trekken – zijn meer bijzonderheden vermeld aangaande productie en productiemogelijkheden in deze dagen, alsmede aangaande hulpverleening enz. buiten het bedrijf en contact met de particuliere nijverheid, terwijl in het derde gedeelte is getracht enkele beschouwingen en conclusies uit de gebeurtenissen vast te leggen.

3 n.m.m. = namens mijn mening

1E GEDEELTE
A l g e m e e n e  Z a k e n.

Zooveel mogelijk met inachtneming de chronologische volgorde worden achtereenvolgens de gebeurtenissen te ’s Gravenhage, Hembrug en Delft in het kort vermeld.

’s Gravenhage.

a.   Te ’s Gravenhage werden de noodige aanwijzingen verstrekt om alle kantoorgebouwen doorlopend bezet te houden, zoowel met het oog op het geven van en ontvangen van telefonische orders als met het oog op het doorlopend bedrijfsvaardig zijn der brandploegen en van het personeel belast met het vervoer.
     Door het hoofd van de Afdeeling Brandweer werden onverwijld alle brandbluschmiddelen in de verschillende gebouwen geïnspecteerd en waar noodig nadere voorlichting aan het personeel gegeven. Alle bluschmiddelen en de gereedschappen voor den luchtbeschermingsdienst werden in goede staat aangetroffen.
     De noodige verduisteringsmaatregelen en maatregelen tot bescherming der ruiten werden genomen.
     H.T.A.Vo.4 deed in verband met een op het Malieveld opgestelde batterij luchtdoelgeschut, de naar die zijde gekeerde lokalen van het gebouw Prinssese(n)gracht 19 ontruimen.
     In het bijzonder bij de Hoofdadministratie werd gelast de dosiers en boeken zooveel mogelijk in stalen kasten opgeborgen te houden, alléén het hoog noodige mocht op de schrijftafels blijven liggen; belangrijke dossiers werden, met het oog op een eventueele ontruiming, bij de hand gehouden.

4 H.T.A.Vo. =  Hoofd van de Technische Aanschaffings- en Voorlichtingsdienst (van de Artillerie Inrichtingen).

Het pand van de Artillerie Inrichtingen aan de Prinsessegracht 19 te ’s Gravenhage

In het Directiegebouw Lange Voorhout102, werd de  radio doorloopend bezet; alle berichten werden stenografisch opgenomen en uitgewerkt.
     Per telex-telefoon werd op alle heele uren verbinding opgenomen met de fabriek en op alle halve uren met de Vestiging Delft teneinde byzondere gebeurtenissen te vernemen en berichten uit te wisselen. Deze verbinding is nagenoeg doorlopend, nacht en dag bruikbaar gebleken.
     De opkomst van het personeel, werkzaam op diverse kantoren  te ’s Gravenhage , was voor Zoover aldaar woonachtig normaal te noemen. Verschillende personen, woonachtig buiten ’s Gravenhage, konden door plaatselijk vervoer, hun bestemming, niet, niet altijd, of althans niet dan met groote vertraging bereiken.
     Ook in de stad zelve werd door  de veelvuldige controle op straat veel oponthoud ondervonden, waardoor het personeel vaak te laat kwam. Dit gaf aanleiding tot een wijziging in de kantooruren, waarbij de koffiemaaltijd in de kantoorgebouwen werd gebruikt.
     De werkzaamheden aan kantoorgebouwen werden allen en dan ook herhaaldelijk gestoord door het in de Gemeente gegeven “luchtalarm”. Bij dit alarm moest het personeel zich hetzij in de schuilkelders in of buiten de gebouwen, hetzij in de lokalen of gangen gelijkvloers, bevinden.
Op den duur werd de reactie op het groot aantal malen, dat alarm gemaakt werd, minder.
     Ter vermijding van ongevallen bij te groote opeenhoping van personeel werden de bovenste twee verdiepingen van het Directiegebouw Lange Voorhout 102 ontruimd en het personeel ondergebracht in lokalen van het gebouw van de Octrooiraad, Willem Witsenplein. De verhuizing bracht natuurlijk stagnatie in den dienst mede. Even eens werden naar dit gebouw overgebracht diensten uit een der andere gebouwen, n.l. Prinssessegracht 6a, hetwelk door de in de nabijheid ingeslagen bommen tijdelijk onbewoonbaar was geworden.
     De houding van het personeel was – nadat de eerste ernstige schok van den plotseling ingetreden oorlogstoestand was verwerkt – rustig en beheerscht, het werk werd, niettegenstaande de veelvudige stoornissen met nauwgezetheid en groote plichtsbetrachting verricht.
     In overleg met de Directie werd door de Hoofdaministrateur bepaald, dat voorloopig geen rekeningen zouden worden betaald; aan de arbeiders werd een voorschot op het loon verstrekt, aangezien niet gerekend kon worden op normale geldtransporten in de eerstkomende dagen. Op den 14e Mei werd aan de ambtenaren het salaris voor de maan Juni uit betaald.

