BEGROTING ARTILLERIEBEDRIJVEN 1916

BEGROTING ARTILLERIEBEDRIJVEN

Vergadering van de Ministerraad in begin december 1915:
In Memorie van Antwoord op het afdelingsverslag, betreffende het wetsontwerp tot vaststelling van de begroting van inkomsten en uitgaven van het Staatsbedrijf der Artillerie Inrichtingen voor het dienstjaar 1916 en nadere voorziening ten aanzien van de rente, door het bedrijf aan ‘s Rijks middelen uit te keren zei de Minister van Oorlog , N. Bosboom, over:

LONEN EN TOESLAGEN

Dat het niet in het voornemen lag om aan de ambtenaren van het Staatsbedrijf der Artillerie Inrichtingen een toelage te geven voor de buitengewoon lange werktijd, wel werd aan ambtenaren van deze inrichtingen, van wie het traktement minder dan hfl. 3600 bedroeg, een maandelijkse premie toegekend, welke verband hield met de meer productie van de inrichtingen in de voorgaande maand (november 1915) in vergelijk met de productie van de inrichtingen onder normale omstandigheden.

Minister van Oorlog – N(icolaas) Bosboom

Aangezien de lonen van de werklieden in 1914 al verhoogd waren lag het niet in zijn bedoeling om deze nogmaals te verhogen.
Dat de dienst zwaar was werd niet door de Minister ontkend. Hij greep de gelegenheid ook aan om zijn voldoening uit te spreken over de toewijding en ijver waarmee het personeel onder zware omstandigheden zijn taak had verricht, doch hij vond niet dat de daaraan verbonden langere werktijd geen aanleiding gaf voor een algemene loonsverhoging. Dit omdat het loon voor elk uur overwerken al met 50% werd verhoogd.

GEEN VERLOF

Dat aan de Artillerie Inrichtingen het Taylorstelsel¹ zou worden toegepast en dat het personeel geen verlof mocht opnemen bestempelde de Minister als onjuist.
Alleen aan personeelsleden, die door de aard van hun werk niet gemist konden worden omdat bij hun afwezigheid de ongestoorde gang van zaken in het bedrijf in gevaar zou komen, werd geen verlof verleend. Voor deze dagen waarop ze in normale tijden verlof zouden hebben gehad, kregen zij 150% meer loon.
Dat de geest van het personeel in deze moeilijke tijden wel eens minder goed zou zijn, werd door de Minister ernstig betwijfeld. In tegendeel zelfs want het was bij de directie bekend, dat de werklieden uiterst content waren met het extra geld dat zij in deze dure tijden een welkome aanvulling vonden.

JAARLIJKSE LOONSVERHOGING

Een vergelijking van de lonen met die van de oorlogvoerende landen, ging voor de Minister niet op.
Het toekennen van een tijdelijke loonsverhoging, of het toekennen van gratificaties aan de werklieden, vond de Minister niet noodzakelijk. Dit vooral omdat het gebruikelijk was om met de ingang van een nieuw jaar, verhoogd werd. De verhoging van januari 1915 was gezien de tijdsomstandigheden achterwege gebleven. De verhogingen die op 1 januari 1916 in gingen bedroegen (1 tot 4 cent per uur op het normale loon voor de niet vaklieden, het opvoeren van het loon voor vaklieden tot 35 cent in Delft en tot 37 cent aan de Hembrug)

Op grond van de motieven die in het voorlopige verslag waren genoemd, zou het volgens de Minister aanbeveling verdienen, als de werklieden werkzaam in de fabrieken aan de Hembrug, in Zaandam zouden wonen. Maar hij zag ook dat er dan zeer vele met elkaar strijdende belangen in het spel zouden komen.

PENSIOENEN

Betreffende de tegemoetkoming in de kosten van verpleging van gezinsleden zei de Minister dat er in geen enkel land zoveel vrijgevige bepalingen, met betrekking op dit onderwerp zijn en hij het niet raadzaam vond om hierin nog verder te gaan.
De inhoudingen voor weduwen en wezenpensioen op de lonen van de losse arbeiders geschiedde volgens de weduwenwet voor Rijkswerklieden 1914 in verband met de wet van 18 Juli 1910 (Staatsblad nr. 109) tot regeling van de pensioenen van de mindere geëmployeerden enz. Op daggeld bij de inrichtingen van ‘s Rijks zee en landmacht.
De arbeiders die na de oorlog weer werden ontslagen, stonden ten aanzien van deze inhoudingen op dezelfde lijn met alle losse arbeiders. Op welke de genoemde wetten van toepassing waren.
Overwogen werd of het wenselijk was de wetgeving met betrekking tot dit onderwerp te wijzigen.
Van gebrek aan medewerking vanuit de directie der Artillerie Inrichtingen en het Departement van Oorlog was geen sprake.

HEMBRUG HOGER LOON DAN DELFT

Met het oog op de afgelegen ligging van de Artillerie Inrichtingen aan de Hembrug en de alle daaraan verbonden bezwaren, vond de Minister het billijk dat de lonen hier dan ook hoger waren als die te Delft. Het lag om die reden dan ook niet in zijn bedoeling om deze lonen gelijk te trekken.

VERGUNNING VOOR BEZOEK AAN BUITENLAND

De maatregel dat voor personen die bepaalde beroepen uit oefenen, de Minister een vergunning moeten vragen om het land te mogen verlaten, golden ook voor het personeel van de Artillerie Inrichtingen.
Tijdens het aanvragen van de vergunning werd er in ieder geval afzonderlijk onderzocht of er door het verlaten van het land door de betrokken persoon gevaar ontstond / of kon ontstaan met betrekking tot lands defensiegeheimen.

