BEKNOPTE GESCHIEDENIS VAN DE AR 10

BEKNOPTE GESCHIEDENIS VAN DE AR 10.

Het Amerikaanse leger merkte tijdens de 2e wereldoorlog dat hun infanteriegeweer duidelijk minder presteerde dan de wapens van hun tegenstanders. Het duurde echter tot na de 2e wereldoorlog voordat men besloot dat hun wapen aan modernisering en dus vervanging toe was. Een na de oorlog opgerichte commissie besloot uiteindelijk dat de Belgische FN fabrieken en het Amerikaanse Springfield als beste partijen uit de bus kwamen. Het door de FN ontworpen wapen kreeg de codenaam T48 en het Springfield wapen T44 (dit was een gemoderniseerde Springfield-Garand M1). Beide wapens konden echter niet aan de eisen van de commissie voldoen, maar omdat er niets anders voor handen was gingen de beproevingen van beide wapens gewoon door.

De AR 10

Tegelijkertijd (1948) was een medewerker (Georg Sullivan) van de Fairchild fabrieken in de schuur van zijn huis bezig met het verwezenlijken van zijn idee om een lichtgewicht (grotendeels van aluminium vervaardigd) vuurwapen te maken. Toen hij de toenmalige president directeur van Fairchild ( Richard S. Boutelle)  in kennis bracht van zijn plan, zag deze dadelijk de waarde van deze goed uitgewerkte ideeën. Hij zag wel mogelijkheden om het e.e.a. te verwezenlijken en stelde voor om een researchmaatschappij voor het ontwikkelen van lichte wapens op te richten. Vuurwapenexpert Gene Stoner en voor de productie, administratie en financiën Charles Dorchester zouden Sullivan bijstaan in het verder ontwikkelen en uitvoeren van zijn ideeën. Omdat het een dochtermaatschappij van Farchild was, kreeg het de naam ‘Armakte’ en ging men in 1952 voortvarend aan de slag.

Sullivan ontwikkelde de AR 1, een geweer met een dunne stalen loop die in een aluminium loop paste. Verder had het superlichte wapen een met schuim gevulde kolf. Stone ontwikkelde de AR 3 een halfautomatisch geweer, het bleef bij een prototype. Na het verder ontwikkelen werd een type genaamd AR 5 ontwikkeld. Dit wapen werd door de Amerikaanse luchtmacht goed bevonden en ging verder als de MA-1.  De voor het wapen gebruikte munitie was de (30.06 Garand) 7.62 x 63 m/m patroon. In 1955 werd het wapen aangepast voor de ingekorte versie van deze munitie door de (38 Winchester) 7.62 x 51 m/m. Dit voldeed aan de in 1954 door de NAVO ingevoerde standaard maat.

Na diverse wijzigingen / verbeteringen was men in oktober 1956 zover om de twee variaties van de vederlichte, makkelijk te gebruiken en te onderhouden wapens aan de Board of the Infanterie te demonstreren. Het waren het type AR 10a met de korrel op de vlamdemper en de AR 10b met de korrel die op de loop achter de vlamdemper was gemonteerd. De board was zo onder de indruk, dat zij besloten de wapens aan de strijd tussen de T44 en de T48 toe te voegen. Om dit nieuws over de toelating van het wapen internationale bekendheid te geven organiseerde de President Directeur van Fairchild, R. Boutelle, eind november, in zijn eigen huis, in Hagertown, een persconferentie. Op 1 december begon het uitgebreide testprogramma, waarbij de diverse prototypes uitvoerig aan allerlei zeer zware proeven werden onderworpen. Van de zeer vele resultaten van de persconferentie, waarvan in diverse kranten en tijdschriften, over de hele wereld, verslag werd gedaan, was een artikel in “de Time” van 3 december 1956, het zou de geschiedenis van de AR 10 veranderen. Het artikel was vergezeld van foto, met daarop de trotse President-Directeur, staande in zijn tuin en met een prototype van de AR10 in zijn handen. Het was deze foto die de aandacht trok van de toenmalige directeur van het Staatsbedrijf der Artillerie Inrichtingen, de heer Jungeling. Toen hij achterover leunend in zijn stoel, in het kantoor aan de Zaandamse Hemkade het hele artikel las, moest hij gelijk denken aan het door het Nederlandse leger gebruikte M1 Garand geweer dat hoognodig aan vervanging toe was. Ook zag hij hier een kans om van de inmiddels tot gereedschappenfabriek en onderhoudswerkplaats geworden fabriek met zijn enorme kennis en ervaring over wapenproductie, weer een echte Nederlandse wapenfabriek te maken.