b.     Te Hembrug werd door den E.A. ambtenaar reeds te circa 4.00 uur van den 10e Mei waargenomen dat zich in de omgeving een luchtgevecht afspeelde waarop het signaal “luchtalarm”werd gegeven, waardoor de nachtploeg, dankzij een toevallig den vorigen dag gehouden oefening, in zeer korten tijd in de schuilplaatsen was.

Op het terrein bevonden zich ook bovengrondse schuilplaatsen (Zie bij X)

Personeel.

      Na gewaarschuwd te zijn besloot het Hoofd van de fabriek Hembrug de nachtploeg zekerheidshalve onverwijld naar huis te zenden, behoudens het daaruit aangewezen personeel voor de luchtbeschermingsdienst.
     Maatregelen werden genomen om het van de dagploeg opkomende opzichtvoerend- en werkliedenpersoneel te waarschuwen, dat dien dag slechts enkele fabrieksafdeelingen zouden werken, in het bijzonder de laboreerwerkplaatsen. Dit Personeel werd per boot naar de Fabriek gebracht. Later op de dag werd per radio bekend gemaakt, dat het geheele personeel op 11 Mei de arbeid zou hervatten.
     Van het op den eerste dag opgeroepen personeel ter sterkte van ruim 800 man hebben intusschen slechts rond 450 man aan dezen oproep gehoor (kunnen) (ge)geven. Op den volgenden dagen was de opkomst van het personeel heel normaal te achten.
     In verband met het luchtgevaar werd besloten, des nachts niet te werken, voordat de geheele fabriek afdoende zou kunnen worden verduisterd, waartoe direct met een ploeg van ruim 100 man, later uitgebreid tot pl.m 150 man werd begonnen.
     Het is in het tijdvak 10 – 14 Mei niet meer gekomen tot nachtarbeid; de daguren waren van 7,30 – 18,30 uur.
     Het werk werd herhaaldelijk door luchtalarm gestoord.
     Aangezien het van het meesten belang was, dat de Fabriek bleef doorwerken werd het alarmeeren beperkt tot die gevallen, waarbij het aantal en soort der vliegtuigen een opgezetten aanval deden verwachten. Het aantal alarmeeringen is hierdoor gering gehouden en was veel geringer als die in de Gemeente Amsterdam zelve. Meldingen werden zoowel van de luchtmachtdienst Amsterdam als van den C(entrale).Luchtverdedigingsdienst Amsterdam verkregen, terwijl bovendien nog eigen uitkijkposten waren uitgezet, welke geinstrueerd waren in zake de kenmerken van vijandelijke toestellen. Het eigen alarmsysteem heeft naar behooren gefunctioneerd; de vluchttijd was in den aanvang veel te groot, doch werd later aanzienlijk korter. Toch bleef de in verhouding tot de snelheid van doorkomen der meldingen en de vliegsnelheid der vijandelijke toestellen te groot.

Geneeskundige dienst.

