DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 10 van 11.

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 10 van 11.

Artillerie Inrichtingen worden Staatsbedrijf en de 1e wereldoorlog breekt uit.

In 1913 werden de Artillerie Inrichtingen een Staatsbedrijf met een eigen begroting en kregen een burger directie. Ook de leiding van de bedrijven gingen in burgerdienst over. Dit was een grote vooruitgang omdat men zodoende personeel kreeg dat zich blijvend aan het bedrijf kon wijden. Kort nadat deze maatregel was genomen, brak de 1e wereldoorlog uit.

 

De directie der Artillerie Inrichtingen. Zittend vlnr de heren: Directeur G. Th. van Dam, Directeur; J.H.A. Mijsberg, Directeur; H.M. van Unen, Secretaris; B.J. Top. Staand vlnr. L.L.E. Ornstein,Bedrijfschef Patroonfabriek; J. Jungeling.Bureauchef voor de Technische Zaken; D. Rijnders.bedrijfschef Vuurwerkerij; J.D. Berkhout,Technoloog; N.P.A. du Quesne van Bruchem, waarnemend Bedrijfschef Wapenfabriek; E. Zuidema. Administrateur.

 

Wat is er in die tijd aan de Hembrug gebeurd? Voor het organiseren van de munitieaanmaak met behulp van de particuliere industrie werd het Munitiebureau ingesteld. Later heeft de zorg van dat bureau zich ook over andere zaken dan enkel munitie uitgestrekt. Bij de aanmaak door particulieren werden aanvankelijk opdrachten gegeven aan verschillende fabrikanten. Tenslotte kwam men echter tot geconcentreerde aanmaak, die in een fabriek over het IJ door Belgische fabrikanten van automobielen en met behulp van uit het Oosten van het land overgebrachte werktuigen werd opgezet.  Dit bleek grote voordelen op te leveren. Het benodigde buskruit kon van de fabriek te Muiden worden betrokken. Trotyl werd eerst op kleine schaal uit toluol dat van de gasfabrieken kwam gemaakt.Later werd er een afzonderlijke fabriek gebouwd bij de Hembrug, waar de Bataafsche het maakte uit toluolbenzine.  Deze fabriek bevond zich aan de Amsterdamse zijde van het Noordzeekanaal.

 

Kruitfabriek te Muiden.

 

Behalve artillerieprojectielen werden ook handgranaten in verschillende soorten aangemaakt.Omdat de weermacht die ondertussen was versterkt met de langzamerhand goed geoefende reservetroepen te kunnen bewapenen werd besloten de productie van wapens belangrijk opvoeren. De particuliere industrie hielp om zo snel mogelijk de aan de Hembrug aanwezige werktuigen in een behoorlijk aantal te vermenigvuldigen. Dit ging in een rap tempo omdat zij alleen maar gekopieerd hoefden te worden en er van een groot gedeelte van deze werktuigen al gietmodellen aanwezig waren. Het doel was het zogenaamde wisselbedrijf aan de Hembrug om te vormen in een inrichting waar alle onderdelen van het wapen tegelijkertijd naast elkaar konden worden afgewerkt.

 

Machines bestemd voor fabricage van geweerlopen.Op de voorgrond vier trekbanken waarop de geweerlopen van trekken voorzien worden. Op den voorgrond links: de Bedrijfschef van de Wapenfabriek, D.H.Peereboom Voller. rechts van hem: de Opzichter van de lopenfabricage, M.A. v.d.Ende.

 

De honderden werktuigen die daarvoor nodig waren zijn alle in Nederland gemaakt. Het personeel werd in die tijd sterk uitgebreid naar ongeveer 8500 personen. Een groot probleem tijdens deze oorlog was het verkrijgen van de benodigde materialen. De gewoonlijk gebruikte materialen waren niet te krijgen en men moest zich vaak behelpen met allerlei mindere kwaliteit. Tenslotte zijn zelfs geweren gemaakt van oude rails (het enige staal dat nog in het binnenland in grote hoeveelheden aanwezig was). Telegraafdraad dat eigenlijk bestemd was om prikkeldraad van te maken maar dat toevallig hardbaar bleek werd gebruikt.