ONTSLAG AANGEVRAAGD

Dat de heer Muysken, voorzitter van de Raad van Toezicht ontslag had aangevraagd, had de Minister met leedwezen vernomen. Hij achtte zich niet gemachtigd om de reden hiervan mede te delen. Wel zei hij dat er tussen dhr. Muysken en de directie van de Artillerie Inrichtingen, geen verschil van inzichten bestond, die een reden voor de ontslag aanvraag zouden hebben gegeven.

©PDKAIH2019, ©foto Wikipedia

¹Taylorstelsel:
systeem van wetenschappelijke bedrijfsleiding, met het doel om uit de arbeid het hoogste rendement te krijgen, door iedereen op de juiste plaats en wijze werkzaam te stellen, alle onnodige bewegingen uit te schakelen en zodoende alle verspilling van energie te voorkomen. Het berust op een nauwgezet onderzoek van een ieders arbeidsprestatie.

Advertenties

DODE FOERIER BIJ DE ARTILLERIE INRICHTINGEN HEMBRUG

DE DOJE FOERIER VAN DUIVELSEILAND.

De wachtpost bij de Artillerie Inrichtingen aan de Hembrug was wel de eenzaamste wacht die een milicien kreeg toegewezen.

Miliciens

In elke lichting deed het verhaal de ronde dat je, als je daar op wacht stond, er voor moest zorgen dat je een pakje tabak bij je had, want elke nacht, om klokslag twaalf uur, kwam de “doje foerier” om tabak vragen.
Lang geleden zou een foerier zich daar aan het Duivelseiland hebben verdronken.
Daarom kon hij geen rust vinden en keerde hij elke nacht naar dezelfde plek terug.
De jongens die dat wachtje moesten kloppen waren dikwijls zo bang dat ze het wachtje verkochten.
Toen het de beurt was van de Waal Malefijt, in het jaar 1904, heeft hij in die eenzame nacht goed uit zijn doppen gekeken, maar de “doje foerier” heeft hij niet gezien.
Nadat de wachtpost aan de Hembrug was ingetrokken werd er niet meer over deze foerier gepraat.

Bron Spokerijen in Amsterdam en Amsteland.

DODELIJK ONGEVAL IN DE DOOFPOT GESTOPT

DODELIJK ONGEVAL IN DOOFPOT GESTOPT

Op 14 september 1984 bevond ik mij in de portiersloge van het Militair Complex Hembrug. In het vroege middaguur kreeg ik een telefoontje vanuit de legerplaats Oldenbroek,  waarin werd verzocht om met spoed doorverbonden te worden met de Complex Commandant.
Kort daarop werd ik gebeld door deze, hij vertelde mij dat er een dodelijk ongeval had plaats gevonden tijdens het door personeel van de Commissie van Proefnemingen beproeven van munitie en dat alle telefoon gesprekken met betrekking tot dit gebeuren naar hem doorverbonden moesten worden. De poort gesloten en het al het overige telefoonverkeer  en bezoekers / pers toegang geweigerd moest worden. Reden onbekend, opdracht van de Complex Commandant.
Al snel werd mij duidelijk wat er was voorgevallen. Dat dit alle onderstaande ellende zou opleveren kon niemand vermoeden.

Commissie van Proefnemingen

HET ONGEVAL

Het is rond 11 uur als de Commissie van Proefnemingen in Oldenbroek bezig is met het testen van zeven anti-personeelsmijnen (AP-23). De leider van het team, munitiedeskundige Rob Ovaa had een afvuurlijn aan de ring van het ontstekingsmechanisme  van een mijn bevestigd, hem op scherp gezet en begaf zich daarna naar de schuilbunker, waar ook de rest van het team aanwezig was. Nadat iedereen gereed is geeft hij het commando “vuur”. Er wordt aan de lijn getrokken om de mijn te laten exploderen, maar er gebeurd tegen de verwachtingen in, helemaal niets.
Het team overlegd en komt tot de conclusie dat de lijn gebroken of losgeschoten moet zijn. Nadat er enige minuten verstreken zijn verlaat R. Ovaa de schuilbunker en loopt voorzichtig op de niet geëxplodeerde mijn af. Als hij de mijn op 2 meter genaderd is blijft hij staan, kijkt naar de mijn en loopt vervolgens door. Voorzichtig knielt hij bij de mijn neer. Op het ogenblik dat hij zijn handen uitsteekt ontploft de mijn alsnog. Rob Ovaa, getrouwd en vader van twee kinderen is op slag dood.

DE OPDRACHT

Enkele uren na het ongeval belt de Directeur Generaal Personeel (DGP), Wim Bunnik de bedrijfsmaatschappelijk werker Fred Spijkers. In dit gesprek geeft hij Spijkers de opdracht om de vrouw van Rob Ovaa in te lichten en haar tijdens dat gesprek vertellen dat Rob Ovaa zelf de enige schuldige was van dit ongeval.
Spijkers weet dat dit laatste niet klopt want er heeft nog helemaal geen onderzoek naar de oorzaak van het ongeval plaatsgevonden en er daarom dus ook nog geen schuldige kan worden aangewezen.
Verder is Spijkers op de hoogte dat de uit de zestiger jaren in gebruik zijnde mijnen al eerder in opspraak zijn geweest. Van een eerder ongeval met de AP-23 mijn, waarbij zeven personen waren omgekomen en elf zwaargewond ligt het rapport tussen enkele andere in zijn bureau.
Hij werd door defensie wel vaker ingezet om schades zoveel mogelijk te beperken, maar hij wilde tegenover de weduwe Ovaa, niet liegen over het ongeluk. Omdat het niet opvolgen van een ambtsbevel bij defensie als een doodzonde word beschouwd, voert hij de opdracht uit.
Als hij de vrouw ’s avonds het nieuws brengt schudt hij opzichtig met zijn hoofd. De weduwe begrijpt deze boodschap en zal zich dan ook verzetten tegen deze gang van zaken.