     Terstond na het uitbreken van de vijandelijkheden werd de geneeskundige hoofdpost overgebracht naar den daarvoor ingerichte schuilkelder, waarvan de inrichting alleszins heeft voldaan.
     Door de I.G.D.L.5, werden 2 officieren van gezondheid, ter versterking van het geneeskundig personeel, gezonden. Deze zijn eenige dagen na het staken van vijandelijkheden weder vertrokken.
     Behalve het voorzien van enkele schot- en scherfwonden van militairen, die vanaf het front onderdeelen en munitie kwamen halen en in eenige verwondingen door het aanschieten van een auto bij het Pontveer ontstaan, is geen verdere geneeskundige hulp noodig geweest.
     Ten behoeve van een eventueel transport naar Amsterdam werden 2 motorhospitaalschepen ingericht, 1 vaartuig van de A.I. met 30 bedden en 1 ingehuurd vaartuig met 65 bedden.

5I.G.D.L = Inspectie Geneeskundige Dienst (Koninklijke) Landmacht

Fabrieksbewaking en verdere veiligheidsmaatregelen.

     Het detachement infanterie, 1 onderofficier, 1 korporaal en 22 manschappen, in normale tijden reeds aanwezig voor bewaking van het terrein in en om de fabriek, bezette met eenige mitrailleurs enkele posten in en om de fabriek ter directe beveiliging tegen parachutisten en laagvliegende vliegtuigen.
     Aangezien het aantal bezette posten voor een afdoende bescherming te gering werd geacht, werd versterking gevraagd aan den Garnizoenscommandant van Amsterdam.
     In afwachting van de komst van deze versterking werden reserve-officieren voor Speciale Diensten tijdelijk aangewezen voor de bezetting van eenige posten, terwijl de diensten van deze officieren werd ook gebruik gemaakt voor het bezetten  van den commandopost, voor de controle van autos bestemd voor de fabriek, bij het handhaven van de orde op de posten en bij de ingang van de Fabriek bij den aanvang van den werktijd.

Aangezien buiten een versterking met 16 marechaussées geen verdere uitbreiding van het bewakingsdetachement te verkrijgen was, werden door hoofd Fabriek. Ten einde de bewaking en de verdediging aan redelijke eischen te doen beantwoorden, pl.m. 150 dienstplichtigen behoorende tot het werkliedenkorps en met industrieel verlof zijnde, in dienst teruggeroepen.
     Naast de directe bewaking en verdediging van de Fabriek moest nog worden voorzien in de bewaking van schepen, geladen met ontplofbare stoffen en loodsen met materieel, alles liggende buiten het fabrieksterrein.
     In de namiddag van 13 mei kwam een detachement infanterieter sterkte van 1 officier en 60 manschappen ter bewaking van de Hembrug, den spoorweg en het terrein ter weerszijden van d spoorweg, voor zoover ten N(oorden). Van het Noordzeekanaal gelegen.
     Uiteindelijk werd er derhalve op 14 Mei beschikt over het volgende militaire personeel:
     1 onderofficier, 1 korporaal met 22 manschappen infanterie vat bewakingsdetachement.
     16 leden van het korps Koninklijke Marechaussee.
     1 onderofficier en 10 manschappen uit Zaandam.
     4 dpl. Wachtmeesters der artillerie.
     29 beroepsofficieren en reserve-officieren voor Speciale Diensten.
     5 dpl. sergeanten-vuurwerkers.
     4 dpl. onder-officieren en korporaals in opleiding voor vuurwerker en opzichter.
     150 dpl. van het werkliedenkorps.
     De militaire bewaking stond onder commando van Majoor van Erpenbeek de Wolff.
Daadwerkelijker aanvallen op de Fabriek, zoowel vanaf de grond al vanuit de lucht, zijn uitgebleven.
     Verliezen aan personeel en beschadiging aan materieel, gereedschappen en outilage door óóvijandelijk ingrijpen, derhalve geene, terwijl op een telefonische vraag van Hoofd Fabriek of bij vijandelijke nadering zelf de noodige vernielingen mochten worden uitgevoerd door de Directie ontkennend werd beslist.

Delft.