 

De voorraad notenhout 1916-1917

 

Ook de inlandse notenbomen werden niet gespaard. Toen het land werd afgezocht bleken er heel wat meer aanwezig dan men aanvankelijk dacht en vielen er duizenden ten offer aan de wapenproductie. Gemiddeld was slechts één op de drie bomen voor het doel geschikt. Al spoedig beschikte men voor de vordering, het rooien en vervoeren van de bomen over zodanig geoefend personeel dat de aanvoer geregeld geschiede. En het kwam slechts zeer zelden voor dat een boom verborgen gebreken vertoonde. ©PDKAIH2017

 

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 9 van 11.

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 9 van 11.

 

De Vuurwerkerij, de Projectielen en de Buizenfabriek

De Vuurwerkerij omvatte de laboreerwerkplaatsen en verder de projectielen en een buizenfabriek. De laboreerwerkplaatsen zorgen voor het maken van verschillende sassen, waaronder die voor de sasringen van de tijdbuizen en de sassen voor de slaghoedjes. (Een sas is een mengsel van een zuurstof gevende stof en één of meer andere stoffen dat en zorgt voor een explosieve ontsteking van de lading van een projectiel).

Hierbij hoorde ook de bereiding van het slagkwik. (een giftige instabiele stof die gemakkelijk explodeerd. De ontsteking geschied mechanisch of chemisch. Het werd veel gebruikt in ontstekers en slaghoedjes).

 

1. Projectieldraaierij van de Vuurwerkerij. 2. Vuurwerkerij het vullen van de brisantgranaat kartetsen met kogeltjes en de onderste laag hiervan vastzetten met hars. 3. Projectieldraaierij met op de voorgrond oefenpantsergranaten. 4. Samenstelling met geheel links dhr. Baijards ©Miranda Rozemeijer

 

 

Ook vervaardigde men hier verschillende andere vuurwerken zoals onder andere: seinpatronen, vuurpijlen, vliegtuigbommen, trotylpatronen, pijpjes voor de ontsteking van het geschut enz. en ook werden hier projectielen met kruit of andere ontplofbare stoffen gevuld. Allemaal werkzaamheden voor rustige en zeer nauwkeurig werkende mensen.

Men onderscheidt granaten, granaatkartetsen, brisantgranaten, brisantgranaatkartetsen of eenheidsprojectielen en kartetsen. In de Buizenfabriek maakte men de zeer nauwkeurig ingestelde, uiterst precieze inrichtingen die in de kop of in de bodem van het projectiel werden geplaatst met het doel om deze te laten springen. Dit kan geschieden tijdens de vlucht vóór en boven het doel, na een vooraf ingestelde tijd of bij het treffen van het doel. In het eerste geval spreekt men van een tijdbuis, in het laatste van een schokbuis. Ook werd er vaak een combinatie van deze twee gebruikt, de tijdschokbuis. ©PDKAIH2017

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 7 van 11.

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 7 van 11.

Overplaatsing naar het Hemveld

De invoering van het draagbare wapen model 1895, die een geheel nieuwe machinale inrichting voor de patroonfabricage nodig maakte, werd er de aanleiding van om in 1897 het grootste deel van de werkplaatsen over te brengen binnen de Stelling van Amsterdam. Dit was volgens de toen geldende begrippen het reduit van onze landsverdediging.Daar werden achtereenvolgens gebouwd: de Patroonfabriek, de Werkplaats voor Draagbare Wapenen, de Vuurwerkerij met een Buizenfabriek en IJzergieterij.

Infanterie geweer model 1895

De te ‘s-Gravenhage achter gebleven geschutgieterij, die in 1871 door het Rijk van de familie Maritz was overgenomen werd in 1904 opgeheven. Zij hadden zich toegelegd op de vervaardiging van het bronzen en hardbronzen achterlaatgeschut en maakten daarna ook stalen vuurmonden. Door deze opheffing onderging de Werkplaats voor Draagbare Wapenen een kleine uitbreiding. Dit om in het vervolg ook de herstellingen aan geschut te kunnen uitvoeren. Jammer genoeg werden bij die op zichzelf staande bezuinigingsmaatregel de boor- en trekbanden voor oud-ijzer verkocht iets wat men in de mobilisatietijd zou betreuren.