De Anti Personeelsmijn (AP-23)

DE ELLENDE BEGINT

Spijkers kan zich niet verenigen met de gang van zaken en besluit de ongelukken met de AP-23 mijnen te gaan onderzoeken.
De DGP, Bunnik reageert furieus op het door Spijkers zelf ingestelde onderzoek en de door hem gestelde vragen en opmerkingen. Hij laat door de Marine Inlichtingen Dienst (MARID) onderzoeken of Spijkers kan worden aangepakt voor spionage, een zeer zware beschuldiging in de tijd van de koude oorlog. De MARID kan niets ten nadele van Spijkers vinden en het onderzoek wordt overgedragen aan de Landmacht Inlichtingen Dienst (LAMID). In een in 1986, door deze dienst gemaakt en uitgelekt geheim rapport staat dat Spijkers als een ‘politiek crimineel’ moet worden beschouwd.
Als Spijkers er jaren later achter komt vraagt hij defensie om opheldering. De landsadvocaat ( van het advocatenkantoor Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn) geeft na een eerdere ontkenning toe dat Spijkers inderdaad op politiek criminele antecedenten is onderzocht maar niet als politiek crimineel te boek staat. Dit werd door een topambtenaar van defensie met klem tegen gesproken. Spijkers vormt met zijn kennis en handelen een gevaar voor het uiterste geheime mijnendossier en is dus wel degelijk politiek crimineel verklaard.

ILLEGALE EXPORT

Als het Ministerie van Economische Zaken samen met de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) een onderzoek start naar illegale export van AP-23 mijnen is ook Spijkers weer volop in beeld en voert Defensie de druk op Spijkers om te stoppen met zijn onderzoek op.
De BVD gaat zich met de zaak bemoeien en het toenmalige hoofd van het kabinet veiligheidszaken zorgt er voor dat Spijkers enige weken in een safehouse verblijft.
In zijn voortdurende strijd met het Ministerie van Defensie wordt hij in de periode 1985-1993 begeleid door BVD medewerkster Ineke IJzerman.
Op 29 februari 1988 verklaart  IJzerman aan de psychiater Van der Post, die Spijker onderzoekt “De ernstige malversaties bij het Ministerie van Defensie zijn feiten die nog veel ernstiger zijn als Spijkers zelf weet en ook zijn angst om door de bedrijfsgeneeskundig dienst weggewerkt te worden is terecht. Men wil hem krankzinnig laten verklaren, zodat zij zijn verklaringen en aantijgingen in de doofpot kunnen laten verdwijnen”.
De DGP Bunnink gelast dat Spijkers zich psychologisch laat testen en hoop hem zo als arbeidsongeschikt zijnde te kunnen dumpen. Spijker stemt in met de test. Als deze door de Defensie arts Lankhorst is uitgevoerd verklaard deze dat Spijkers aan “paranoia, schizofrenie en waangedachten lijdt” Spijkers wordt niet alleen door Van der Post maar ook nog door drie andere onafhankelijke psychiaters onderzocht die allen verklaren dat hij niets mankeert. In 1987 luistert defensie echter alleen naar hun eigen psychiater en dumpt Spijkers.

GIP

ONDERZOEK DOOR DE GIP

Jaren later onderzocht de Mensenrechtenorganisatie Geneva Initiative on Psychiatry (GIP) de zaak Spijkers en schreef in een brandbrief aan de toenmalige defensieminister Joris Voorhoeve (VVD): ‘Wij hebben vastgesteld dat door defensie de psychiatrische rapporten zodanig werden verdraaid dat een geestelijk gezond persoon werd “veranderd” in een psychiatrische patiënt. Het medisch onderzoek van defensie is een duidelijk geval van politiek misbruik van de psychiatrie.
De minister ooit zelf een mensenrechtenactivist heeft hier nooit op gereageerd.

AANSLAG OP SPIJKERS

Op 18 juni 1989, te omstreeks drie uur, draait Spijkers in Huis ter Heide de parkeerplaats van Mac Donalds op, als hij uit zijn auto stapt wordt hij beschoten, het loopt goed af.
Spijkers doet bij de politie in Zeist aangifte van het voorval. De politie draagt de zaak over aan de Koninklijke Marechaussee. De opsporingsambtenaar Schreutelkamp die met de zaak is belast meld na enige weken ‘dat het mogelijk is dat hierbij dienstplichtige militairen van de vliegbasis Soesterberg betrokken zijn’. Bij een fotoconfrontatie herkent Spijkers vijf daders. Deze werden disciplinair gestraft en daarmee was de zaak afgedaan.
Jaren later kwalificeerde Defensie de aanslag als zijnde een kwajongensstreek.