     Te Delft werden op de 10e Mei reeds te 3.30 uur groote formaties Duitsche vliegtuigen waargenomen. Het vliegveld Ypenburg werd aangevallen, terwijl rondom Delft o.m. de Kleiweg, in den Wippolder en aan de Schie, parachutisten waren neergekomen.
     Om 6.00 uur was het mogelijk eenigzins een overzicht van den toestand te verkrijgen. Hierbij bleek dat het terrein aan de Schie niet meer bereikbaar was, de laboreerwerkplaatsen waren in Duitsche handen, de reserve 2e Luitenant van Speciale Diensten Ir. Capel, was gevangen genomen.
     De gebouwen aan de Julianalaan lagen onder vuurbereik, zoodat het verblijf aldaar slechts mogelijk was in de ruimten, welke van de Wippolder afgekeerd waren.
     Het werk aan de v.m. Constructie-werkplaatsen aan de Hooikade en in de Werkplaatsen aan het Koningsveld werd op normale wijze aangevangen en voorgezet. Op het Koningsveld werd met ons personeel de houtvoorraad van de firma ’t Mannetje’, welke een gedeelte van de gebouwen aldaar in huur heeft, naar een naburig gelegen voetbalveld overgebracht.
Aan de Julianalaan waren de voor ons personeel aangelegde schuiltunnels in gebruik genomen door personeel van de Nederlandsche Weermacht, waardoor deze voor ons niet meer bruikbaar waren. Als schuilplaats werd een der kelderlokalen bestemd, hetgeen als zoodanig echter niet was ingericht.
     Het te Delft wonende personeel kon de Julianalaan bereiken. Het van elders komende personeel werd dikwijls door de omstandigheden gedwongen tot verzuim.
     Nadat het bericht was ingekomen dat de toestand aan het Koningsveld in verband met het optreden der parachutisten, critiek begon te worden, werd besloten slechts de gebouwen aan de Julianalaan en de Hooikade te laten bewaken.

     Voor de beide complexen werden de brandploegen, de E.H.B.O.-ploegen en de ploegen voor den bedrijfsdienst volledig ingedeeld. Twee officieren van Speciale Diensten werden voor elke wacht ingedeeld, terwijl de pl.m 20 aanwezige militairen over beide complexen werden verdeeld voor het doen van gewapende wachtdiensten, Van de v.m. Constructiewerkplaatsen werden zoowel  vóór als achterpoort bewaakt. In verband met het door het Gemeentebestuur afgekondigde verbod zich na 20.00 uur op straat te bevinden werden de noodige maatregelen getroffen, pl.m. 20 man in ieder complex te doen overnachten. Nadat echter onderdeelen  der Ned. Weermacht zich in den avond van dezen dag in het gebouw Julianalaan gingen vestigen werd een deel van de eigen bewaking van dit gebouw teruggetrokken, met name ook de E.H.B.O.-ploeg. De ziekenauto en de motorbrandspuit werden aan de v.m C.W. tot uitrukken gereed opgesteld.