De Stelling van Amsterdam werd grotendeels aangelegd tussen 1874 en 1914 en is een 135 kilometer lange verdedigingslinie ter verdediging van de Nederlandse hoofdstad

Bij de inrichting van de Werkplaats der Draagbare Wapenen in 1897 aan de Hembrug was het aanvankelijk niet de bedoeling daar een volledige wapenfabriek van te maken. Men dacht de benodigde wapens M95 te blijven kopen bij de Oesterreichische Waffenfabrikgesellschaft te Steyer en bestemde de eigen fabriek als herstellingswerkplaats en aanschaffingsorgaan. Verder diende hij voor de opleiding van geweermakers, zwaardvegers (wapensmeden) en van officieren van wapening. Om bij die opleidingen enig denkbeeld te kunnen geven van de zogenaamde uitwisselbare fabricage, waren er werktuigen met spaninrichtingen en gereedschappen aangeschaft. Dit om van een aantal van de eenvoudigste onderdelen de voor herstellingen benodigde verwisselstukken in eigen werkplaats te kunnen aanmaken.

Lademaker aan het werk in de geweerfabriek aan de Hembrug ©Herman de Ruijter

Die toestand duurde tot 1900, toen er in de Tweede Kamer der Staten-Generaal een vraag werd gesteld over de prijs waarvoor in de Italiaanse Staatsfabrieken het veel met het Nederlandse model overeenkomende geweer werd gemaakt.

Eén van de officieren, die tot de keuringscommissie te Steyr behoord had, was daar al tot de slotsom gekomen, dat de aanmaak van wapens in eigen beheer niet onmogelijk behoefde te zijn. Hij werd naar Italië gezonden. In het rapport over zijn onderzoek daar, stelde hij voor de al aanwezige werktuigelijke inrichting van de wapenfabriek uit te breiden. Daardoor zou het mogelijk zijn om zonder vergroting van de fabrieksruimte door eigen aanmaak tot in 1918 geleidelijk zoveel wapens te verkrijgen, als nodig zouden zijn om tijdig in de behoefte van de te verwachten legeruitbreiding te voorzien.

In twee stappen werd die uitbreiding van machines tot stand gebracht, waardoor men vanaf 1904 in staat was het gehele geweer van de grondstoffen af, in eigen fabriek aan te maken. Dat was geen kleinigheid, een geweer heeft 81 onderdelen. De kwaliteit van de Hembrug wapens bleek niet voor de Steyersche onder doen en de prijs ervan was behoorlijk lager.

Het grootste voordeel van het gaan aanmaken in eigen beheer was wel de ervaring van weloverwogen werken die hierdoor werd verkregen. Daardoor kreeg men de beschikking over zeer deskundig personeel. Dat zou in de toekomst efficiënter kunnen optreden als keurmeester tijdens het inkopen bij andere bedrijven. Ook de verworven kennis en routine zouden kunnen worden toegepast bij andere producten en werk op het eigen en aanverwante gebieden. Dit op dezelfde wijze als waar op de wapenfabricage wegberijdster is geweest voor vele andere takken van industrie.

De Geweerwinkel was dan wel van Delft naar de Hembrug verplaatst en daar uitgegroeid tot een volledige wapenfabriek. Het zou daar niet bij blijven. Delft verloor ook de Pyrotechnische werkplaatsen. Tot ver na de 1e wereldoorlog bleven de Artillerie-Inrichtingen nog gedeeltelijk in het historische stadje. Aan de Hembrug werkte men intussen verder. Men begon met het fabriceren van klewangs. Eerst voor het Indische en later voor het Nederlandse leger. In de mobilisatietijd zou ten volle blijken waartoe men door de verkregen oefening in staat was geworden. ©PDKAIH2017

Eindcontrole van de wapens ©Herman de Ruijter

Hembrug klewang model 1898 bestemd voor het KNIL

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 3 van 11.

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 3 van 11.

Het personeel van de affuitmakerij

Als hoofden der Artillerie Inrichtingen traden de volgende autoriteiten op:Een inspecteur, belast met het algemeen toezicht over de magazijnen en tevens verantwoordelijk voor het volledig aanwezig zijn van de uitrusting.