 

Techn. Ir. Hilarius houd trots het eerste na de 2e wereldoorlog in Nederland geproduceerde geweer vast, met daarop het AI embleem en serienr 00001. De AR 10 en de fabricage afdeling bij de Artillerie Inrichtingen Hembrug.

Het toeval wilde dat één van de directieleden van de Fokker fabrieken, tot 1940 als hoofdingenieur, één van de vaste medewerkers van Jungeling was geweest. Fokker had de Fairchild fabrieken in Amerika een licentie gegeven voor het vervaardigen van de Fokker F27 in dat werelddeel. Daardoor waren er regelmatig contacten tussen Fokker en Fairchild. De heer Jungeling nam contact op met zijn oud medewerker en vroeg hem of hij tijdens het eerste bezoek van Fairchild aan Schiphol/Fokker een gesprek kon regelen. En na niet al te lange tijd bezocht een delegatie van Fairchild de Artillerie Inrichtingen. Zij zochten productie mogelijkheden in Europa, om aan de enorme vraag naar het nieuwe wapen, welke na de persconferentie was ontstaan te voldoen. Verder werden ze ook door het Congres onder grote druk gezet om zo snel mogelijk te beslissen en zaken te doen met betrekking tot verkoop en invoering van de diverse modellen van het wapen. Het kon dan nog verwerkt worden in het fiscale jaar 1959.

Tijdens proefnemingen bleek dat er tijdens een duurtest op een testbaan in Aberdeen, na zeer langdurige blootstellingen aan zand / water / hitte / kou en het verschieten van 50.000 patronen een roestvrij stalen loop had losgelaten van zijn aluminium mantel. Verder maakte de Board of de infanterie al op 1 mei 1957 bekend te hebben gekozen voor de T44. Dit wapen werd als M14 ingevoerd, een type met een zwaardere loop als MIS. Het US Marine Corps wilde wachten tot het einde van het testprogramma. Amerikaanse deskundigen zei dat het wapen nog niet productierijp, bruikbaar was, maar dat het zeer vele goede zaken in zich had. De verder ontwikkeling zou volgens hen nog wel vijf jaar duren. De verschillende NATO land bleven geïnteresseerd in het wapen. Na vele gesprekken tekenden Fairchild en de Artillerie Inrichtingen, begin juni 1957, een voorlopige overeenkomst.

Op 4 juli werd in een appartement te Parijs ( Waar vroeger de in Nederland geboren, Franse actrice Sara Bernard gewoond heeft)  met gouden pen, waarin de logo’s van Fairchild en de Artillerie Inrichtingen zijn gegraveerd, het officiële 5 jarige contract getekend door Richard Botelle en Georg Sullevan  van Fairchild en Jungeling en J.A. v/d Dijke van de Artillerie Inrichtingen. Het Staatsbedrijf der Artillerie Inrichtingen mochten nu als enige de AR 10 fabriceren. (waarvan 2000 stuks binnen een jaar na ondertekening). Voor de verkoop van de wapens werden de firma’s Interarmco-Alexandrie en Sidem-Brussel verantwoordelijk. In een later stadium werd de firma Cooper Mac Donald-Baltimore hieraan toegevoegd. De gouden pen werd door Sullevan mee terug genomen naar Amerika.

De Artillerie Inrichtingen beschikte over een afdeling gereedschapsmachines en daar werd met grote snelheid gewerkt aan de productielijn voor de AR 10, die in zeer korte tijd gereed was. Een klein maar niet onontkoombaar gebeuren was dat alle tekeningen uit Amerika kwamen en de maatvoering dus in inches was. Armakte stuurde Arthur Miller naar Nederland om de Artillerie inrichtingen te helpen en op de tekenkamer werden nieuwe tekeningen gemaakt in het hier gangbare metrieke stelsel. Dit moest met zeer grote nauwkeurigheid gebeuren, want alle onderdelen van de AR 10 moesten uitwisselbaar zijn en blijven.  Op deze manier hadden ook de diverse onderdelen geen wapen gerelateerd nummer, ze pasten immers overal en altijd.