© Mc Donalds Huis ter Heide

DOODSBEDREIGING

Spijkers moet voor zijn leven blijven vrezen.
Op 26 september 2000 word hij door de toenmalige Staatssecretaris van Defensie, Henk van Hoof (VVD) uitgenodigd om in een zaak in Waddinxveen informeel te komen dineren. Tijdens het diner stelt hij van Hoof enige vragen met betrekking tot politici en topambtenaren en toont enige voor hen zeer belastende documenten.
In 1999 had Van Hoof in een poging om het al jaren durende conflict met Spijkers voor eens en altijd uit de weg te ruimen, aan het accountants en adviesbureau Kleynveld, Peat, Marwick, Goerdeler  (KPMG) de opdracht gegeven om deze zaak uit te zoeken. De uitkomst van dit onpartijdige onderzoek zou zoals eerder afgesproken bindend zijn. De stukken die Spijkers toonde waren tijdens het archiefonderzoek van KPMG boven water gekomen.
Van Hoof reageert woedend en bijt Spijkers toe “wanneer jij deze stukken gebruikt en/of naar buiten brengt, dan heb ik ook een wapen dat voor jou absoluut en onherroepelijk dodelijk is”.
Enige dagen na dit voorval stuurt Spijkers van Hoof een brief. In deze brief vraagt hij het hoe en waarom van het dreigement.  Op 13 oktober 2000 antwoord van Hoof heel omslachtig dat, ‘hij dat met een dodelijk wapen heeft gedreigd, maar dat Spijkers dat niet zo serieus moet nemen’.
Het was overigens niet het enige wat KPMG boven tafel had gekregen. Zij schreven dat Spijkers vanaf de datum van het ongeluk (1984) door vertegenwoordigers van het ministerie van Defensie is misleid door hem tijdige, juiste en/of volledige informatie te onthouden, dan wel bewust onjuiste informatie te verstrekken’.

SCHADEVERGOEDING EN ONDERSCHEIDING

Verder werd er afgesproken dat Spijker een belastingvrije schade vergoeding krijgt van 1,6 miljoen euro. En verder moest zijn gehele defensiedossier worden doorzocht op gepleegde misdaden en daarna geschoond van frauduleuze handelingen en documenten.
En buiten dat alles werd hij Koninklijk onderscheiden.
Het klonk als het einde van Spijkers jarenlange nachtmerrie, maar niets was minder waar.

Ridder in de orde van Oranje Nassau

ALWEER EEN AANSLAG

Op zondagavond 16 februari 2003 fietst Spijkers door zijn Gelderse woonplaats als hij wordt aangereden door een grijskleurige Ford Mondeo.
Op het politiebureau verklaart hij: ‘’Het viel mij op dat van tegenovergestelde richting een auto aan kwam met of te hoog afgestelde verlichting of groot licht. ‘Plotseling zag ik dat de bestuurder van die auto zijn stuur draaide, en bijna haaks op mij af kwam gereden en zijn snelheid fors verhoogde. Ik had geen mogelijkheid uit te wijken omdat er veel geparkeerde auto’s stonden’. De auto raakte met zijn linkerzijde Spijkers, die daardoor ten val kwam en meteen tussen de geparkeerde auto’s kroop. ‘ik was doodsbang en dat men nog uit de auto zou stappen. Toen er vanaf de andere kant een auto naderde ging de Mondeo er met gedoofde lichten en hoge snelheid vandoor’
Het politiekorps Gelderland zuid zegt bij monde van de woordvoerster Monique Linthorst Homan: “de aangifte is inderdaad bij ons in behandeling geweest, wij hebben onderzoek gedaan, maar dit heeft niet geleid tot de vaststelling van verdachten. Er onvoldoende opsporingsindicatie om het onderzoek nog voort te zetten’.

ARMOEDE

Toen de Raad van Beroep het ontslag van Spijkers in 1997 had bekrachtigd, was hij werkloos en genoot dus geen inkomsten meer. Hij was onverzekerd en leefde van giften. Volgens gegevens van het UWV uit 2004 heeft hij nog recht op een wachtgeldregeling over de periode oktober 1993 t/m juni 2011. Uit onderzoek dat door Deloitte (zakelijke en financiële dienstverlening) is gedaan, is gebleken dat er bij Achmea Arbo, UWV en het pensioenfonds ABP geen stukken meer zijn die iets kunnen vertellen over de opgebouwde tegoeden, en arbeidsverleden van Fred Spijkers.
Hij verkoos het om in armoede te leven en had de schadevergoeding van 1,6 miljoen op een notariële rekening geparkeerd. Na alles wat hij had meegemaakt vermoedde hij nog een addertje onder het Defensiegras. De schadevergoeding zou zoals afgesproken vrij van belasting aan hem worden overgemaakt. Dat Spijkers het weer goed had gezien openbaarde zich drie weken later toen er een aanslag van 915.123 euro op de mat plofte.

De belastingaanslag

EN DEFENSIE?

Heeft die ook nog wat te zeggen?
Nou nee niet echt: “Defensie en de heer Spijkers hebben een streep onder deze zaak gezet. Defensie voelt zich mitsdien niet vrij over deze zaak van gedachten te wisselen.” Minister Knaap heeft ervoor gezorgd dat de stukken van het dossier Spijkers dat inmiddels uit 175 ordners bestaat tot 2026 geheim blijft.