Een commandeur, belast met het zich dagelijks op de werven en in de magazijnen te bevinden. Dit om de gang van de werkzaamheden in de gaten te houden.

Een Commies, belast met de verantwoording voor de te ontvangen grondstoffen en materialen en voor de verstrekking van de vervaardigde voorwerpen

Een conducteur, belast met het assisteren van de commies.

Het zogenaamde mindere personeel bestond uit:

1 meesterknecht voor het kantoor.

2 knechten voor het kantoor.

7 sjouwerlieden.

17 knechten.

1 baas affuitmaker.

1 wielenmaker.

1 knecht voor de wielenmaker

1 smid

3 knechten voor de smid

2 houtzagers

1 houtwerker

12 bewakers, deze hielden ’s winters als de sloten om het complex bevroren waren in ploegen van vier de wacht. Hun salaris bedroeg 16 stuivers per nacht.

Hard werd er in die tijd niet gewerkt. In een verslag van Generaal Von Creutenach, uit omstreeks 1750, leest men dat in de affuitmakerij slechts zes houtwerkers en vier smeden werkzaam waren. Ook waren er zeventien werklieden voor het onderhouden van geweren, die hun werk slecht uitvoerden.

Deze eenvoudige inrichting is tot 1755 onveranderd gebleven.

In dat jaar was er behoefte aan uitbreiding. Er werd gevolg gegeven aan een voorstel van de toenmalige commies van Holland, Mr. Dirk van Heemskerk. Enige oude gebouwen werden afgebroken en er kwamen twee grote loodsen voor in de plaats. Een kleiner gebouw naast die loodsen diende tot ijzermagazijn. De eerste steen werd in de muur van de smederij geplaatst. Op deze steen prijkte de naam van de toenmalige conducteur (chef over de machines), Hendrik Klancke en de datum 26 mei 1755.

Dat het aan de inrichting verbonden personeel niet altijd zo talrijk was als al eerder aangegeven ligt voor de hand. De samenstelling van het personeel was voortdurende onderhevig aan de hoeveelheid handarbeid die verricht moest worden. De meest ingrijpende wijziging had plaats onder het bewind van Koning Lodewijk Napoleon die alle burgerwerklieden verving door een compagnie militaire werklieden.

Smidse en Modellenzaal der Stapel en Constructie magazijnen der Artillerie Inrichtingen te Delft

Toen Nederland in 1813, na verdrijving van de Fransen, weer zichzelf was geworden, werd in 1916 Pieter Huguenin¹ de directeur van de stapel en constructiemagazijnen. Onder zijn beheer vonden veel veranderingen plaats die het bedrijf ten goede kwamen. Ook breidde het personeel enorm uit. Het bestond toen o.a. uit:

1 Onderdirecteur (Kapitein Hendrik Wigand Riesz)(werd later directeur)

1 directeur magazijnen en Grofgeschutgieterij Delft (vrijwillig gepensioneerd op 1 november 1810, teruggekeerd op 11 maart 1814 en bevorderd tot Generaal Majoor op 24 november 1916) (Pieter in de Betou)

1 magazijnmeester 2e klasse bij de stapel en constructiemagazijnen (A.U. Mooser) (werd later assistent vuurwerkerij).

1 eerste algemene opzichter (2e Kapitein C.T. van Meurs)

1 opzichter geweerfabriek (Majoor (titulair) J.C.L. Gueriot de Belseaux)

1 opzichter van de Constructie Werkplaatsen (Kapitein Johannes Hendrik Frankamp)

1 adjunct opzichter der constructiemagazijnen (J. van Roosendaal)

1 boekhouder

98 smeden

27 timmerlieden

56 wagenmakers

9 ververs

9 zadelmakers

Hierbij inbegrepen de opzichters en onderopzichters van elk speciaal onderdeel.