Tegen het einde van 1957 was de onderdelenproductie gereed en had men al zoveel geproduceerd dat het samenstellen van de wapens in januari 1958 kon beginnen. De door de in Amerika opgedane ervaringen werden al vanaf deze eerste productie toegepast. Een aantal wijzigingen / verbeteringen werden door de Artillerie Inrichtingen doorgevoerd. De busvormige terugstoot en vlamdemper werd verwijderd omdat het door de gewone soldaat bijna niet te doen, zo niet onmogelijke was om hem met name in het veld schoon te maken. Gevolg van deze wijziging was dat het wapen een iets grotere, maar niet onoverkomelijke terugstoot had. Verder werd de gasbuis die het gas naar de grendel afvoerde en aan de zijkant van het wapen zat, werd vervangen door een gasbuis aan de bovenzijde van het wapen en de invoer van de afsluiter werd gewijzigd en verder naar achteren verplaatst. De holle kolf met daarin ruimte voor een buisje olie en schoonmaakgereedschap werd vervangen door een sterker massiever exemplaar. Na buiten de voornoemde wijzigingen, nog wat kleinere wijzigingen aan de diverse modellen te hebben aangebracht en vele testen verder werden er door de Artillerie Inrichtingen voornamelijk voor militairen gefabriceerd. Een klein aantal semi automatische wapens was bestemd voor civiel gebruik. In totaal bedroeg de productie zo’n 9500 wapens in diverse uitvoeringen . Het aantal door de Amerikanen vervaardigde exemplaren bedroeg c.a. 600 stuks.

In 1960 was al bekend dat Fairchild Armalite ontevreden was over de vertragingen tijdens het starten van de gereedschappen en productie van de AR 10 bij de Artillerie Inrichtingen en dat zij om die redenen al besloten hadden de licentie niet te vernieuwen /verlengen.  Door dit feit en de tegenvallende verkopen en de exportbeperkingen die door Nederland werden gehanteerd, besloot de Artillerie Inrichtingen de productie van alle kleine wapens te stoppen.  Alle onderdelen, prototypen en wapen gerelateerde gereedschappen werden verkocht of vernietigd. Overige gereedschappen en machines van de productielijn werden aan Israel verkocht. Documentatie, tekeningen etc. zijn buiten wat door enkele personeelsleden “veiliggesteld” is werd weggegooid of vernietigd.

Bronnen: NMM, Fairchild, eigen archief, foto Jungeling ©P.Marcuse †,  ©PDKAIH2019

Zie ook:

Advertenties

ARTILLERIE INRICHTINGEN MAAKTEN VLIEGTUIGPROPELLERS.

In de periode 1915 – 1930 maakte de Artillerie Inrichtingen in licentie houten vliegtuigpropellers. Zij waren o.a. bestemd voor de Farman lestoestellen van de op 1 juli 1913 opgerichte LVA. Dit was de Luchtvaartafdeeling van de Koninklijke Landmacht en voorloper van de latere Nederlandse Koninklijke Luchtmacht. De LVA die in het begin alleen vloog met een gehuurde tweedekker genaamd ‘’De Brik” en over 4 in het buitenland opgeleide piloten beschikte, begonnen in 1915 met het opleiden van vrijwilligers tot militair vliegers. Eerst alleen officieren en vanaf 1916 ook lagere rangen. Aan die vrijwilligers was geen gebrek want uit alle wapen en dienstvakken melden zij zich aan om te worden opgeleid tot vlieger of waarnemer.

De Brik in Soesterberg 1913

Waar wel een grote behoefte aan was waren gevechtsvliegtuigen. De omliggende landen hadden er genoeg maar omdat de eerste wereldoorlog in volle hevigheid woedde was de toevoer van oorlogsbenodigdheden afgesneden. Maar diezelfde oorlog kwam de LVA onverwachts te hulp want de vliegtuigen van de om ons heen oorlogvoerende landen hadden nog al eens te kampen met gevechtsschade, motorstoringen, brandstofgebrek, navigatieproblemen enz. En werden daardoor gedwongen te landen op Nederlands grondgebied. De noodlandingen vonden in geheel Nederland plaats maar in Cadzand landen er wel heel vaak toestellen en die plek kreeg dan ook al snel de naam vliegtuigfabriek van Nederland.