VERBODEN LANDMIJNEN

De AP-23 was een prestige-wapen van Nederlandse makelij. De mijn werd in de jaren zestig ontwikkeld als wapen in de Koude Oorlog en had als doel de vijand effectief te doden en dat is precies wat de landmijn deed. Maar niet alleen de vijand zou slachtoffer worden van het explosief.
Als de actualiteitenrubriek NOVA in 1987 aandacht aan de mijnen en de daaraan gerelateerde ongevallen besteed wordt de Tweede Kamer wakker.
Zij geven zeer tegen de zin van staatssecretaris Jan Gmelich Meijling (VVD), de Nationale Ombudsman de opdracht om de ongevallen te onderzoeken. Zijn rapport veegt de vloer aan met de manier waarop defensie de voorschriften negeerde en noemt het misleiden van de nabestaanden ‘onthutsend’.
De eerste partij van 1002 stuks die het Zaanse bedrijf Eurometaal in 1968 aan defensie leverde werd al op 12 februari 1969 door de Kwartiermeester Generaal afgekeurd. Maar op een geheime keuringsuitslag ondertekend door kapitein A. A Sip is het woord afgekeurd doorgehaald.
Er boven staat het woord goedgekeurd geschreven.
In 1970 constateert ook de Munitie Onderzoekingsdienst (MOD) een levensgevaarlijke constructiefout aan de mijn.
De AP-23 wordt officieel verboden verklaard, maar in strijd met alle voorschriften en in het grootste geheim wordt er bij Eurometaal op grote schaal verder geproduceerd. Bovendien werd de gebrekkige mijn nog geëxporteerd toen het al lang en breed verboden was.
Waarom defensie het verbod negeerde, vertelt het rapport van de Ombudsman niet. In defensiekringen wordt als verklaring gegeven dat enkele topambtenaren een patent op de AP-23 hadden. Zij zouden zich tot ver in de jaren tachtig hebben verrijkt door de mijn toch te exporteren. Die illegale uitvoer verliep via ambassades en de Portugese munitiefabriek Extra. Het was vooral de route die via Portugal liepen en werd gebruikt als Nederlandse beleid ten aanzien van wapenexportvergunningen moest worden omzeild. De Nederlanders leverden dus aan Portugal en de Portugezen weer aan Zweedse bemiddelaars die de mijnen naar de eindbestemming brachten. Op die manier leverden de Nederlandse wapenfabrikanten decennia lang explosieven, nachtkijkers en chemicaliën aan landen als Irak en Iran die in een bloedige oorlog waren verwikkeld.
Over deze lucratieve handel mocht niets maar dan ook niets in het nieuws komen wat deze handel zou kunnen schaden en daarom verdwenen het productieverbod en de ongelukken met de AP-23 in de doofpot.

Het keuringsrapport met de wijziging door A.A. Sip

FRAUDULEUZE RAPPORTEN

Onder verantwoording van kolonel der marechaussee, Diederik Fabius werden er frauduleuze rapporten opgemaakt met als doel de slachtoffers als schuldigen aan te wijzen. In een door hemzelf geschreven en op 12 april ondertekend rapport over het ongeval dat in 1984 had plaats gevonden schrijft hij dat hij tijdens het justitieel onderzoek een tiental getuigen had gehoord en dat daaruit bleek dat de mijn prima functioneerde en dat de mijnentester Oova zelf schuldig was aan het ongeval. Een jaar eerder besloot het Hoger Militair Gerechtshof dat er twee onderofficieren niet vervolgd werden voor het feit dood door schuld. Deze uitspraak was gebaseerd op het feit dat Fabius ook hier tot de conclusie was gekomen dat de tijdens het ongeluk omgekomen instructeur geheel verantwoordelijk was geweest voor het gebeuren. De Ombudsman kraakt beide door hem uitgevoerde onderzoeken.
Meer dan een kwart eeuw na het verbod is ingesteld begint defensie met het opruimen van de voorraad AP-23 mijnen. Volgens het rapport van de Ombudsman waren er in 1997, 24.953 mijnen vernietigd en stelde staatssecretaris Gmelich Meijling de Tweede Kamer voor om de resterende, instabiele 20.000 stuks die nog in een opslagplaats in Hoogeveen lagen, per vrachtwagen naar een gespecialiseerd vernietigingsbedrijf te brengen. Of dit gevaarlijke transport werkelijk heeft plaats gevonden laat het rapport onvermeld.
Bronnen binnen defensie beweren dat de resterende mijnen te samen met andere in onbruik geraakte explosieven in 1998 uit de militaire opslagplaatsen en van de voorraadlijsten zijn verwijderd. Het transport naar Frankrijk zorgde voor grote logistieke problemen en risico’s. De explosieven zouden naar particuliere opslagplaatsen zijn gebracht. Defensie had op papier aan zijn verplichtingen voldaan en kon niet op zijn gemak gaan zoeken naar andere mogelijkheden voor de vernietiging en of het transport. Of de aantallen opgeslagen en vernietigde AP-23 mijnen kloppen of dat het om nog veel grotere aantallen gaat blijft ook nog een raadsel tot het moment dat alle stukken openbaar worden.

DE VUURWERKRAMP

De door de vuurwerkramp getroffen wijk Roombeek.

De meest geloofwaardige bevestiging van de opslag in particuliere opslagplaatsen is het verhaal van twee ervaren en op het gebied van explosieve stoffen getrainde militaire experts. Nadat op 13 mei 2000 de vuurwerkplaats van het in Enschede gevestigde SE Fireworks ontploft en de hele woonwijk Roombeek is weggevaagd, mogen zij als een van de eersten het rampgebied betreden. Tot hun grote verbazing vinden zij in de puinhopen delen van ontstekingsmechanismen van militaire explosieven, deze zijn mogelijk ook van AP-23 mijnen.

NOG MEER DOODSBEDREIGINGEN

Als ze op de dag na de ramp rapport uitbrengen worden ze onmiddellijk weggestuurd met de mededeling hun ontdekkingen vooral niet wereldkundig te maken.
In de weken na de ramp worden de hulpverleners diverse keren anoniem gebeld en met de dood bedreigd. Ook Alexander Nijeboer schrijver van een artikel in de Nieuwe Revu en het boek Fred Spijker- Een man tegen de Staat is anoniem met de dood bedreigt.