     Op 11 Mei werden de gebouwen der v.m. C.W. zoowel van af den Leeuwenhoeksingel als van af de Vest herhaaldelijk beschoten; in de stad heerste die dag groote onrust.
     Een gedeelte van het gebouw Julianalaan werd door II-2 R.A. in gebruik genomen; de toren van het gebouw werd als waarnemingspost gebezigd. Door de gevechtshandelingen in de onmiddellijke nabijheid van dit gebouw en door het hiervoren genoemde zuiver militair gebruik van een gedeelte van het gebouw, was het uit den aard der zaak niet mogelijk op het Scheikundig Laboratorium regelmatig door te werken. Ook het gebruiken van de reserve officieren voor Speciale Diensten voor zuiver militaire doeleinden – wachtdiensten, verdediging van het gebouw e.d. – maakte, dat zij hun oorspronkelijk werk niet of nagenoeg niet meer konden volvoeren.
     De archieven van het S.L. werden voor een groot deel vernietigd, om het in vreemde handen vallen te beletten.
     Aan de v.m. C.W., werd een eigen luchtalarmdienst ingesteld. Het bleek toch, dat de stad Delft van af Vrijdagmorgen vrijwel doorloopend in staat van luchtalarm verkeerde. Precies volgens de voorschriften handelende, zou dus feitelijk het personeel zich doorloopend in de schuilplaatsen hebben moeten bevinden.
     Aan de post van de vóórpoort werd nu opdracht gegeven een signaal te geven zoodra vliegtuigen  boven Delft begonnen te cirkelen: op recht overvliegende vliegtuigen werd geen acht meer geslagen. Toch is het werk dien dag meermalen ernstig gehinderd, eenmaal werd zelfs 2 uur aan één stuk geschuild in verband met ernstige vuurgevechten tusschen Nederlandsche en Duitsche troepen in Delft.
     Mede rekening houdende met de mogelijkheid van plotselinge aanvallen in duikvlucht op het talrijke personeel, dat zich bij (eigen) luchtalarm van de werkplaatsen naar de schuilplaatsen moest begeven, werd het werk aan de patroonfabriek in de v.m. C.W.  gestopt ; de overige diensten aldaar werden in bedrijf gehouden.
     Alle uitgangen van de gebouwen, die verhuurd waren, werden gesloten en gebarricadeerd, de huurders werd tot nader order het werken aldaar verboden, vooral omdat het Hoofd van de Vestiging Delft geen controle had op het personeel dezer huurders en niet zeker was van hun betrouwbaarheid.
     Op 12 Mei werd het werk in het gebouw Julianalaan gestopt, d.w.z. de messingperserij, optische-afdeeling en gasmaskerafdeeling stonden dus stil; dit gebouw had een sterke militaire bezetting gekregen en werd ter verdediging ingericht. De in aanbouw zijnde laboreerwerkplaatsen waren inmiddels in Nederlandsche handen over gegaan, de reserve Luitenant Sp. D. Capel was in vrijheid gesteld. Het werk aldaar werd niet hervat wegens het gevaar bij bombardementen op het nabij gelegen vliegveld Ypenburg.
     Een groot deel van buit gemaakt Duitsch materieel werd aan de v.m. C.W. opgeslagen; een tijdelijk bij de Vestiging Delft werkzaam gestelde 1e Luit. Van het K.N.I.L. werd op 13 Mei met het beheer en weder uitgifte aan Ned. Troependeelen belast.
     Op 14 Mei vlogen in buitengewoon groote aantallen Duitsche toestellen boven Delft, vooral, in de richting Rotterdam. In verband met het verloop der krijgsverrichtingen, welke een minder gunstige wending namen en om bij een eventueele bezetting van de gebouwen der Vestiging Delft door Duitsche eenheden militaire conflicten te vermijden, werd de geheele militaire bezetting te 11.00 uur op de Hembrug gedirigeerd; het burgerpersoneel bleef in de verschillende gebouwen op zijn post.

Sergeant-opzichter gesneuveld.

     De verliezen aan personeel zijn gering, alleen de sergeantopzichter in opleiding P. Dietrich is in de nabijheid van het gebouw Julianalaan gesneuveld op weg naar zijn huis zijnde. Nadere bijzonderheden omtrent dit ongeval ontbreken verder.
     De gebouwen en de outillage daarvan zijn behoudens talrijke gesprongen ruiten en lichte beschadigingen, volkomen intact gebleven; door de Directie was bepaald, dat niet tot vernietiging mocht worden over gegaan.

Bronnen Dagboek Ir. F.Q . den Hollander, Archieven.nl©PDKAIH2019

DE 2e WERELDOORLOG EN DE ARTILLERIE INRICHTINGEN deel 1 van 4

PLANNEN VOOR VERNIETIGING VAN DE ARTILLERIE INRICHTINGEN

Toen aan het einde van de dertiger jaren van de vorige eeuw de dreiging van een 2e wereldoorlog steeds heviger werd, waren er door de Artillerie Inrichtingen in het diepste geheim plannen gemaakt om te voorkomen dat het bedrijf in Duitse handen zou vallen.