¹ Pieter Huguenin, geb. 9 Sept. 1750 te Namen. Op 25 maart 1762 als cadet der artillerie in dienst getreden. In 1764 werd hij bombadier. In 1771 ging hij bij de genie en werd achtereenvolgend onder luitenant, in 1783 kapitein-luitenant en in 1787 kapitein. Als genie-officier nam hij deel aan de krijgsbewegingen van 1784 en 1787. Hij woonde de veldtochten van 1793 en 1794 bij, werd 3 juli 1794 tot majoor bevorderd en 29 juli 1795 gepensionneerd. 9 juli 1804 trad hij weer in dienst als luitenant-kolonel van het bataljon Mineurs en Sappeurs. In mei 1806 werd hij onderdirecteur der magazijnen te Delft en op 6 augustus 1808 chef van het bataljon Artilleriewerklieden. In 1809 streed hij met de Hollandsche troepen in Duitschland. Op 3 mei 1811 ging hij op eigen verzoek opnieuw met pensioen. Na de verdrijving van de Franschen werd hij op 25 november 1813 belast met het bestuur van artilleriemagazijnen te Delft. Op11 maart 1814 werd hij tot luitenant-kolonel, in april tot kolonel, en op 24 november 1816 tot generaal-majoor bevorderd. Op 20 februari 1816 was hem het ridderkruis der Militaire Willemsorde 4e kl. verleend. Hij overleed op 6 december 1819 te Delft. ©PDKAIH2017

ONTPLOFFING MET DODELIJKE AFLOOP BIJ DE ARTILLERIE INRICHTINGEN.

ONTPLOFFING MET DODELIJKE AFLOOP BIJ DE ARTILLERIE INRICHTINGEN.

Vullen van slaghoedjes voor geweerpatronen in de vuurwerkerij.

Op zaterdagmiddag 18 februari 1911 vond er in de vuurwerkerij  van de fabriek der Artillerie Inrichtingen aan de Hembrug een ongeluk plaats waarbij één werknemer dodelijk getroffen werd en een tweede gewond raakte. Het ongeluk gebeurde tijdens het vullen van slaghoedjes (metalen dopjes) die gevuld worden met sas ((slag)sas is een chemische substantie die door een schok of krachtige tik tot ontbranding of explosie kan komen. Het wordt gebruikt in slaghoedjes van patronen voor de ontsteking van de hoofdlading). De 34 jarige Zaandammer Johannes van der Horst was hiermee bezig toen er plotseling, vermoedelijk als gevolg van wrijving een ontploffing plaats vond.

De machine waarmee deze handeling wordt verricht klapte als gevolg van de explosie uit elkaar. De 46 jarige, eveneens uit Zaandam afkomstige Sergeant Majoor Hendrik Ruiter die bij de werkzaamheden aanwezig was werd door een stuk rondvliegend koper aan de borst getroffen. Deze werd hierdoor zodanig opengereten dat hij direct aan deze verwonding overleed. De heer van der Horst werd door enige brokstukken aan het hoofd getroffen. Omdat deze wonden niet levensbedreigend waren is hij per brancard door de medische dienst naar zijn woning vervoerd.

Op dinsdagmiddag 21 februari 1911, 17.00 uur werd onder zeer grote belangstelling van de directie der Artillerie Inrichtingen, zijn kameraden de onderofficieren en opzichters en verder vele werklieden en overig publiek de lijkbaar van de zaterdagmiddag door het noodlottige ongeval omgekomen Sergeant Majoor H. de Ruiter opgehaald . De lijkbaar was gedekt door twee kransen. Eén van de officieren van de munitiefabriek en één van de onderofficieren en opzichters der Artillerie Inrichtingen. De onderofficieren, opzichters en een aantal werklieden sloten zich bij de stoet aan, die zich door de Langestraat en de Westzijde naar de werf van de firma Evenbleij begaf. Daar lag een sleepboot gereed om het stoffelijk overschot naar Alblasserdam, de geboorteplaats van De Ruiter te vervoeren. Bij de afvaart waren aanwezig de officieren L.C. van Kuyk, Luitenant Kolonel en hoofd der munitiefabriek, D. de Kreuk, Kapitein hoofdopzichter der vuurwerkerij, J.F. Quanjer, 1e Luitenant opzichter der vuurwerkerij en J.A. Meysberg, Majoor en hoofd der werkplaats draagbare wapenen die hun deelneming aan de diep bedroefde weduwe en familieleden betuigde. Verder bedankte de broer van de overledene iedereen voor de laatste eer aan zijn broer. ©PDKAIH2017. Bronnen diverse kranten en tijdschriften ©foto Herman de Ruiter