Het boek: EEN MAN TEGEN DE STAAT

In de officiële onderzoeksrapporten naar aanleiding van de vuurwerkramp worden geen meldingen gedaan over de aanwezigheid van militaire ontstekingsmechanismen. Het enige wat aan defensie gelinkt kan worden is het verwijt dat het ministerie zeer onzorgvuldig is geweest bij het verstrekken van vergunningen aan SE Fireworks.

Bronnen: Wikipedia en het boek EEN MAN TEGEN DE STAAT. ©PDKAIH2019

Naschrift: Na de ‘erkenning’ in 2002 volgde in 2010 het werkelijke eerherstel van Fred Spijkers middels een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep na een door Fred Spijkers aangespannen herzieningsprocedure. De uitspraak bevestigt dat de minister van Defensie de ‘hoofdschuldige’ is aan het ontslag van klokkenluider Fred Spijkers in 1993. Ook staat vast dat er een directe relatie ligt tussen het arbeidsconflict rondom Spijkers en diens optreden na het verongelukken van munitie-expert Rob Ovaa.

DE RAMMONITOR ‘PANTER’

De rammonitor ‘Panter’

Op vrijdag 17 september 1892 voer er in de vroege avondschemering, vanuit de richting Amsterdam, een rammonitor door het Noordzeekanaal. Ter hoogte van de eerste Hembrug keerde het schip en meerde af aan een steiger behorende tot het grote Rijks Steenkolenmagazijn.

Zr.Ms. rammonitor 2e klasse Panter (1872-1906) ©Europeana

Het schip, de Zr.Ms. Rammonitor der 2e klasse ‘Panter’ lag amper afgemeerd toen een gedeelte van de bemanning, allen voorzien van een kruiwagen, zich over de steiger naar de loods begaven en kort daarop de van een flinke lading kolen voorziene kruiwagen weer via de zelfde weg naar het schip terug reden.

Steenkool laden bij het Rijks Steenkolenmagazijn

Gedurende een kleine twee uren waren beide rijen onafgebroken bezig en toen zij stopten met het kruien, hadden ze zo’n 70 ton kolen aan boord gebracht.
Gedurende dit hele gebeuren werd het steeds donkerder, bij de eerste volle kruiwagens stonden er op beide zijden van de steiger om de twee meter lantaarns met daarin een brandende kaars.
Toen het nog donkerder werd, werd het werkterrein op de walkant, vanuit twee toestellen zo helder verlicht, dat het wel dag leek. Op het schip zelf werd een felle kalklamp ontstoken.

De werking van een kalklamp ©Wikipedia

Toen de laatste kruiwagen aan boord was, werden de trossen direct losgegooid en vertrok de ‘Panter’ een sterke straal kalklicht voor zich uitwerpend, weer richting Amsterdam.  Of de tegemoet komende schippers daar blij mee waren moet worden betwijfeld.
De gehele actie bleek achteraf een proefneming om te kijken in een hoe korte tijd er bij nacht, 70 ton steenkool kon worden geladen. Het lag in de bedoeling dat er in de nabije toekomst meerdere soortgelijke schepen hun lading steenkolen bij het voornoemde Rijksmagazijn zouden innemen.
Geraadpleegde bronnen Europeana en Wikipedia. ©PDKAIH2019

Gebruikte afkortingen

Kalklamp – een lamp waarin door middel van een vlam, een cilinder van ongebluste kalk (caliumoxide) verhit, waardoor een fel wit licht ontstaat.
Rammonitor –  Een relatief klein, laag op het water liggend,  gepantserd en van zware wapens  voorzien  oorlogsschip met een aan de boeg bevestigde ram.
Ton –  1000 kg
Zr.Ms. –  Zijner Majesteits

HET ONTSLAG VAN A.WILOD VERSPRILLE

A. WILOD VERSPRILLE

De 1e Luitenant der infanterie A. WILOD VERSPRILLE was in de mobilisatiejaren voorafgaande en gedurende de 1e wereldoorlog tewerkgesteld bij de Artillerie Inrichtingen Hembrug en daar verantwoordelijk voor het keuren van de door het bedrijf in Amerika aangeschafte Colt mitrailleurs.

M1895 Colt Browning mitrailleur

Aan het einde van deze oorlog, werd hij door de directie van de Artillerie Inrichtingen belast met het op grote schaal aanmaken van lichte mitrailleurs.
Toen het een en ander, ondanks diverse gesprekken met hem niet naar volle tevredenheid werd uitgevoerd, werd VERSPRILLE ontslagen.
Volgens VERSPRILLE was dit ontslag volkomen onterecht en hij schreef dan ook een brief naar het Departement van Oorlog met het verzoek een onderzoek in te stellen naar zijn ontslag.

DE BEHANDELING VAN HET VERZOEK

Het verzoek werd onder n°.166 op de agenda geplaatst: 166. Inlichtingen op het adres van A. WILOD VERSPRILLE, 1e luitenant der infanterie op non-activiteit, te Nijmegen, houdende verzoek een onderzoek te willen instellen naar zijn ontslag bij het Staatsbedrijf der Artillerie-Inrichtingen. (Gedrukt onder n°. 439 der Zitting 1921—1922.)

(439. 1.)

BRIEF VAN DE MINISTER VAN OORLOG

Aan den Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

’s Gravenhage, 21 februari 1922,

Ter voldoening aan het gevraagde in Uw schrijven van 11 november 1921, n°. 154, heb ik de eer U Hoogedelgestrenge het volgende te berichten omtrent het verzoekschrift van den 1e luitenant A. WILOD VERSPRILLE.