De plannen behelsden als eerste de verbranding van alle geclassificeerde documenten, tekeningen etc. Daarna dienden de elektrische installaties en hun schakelborden te worden vernield. Als dat was gebeurd stonden er nog een groot aantal zaken in de lijst die handmatig vernield dienden te worden. Nadat het voorgaande naar behoren was uitgevoerd zou men volgens de plannen een groot aantal zware machines, kranen, transformatorruimtes, stoomhamers, smeedhamers, persen, ketels, vulmachines, gebouwen en munitiemagazijnen opblazen.

WAAROM

Dit rigoureuze ingrijpen was nodig omdat de Artillerie Inrichtingen een Staatsbedrijf waren, wat volgens het Landsoorlogsrecht inhield, dat het bedrijf na een capitulatie met alles erop en eraan in handen van de Duitsers zou vallen.

MEERDERE PLANNEN

Voor deze vernielingen met behulp van explosieven bestonden verschillende versies van de plannen.

Als de munitiemagazijnen werden opgeblazen, had dit zoveel vervolgschade dat andere gebouwen al zo zwaar beschadigd waren dat verdere actie waarschijnlijk niet meer nodig was.
Werden de munitie gebouwen in eerste instantie gespaard. Dan werden eerst alle andere panden opgeblazen. Te beginnen bij het centraal, aan de Hemkade gelegen gebouw nr. 2. Mocht er gezien het feit dat de beslissing voor de uitvoering van de plannen pas zo laat mogelijk zou worden genomen, geen tijd meer zijn om alles op te blazen, dan zouden alleen de machines en hun voorzieningen met kleine springladingen, die geen gevaar konden vormen voor de munitiemagazijnen worden opgeblazen.

STRIKTE REGELS VOOR DE VERNIETIGING MET EXPLOSIEVEN

Voor vernietiging met explosieven waren er strikte regels in het plan opgenomen. Er mocht alleen met tijdontstekers worden gewerkt en ook waren er instructies met betrekking tot het gebruik van de ladingen en de vertragers. Ladingen van 500, 1500 en 18000 gram werden specifiek omschreven.

Bij het gebruik van deze zware explosieven moest er een gebied met een straal van 3 km worden geëvacueerd. Die evacuatie zou in voorkomend geval, de tijd die nodig was om de plannen voor vernietiging uit te voeren flink korter maken. De tijd tussen de verschillende zware explosies diende een kwartier te zijn. Waardoor het geheel volgens het ene plan na 3 uur en het andere plan na 4 uur moest zijn uitgevoerd.

LIJST VAN DE GEBOUWEN DIE VERNIETIGD DIENDEN TE WORDEN

1 Machinefabriek voor lichte werktuigen (gebouwen 20, 40 en 293)

afdeling Gereedschappen aanmaak
afdeling Centrale meetafdeling

2 Machinefabriek voor zware werktuigen (gebouw 320)

3 Wapen en projectielen fabriek (geb. 1, 84)

afdeling Projectielen
afdeling Wapen (onderdelen)

4 Warm bedrijf  (gebouwen 55,72 en 333)

afdeling Modelmakerij
afdeling Machinale vormerij (gieterij)
(gebouw 155)
afdeling Harderij
(gebouw 156)
afdeling Smederij

5 Wapen revisie bedrijf

(gebouwen 151, 290, 366)
afdeling Geschut
(gebouw 309)
afdeling Draagbare wapens

6 Hulzen en kogelfabriek

(gebouw 322)
afdeling Kleine hulzen (7,7 en 9 mm)
(gebouw 284)
afdeling Kleine kogels (7,7 en 9 mm)
(gebouw 269)
afdeling Controle afdeling

(gebouwen 294 en 330)
afdeling Middelbare munitie (12,7; 20; 40 mm)
(gebouwen 29 en 112)
afdeling Grote munitie (>40 mm)