De gelande en gecrashte toestellen werden onmiddellijk in beslag genomen, de bemanning geïnterneerd  en de toestellen gedemonteerd en overgebracht naar Soesterberg de thuisbasis van de LVA. Waar mogelijk werden deze toestellen opgeknapt en als ze te zwaar beschadigd waren werden ze ontdaan van alle nog bruikbare onderdelen. Een deel van de vliegtuigen werd gekocht en betaald en na afloop van de oorlog weer terug gegeven aan de betreffende landen. Dit was overigens niet alleen het geval met vliegtuigen maar ook schepen die in onze territoriale wateren terecht kwamen ondergingen hetzelfde lot. En zo groeide de hoeveelheid vliegtuigen van de LVA met een grote verscheidenheid aan vliegtuigen met ook nog eens verschillende motoren.

Het eerste Farman lestoestel van de LVA.

En ook voor deze toestellen en motoren maakte de Artillerie inrichtingen propellers, soms in de hoeveelheid van slechts één exemplaar. De propellers werden vervaardigd door verschillende lagen hardhout op elkaar te verlijmen en daar na in de gewenste vormen te zagen, schaven, raspen, vijlen en schuren. Was de gewenste vorm eenmaal bereikt dan werden zij voorzien van de bevestigingsgaten, gelakt / geschilderd en eventueel nog voorzien van een messing versteviging op de uiteinden van de bladen.

Het vervaardigen van een propeller bij de Hembrug.

Daarna werden de maten van de bevestiging, het jaartal van aanmaak, type van vliegtuig en motor en het Hembruglogo in de propeller gebrand. Deze laatste bewerking gebeurde in tegenstelling tot de andere bewerkingen niet altijd even zorgvuldig en daarom is het vandaag de dag niet altijd even duidelijk voor welk type motor/vliegtuig zij waren bestemd en ook het logo met jaartal was vaak onduidelijk.

Voorbeelden van het fabrieksstempel van de Hembrug

Hoeveel verschillende modellen en in welke hoeveelheden ze zijn gemaakt is helaas (nog) niet bekend. Heel grote aantallen zullen het niet geweest zijn want in 1914 bestond de Nederlandse luchtvloot uit 8 vliegtuigen en had de marine 1 Farman landtoestel. In de eerste drie oorlogsjaren kwamen er 17 in beslag genomen buitenlandse vliegtuigen bij en in de laatse twee jaar 48. Het waren 58% Duitse, 34% Engelse en 8% Franse toestellen. De Marine kreeg er in die periode 17 in beslag genomen watervliegtuigen bij waarvan 71% uit Duitse en 29% uit Engelse toestellen bestond. De totale vloot bestond na het aflopen van de 1e wereldoorlog dus uit 91 toestellen. Van de vijf onderstaande propellers is het inmiddels wel bekend voor welke soort motoren en vliegtuigen zij gemaakt zijn.

 

AEG C.IV – 160PK Benz

AEG C.IV

 

 

 

 

 

 

 

Tweebladige propeller met Stempel Hembrug 1918, MODEL AE, 160PK, BENZ SPOED 190, D266, messing beklede tips, lengte 2660 mm.

Bemanning: 2.
Lengte: 7,15 mtr.
Spanwijdte: 13,46 mtr.
Hoogte:3,35 mtr.
Vleugeloppervlak:39 m²
Leeg gewicht: 800 kg.
Max gewicht: 1120 kg.
Motor: 1 Mercedes D.III 6 cilinder, watergekoelde, inline pistonmotor van 160 PK.
Maximum snelheid: 158 km/u.
Bereik:450 km.
Klimsnelheid:2,78 mtr p/s.
Tijd tot 1000 mtr hoogte 6 minuten.
Plafond: 5000 m.
Vliegduur: 4 uur.
Bewapening: 1 voorwaarts vurende Spandau LMG 08/15 mitrailleur en 1 draaibaar opgestelde Parabellum MG14 mitrailleur, die werd bediend door de waarnemer.

bommenlast: maximaal 100 kg.