 De directie der Artillerie Inrichtingen belastte in februari 1918 den eerste-luitenant A. WILOD VERSPRILLE met de leiding en de aanmaak op grote schaal van lichte mitrailleurs, o. a. omdat deze officier gedurende zijn verblijf aan de Artillerie-Inrichtingen een uitgebreide kennis omtrent verschillende stelsels van mitrailleurs had opgedaan en hij belast was geweest met de keuring van de tijdens de mobilisatiejaren in Amerika bestelde COLT-mitrailleurs, welke keuring hij zeer tot tevredenheid van den vertegenwoordiger van het munitiebureau te New-York had verricht en waardoor hij zijn kennis omtrent de vervaardiging van mitrailleurs had verrijkt.
Voorts werd mede rekening gehouden met het gunstige oordeel, dat de directie had omtrent den technische aanleg van requestrant, in verband met diens vroeger werk bij de Wapenfabriek. Op grond van een en ander mocht de directie verwachten, dat de mitrailleuraanmaak bij meer genoemden officier in goede handen zou zijn.
De heer WILOD VERSPRILLE behoefde geenszins tot het op zich nemen der leiding te worden overgehaald; hij had bij de directie krachtig op het ter hand nemen van de mitrailleuraanmaak aangedrongen en zich geheel vrijwillig en gaarne voor de leiding van die aanmaak beschikbaar gesteld.
Dat de directie alleen de heer WILOD VERSPRILLE tot de aanmaak in staat zou hebben geacht is niet juist. Aanvankelijk werkte genoemde officier onder de bedrijf chef van de Wapenfabriek, terwijl de directie uitdrukkelijk verlangde, dat zoveel mogelijk overleg zou worden gepleegd met de beproefde speciale wapentechnici, die de voorafgegane voorbereiding en gedeeltelijke uitvoering van de aanmaak voor deze mitrailleurs op kleiner schaal hadden geleid, doch nu te zeer bezet waren met ander werk om ook met de aanmaak in het groot te worden belast.
Na het vertrek van genoemde bedrijf chef in augustus 1918 kreeg de heer WILOD VESSPRILLE geheel zelfstandig de leiding van de mitrailleurfabriek; ook daarna werd hem er meermalen op gewezen, dat hij het gewenste verband met de Wapenfabriek zoveel mogelijk in het oog had te houden.

Inderdaad werden na ongeveer een jaar enkele mitrailleurs ter oplevering aangeboden; deze bleken evenwel ongeschikt voor het gebruik, omdat zij onvoldoende werkten en de te eisen onderlinge verwisselbaarheid van de onderdeden alles te wensen overlieten.
Voorts had de inmiddels ingetreden demobilisatie gelegenheid gegeven, meer tijd en zorg te besteden aan het zoeken naar de meest doeltreffende vorm en de beste wijze van harden en afwerken van de onderdelen.
Dit had echter niets te maken met de kardinale fouten, welke, zo langzamerhand bleek, aan het werk van de heer WILOD VERSPRILLE kleefden.
De instelling van een zogenaamde keuringscommissie ten einde zekerheid te krijgen, dat aan billijke eisen beantwoorde wapens zouden worden geleverd, was niets anders dan de toepassing van de bij de Wapenfabriek steeds gevolgde regel om afgewerkte wapens te laten onderzoeken door personeel, dat onafhankelijk is van degene, die met de aanmaak daarvan is belast.
Daarbij werden geenszins zwaardere eisen gesteld dan redelijkerwijze behoord te geschieden. Trouwens, later is alles wat men indertijd van den heer WILOD VERSPRILLE ten aanzien van de mitrailleurs verlangde — en meer dan dat — bereikt geworden. Evenmin als voor andere wapens was voor deze mitrailleurs schriftelijke formulering nodig om tussen vakmensen te kunnen weten, welke eisen op redelijke wijze moesten en konden worden gesteld. Deze waren in hoofdzaak, dat de wapens behoorlijk zouden schieten en de delen onderling verwisselbaar zouden zijn. Ook nu zijn die eisen nog niet nader schriftelijk vastgelegd, zonder dat daarom iemand in twijfel verkeert hoe de wapens moeten zijn.

Lewis mitrailleur

Er is ook geen ruimte voor de opvatting alsof requestrant als bij verrassing’ voor eisen zou zijn gesteld, waarop hij niet van de aanvang af had behoren te rekenen. Schriftelijke formulering heeft hij nooit gevraagd, noch aan de keuringscommissie, noch aan de directie. Voor hem bestond verder niet de minste verplichting om zich te onderwerpen aan eisen van de commissie als die hem onredelijk zouden zijn voorgekomen. In dergelijk geval had hij zich tot de directie kunnen en moeten wenden. Afgezien wellicht van enkele zaken van ondergeschikt belang, heeft hij echter nooit meningsverschillen omtrent keuringseisen aan het oordeel van de directie onderworpen.