7 Munitiesamenstelling

(gebouw 274)
afdeling Trotyl gieterij
(gebouwen 47,48 en 49)
afdeling Aanmaak slagkwik
(gebouw 45)
afdeling Aanmaak slaghoedjes
(gebouw 511)
afdeling Lichtspoorperserij
gebouw 52)
afdeling Trotyl en tetrylperserij
(gebouw 207)
afdeling Samenstelling grote munitie
(gebouw 24)
afdeling Samenstelling kleine munitie
(gebouw 91)
afdeling Inzetten slaghoedjes
(gebouw 57)
afdeling Samenstellen schokbuizen
(gebouw 272a t/m f)
afdeling Loodazyde

 8 Munitie magazijn

(gebouwen 53, 54, 106, 107, 108, 299, 300 en 301)

9 Centrale magazijn )

(gebouw 14)

10 Bedrijfsdienst

(gebouw 40)
afdeling Compressoren bedrijf
(gebouwen 277,325 en 339) 
afdeling  Transformatoren

11 Laboratorium

(gebouw12)

12 Kade

afdeling Kranen

13 Nieuwbouw c.q. uitbreiding

(gebouw 156)
afdeling Granaten perserij
(gebouwen 308 en 342)
afdeling Projectielendraaierij

14 Leger munitie magazijnen

(gebouwen 701 t/m 705)

15 Werkplaatsen firma Sterel en Wechelaar

(gebouw 313)

NOOIT UITGEVOERD

Op de 14e mei 1940 had de toenmalige directeur Ir. F(ranciscus).Q, den Hollander aan Nederlands hoogste regeringsmacht, de Generaal H(enry). G. Winkelman gevraagd of hij de plannen voor de vernielingen moest uitvoeren. Het antwoord luidde, nee dat mag niet. En zo kwam de bezetter in het ongeschonden bezit van het Staatsbedrijf der Artillerie inrichtingen.

Ir F.G. Jungeling / Kolonel H.G. Winkelman / de brief

ENQUETTE COMMISIE

Na de oorlog werd er een Enquête Commissie in het leven geroepen die o.a. zich bezig hield met militair beleid en gebeurtenissen gedurende ww2

In december 1955 schreef O.J. Siersema, Kolonel van de Generale Staf, in een brief aan de toenmalige directeur van de Artillerie Inrichtingen, Ir. F.G. Jungeling over de vraag die Den Hollander op 14 mei 1940 gesteld had.

“Naar aanleiding van de door Ir. F.Q. Den Hollander voor de Enquête- Commissie afgelegde verklaring (deel 7c/verhoren blz. 632 e.v.) moge ik u het volgende berichten omtrent het tot stand komen van het besluit tot het intact laten van de Artillerie Inrichtingen op 14 mei 1940.
Nadat ik de Heer Den Hollander had ingelicht over het besluit van de O.L.Z.1 om tot capitulatie over te gaan en hij de vraag omtrent het eventueel vernietigen van de fabriek had gesteld, besprak ik deze kwestie met mijn directe chef. Onze opvatting was, dat een dergelijke gewichtige beslissing moest worden genomen door de hoogste autoriteit. Ten gevolge van de vele dringende zaken, die moesten worden geregeld, kon de vraag eerst laat in de avond worden voorgelegd. Er vond toen een overleg plaats; Ik kan mij niet meer precies herinneren, wie daarbij aanwezig zijn geweest. De O.L.Z. besliste uiteindelijk dat de fabriek intact moest blijven, waarop ik de Heer Den Hollander hiervan. telefonisch op de hoogte stelde.

Het besluit werd genomen op grond van twee overwegingen.

1. gelet op het feit, dat in Nederland zelf nog gevochten werd en de Franse, Engelse en Belgische legers in Noord België stonden, mocht de mogelijkheid, dat het getij alsnog zou kunnen keren, niet worden uitgesloten.

2.de capaciteit van de fabriek was in verhouding tot de totale capaciteit, die ter beschikking van de vijand stond gering.

Wellicht kunt u aanleiding vinden, deze brief bij de betreffende dossiers te voegen.”

Bronnen NIMH, Grebbenberg,Archieven.nl ©PDKAIH2019

1O.L.Z. =  Opperbevelhebber van Land en Zeemacht