 

Farman HF.20 – 80HP Gnome

Farman HF.20 – 80HP Gnome

 

 

 

 

 

 

 

 

Twee bladige propeller, stempel Hembrug 1915, MODEL G, lengte 2500mm.

Bemanning: 2.
Lengte: 8,3 mtr.
Spanwijdte:14 mtr.
Hoogte:3,2 mtr.
Leeg gewicht: 360 kg.
Max. gewicht: 660 kg.
Motor: Gnome en Rhône stermotor 80 pk.
Maximum snelheid: 110 km/u.
Bereik:250 km.
Bewapening: 1 Lewis Mitrailleur.

 

Fokker D.VII – 160PK Mercedes

Fokker D.VII – 160 pk Mercedes

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tweebladige propeller, Stempel Hembrug 1918, MODEL AF,160PK, MERCEDES, D276, messing beklede tips lengte 2760mm.

 

 

 

 

 

 

Bemanning: 1.
Lengte:6,95 mtr.
Hoogte: 2,75 mtr.
Spanwijdte: 8,90 mtr.
Vleugeloppervlakte: 20,02 m².
Gewicht leeg: 698 kg.
Startgewicht: 850kg.
Gewicht max.: 878 kg.
Snelheid: 190 km/u.
Motor: prototype V.II Mercedes DIII, 160 PK.
Bewapening: 2 gesynchroniseerde 7,92 Spandau mitrailleurs.

 

Nieuport 11 – 80PK LeRhone

Nieuport 11 80 PK LeRhone met volledige bewapening.

 

 

 

 

 

 

 

 

Tweebladige propeller stempel Hembrug 1917, Model M, 80PK, NIEUPORT, bewerkte tips lengte 2450 mm.

 

 

 

 

 

 

Bemanning: 1.
Spanwijdte: 7,55 m.
Lengte: 5,80 m.
Hoogte: 2,45 m.
Leeggewicht: 350 kg.
Startgewicht: normaal 480 kg.
Maximumsnelheid: 157 km/u.
Motor: Le Rhône 9C, 80 pk.
Bewapening: 1 Lewis machinegeweer, en soms ook 8 kleine Le Prieur raketten (voor luchtdoelen op max 120mtr afstand (niet geschikt voor zeppelins)).

 

DFW CV – Aviatik, 224 PK Benz

DFW CV

 

 

 

 

 

 

 

 

Enkel propellerblad met naaf stempel Hembrug 1917, MODEL T, SPOED16,0 NAAF VII, 224 pk, messing vleugeltip lengte 1670 mm (in deze vorm).

 

 

 

 

 

 

Bemanning: 2.
Lengte: 7,85 mtr.
Vleugelwijdte: 13,27 mtr.
Hoogte: 3,25 mtr.
Leeggewicht: 970 kg.
Max gewicht: 1430kg.
Motor: Watergekoelde Benz Bz.IV 6 cilinder inline piston motor van 200pk of een 150pk C.III N.A.G.*
Max snelheid: 155 km/u
Max hoogte: 5 km.
Klimsnelheid: 1,27 m/s
Vliegduur: 3, 5 uur.
Bewapening: 1 x 7,92 MG08/15 Spandau propeller gesynchroniseerd machinegeweer en 1 door de waarnemer bediende, op een ring gemonteerde Parabellum MG14 machinegeweer.
Max bommenlast: 100kg.

*Dit vliegtuig was de beste gevechtsjager uit WW1 en er werden uitvoerige verbeterde prototypes vervaardigd. Deze proppeller is waarschijnlijk van zo’n prototype geweest dat nabij Waardenburg was neer gestort en was uitgerust met een watergekoelde Benz 6 cilinder inline piston motor van 225pk.

Bij Waardenburg neergestorte DWF CV Aviatik

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

©foto de Brik vliegbasis Soesterberg, de eerste Farman ANP, werkplaats Herman de Ruyter, vliegtuigen wikipedia. ©neergestort vliegtuig, stempels, propellers en verhaal PDKAIH2017. Met dank aan H.Luttmer voor tech. info.