Wel was er herhaaldelijk een meningsverschil tussen den heer WILOD VERSPRILLE en de keuringscommissie over de vermoedelijke oorzaak van gevonden gebreken, de beste wijze om die weg te nemen, enz., doch dit was voornamelijk te wijten aan zijn streven om anderen, meer dan wenselijk zou zijn geweest, buiten de bijzonderheden van de fabricage te houden en gemaakte fouten zoveel mogelijk te verbergen. Dat hierdoor snel afleveren niet werd bevorderd spreekt vanzelf.
De voorstelling alsof het optreden van de commissie remmend zou hebben gewerkt op de goede gang van zaken is ten enenmale onjuist. Integendeel, de commissie heeft voortdurend met buitengewone toewijding getracht slechts het belang van de zaak in het oog te houden en opbouwend te werken. Het model van de mitrailleur heeft door het optreden van de keuringscommissie geen verandering ondergaan. Wel zijn, even goed als dit voor de instelling van de commissie en na het vertrek van den heer WILOD VERSPRILLE geschiedde, ook gedurende de samenwerking met de commissie kleine veranderingen, waarvan de ondervinding de wenselijkheid had leren inzien, aangebracht, als zulks met het oog op leveringstijd, kosten, enz., zonder bezwaar mogelijk was. Echter wees de directie er herhaaldelijk met veel klem op, dat de heer WILOD VERSPRILLE de volle verantwoordelijkheid bleef behouden en dat hij verbeteringen, door de keuringscommissie aangegeven, alleen dan had te aanvaarden, als hij die ook zelf werkelijk voor verbeteringen hield. Bij verschil van mening, hetwelk niet door proeven kon worden opgelost, zou de directie kunnen beslissen. Inderdaad zou door hen, die na het vertrek van de heer WILOD VERSPRILLE de fabricage tot een goed eind wisten te brengen, veel onderdeden als onbruikbaar ter zijde gelegd moeten worden. De oorzaak daarvan lag echter uitsluitend bij de eerst later in hare volle omvang duidelijk geworden onverantwoordelijke en lichtvaardige werkwijze van requestrant. Een gedeelte de afgekeurde onderdeden heeft later bij de aanmaak van exercitiemitrailleurs nuttige aanwending gevonden.

Toen de directie bij het persoonlijk nagaan van wat zij op gezag de aan haar verantwoordelijke personen gemeend had te kunnen aannemen, tot de overtuiging kwam, dat zij geen vertrouwen meer kon blijven stellen in de opgaven van de heer WILOT VERSPRILLE omtrent levertijd, prijs, enz. alsmede omtrent de door hem aangegeven oorzaken van vertragingen, oordeelde zij dat een onderzoek nodig was. Daar zij zelf te zeer door andere bezigheden in beslag werd genomen, droeg zij dit onderzoek op aan een commissie, bestaande uit de drie bedrijfschefs. Dat deze commissie van huis uit noch requestrant noch zijn werk ooit sympathiek gezind was, is een bewering, waarvoor niet de geringste redelijke grond is bij te brengen. Hoewel slechts een van deze bedrijfschefs bijzondere ervaring had van de wapenfabricage, waren allen zonder enige twijfel zeer goed in staat te beoordelen, welke fouten er aan de leiding van den mitrailleuraanmaak kleefden.
De commissie ontdekte bij haar onderzoek zeer ernstige tekortkomingen; het na het vertrek van de heer WILOD VERSPRILLE voortgezette meer gedetailleerde onderzoek heeft de juistheid van het rapport van de bedrijfschefs volkomen bevestigd. De commissie had volle vrijheid haar taak op te vatten zoals zij nuttig achtte. Dat zij den heer WILOD VERSPRILLE niet voortdurend bij het onderzoek aanwezig lieten zijn, is begrijpelijk. Zij achten zich genoodzaakt verschillende ploegbazen buiten tegenwoordigheid van requestrant te horen, omdat zij de indruk had gekregen, dat laatstgenoemde de directie en de keuringscommissie niet eerlijk inlichtte en zijn ondergeschikten er toe aanzette, gemaakte fouten te verzwijgen en te verbergen.

Op grond van vorenbedoeld rapport moest de directie tot de overtuiging komen, dat niet mocht worden gerekend op aflevering van lichte mitrailleurs in afzienbaren tijd, indien werd voortgegaan als tot dusverre; zij achtte het daarom noodzakelijk, de heer WILOD VERSPRILLE de leiding van den mitrailleuraanmaak te ontnemen. Dit besluit en de gronden daarvoor werden de heer WILOD VERSPRILLE door een van de directeuren persoonlijk in een langdurig onderhoud in zijn huis medegedeeld en toegelicht. Hem werd aangeraden gedurende 14 dagen of een maand met verlof te gaan, waarna men, in verband ook met het verdere verloop van het onderzoek naar de toestand, nader zou kunnen beslissen. Het maakte de indruk, dat de heer WILOD VERSPRILLE hierop zou ingaan.
De volgenden dag bleek echter, dat hij zich tot het Departement van Oorlog had gewend met een weinig doordacht schrijven, waarin hij beweerde, dat hem grof onrecht werd aangedaan, dat niet hij schuld droeg aan de mislukking maar de directie en de keuringscommissie, en dat de fabricage in dé war zou lopen als hij niet bleef. Hij wenste ook de leiding niet over te geven en verklaarde zijn functie als bedrijf chef te zullen blijven bekleden, totdat de beslissing van den Minister van Oorlog omtrent zijn ontheffing als zodanig zou zijn genomen.
Deze houding kan natuurlijk niet worden geduld. Het eind was, dat hem de toegang tot het terrein van de fabrieken moest worden ontzegd. Hij kwam toen terug op zijn besluit om geen gebruik te maken van het aangeboden verlof. Door deze wijze van optreden had de heer WILOD VERSPILLE zowel bij zijn chefs en kameraden als bij zijn ondergeschikten zoveel van zijn prestige ingeboet, dat het onmogelijk zou zijn geweest om hem te handhaven in enige betrekking bij de Artillerie-Inrichtingen. Daarom stelde de directie voor, hem bij zijn wapen terug te plaatsen.

De aflevering van mitrailleurs aan de korpsen, ongeveer 5 maanden nadat requestrant uit zijn functie van bedrijf chef van de mitrailleurfabriek was ontheven, is uitsluitend te danken geweest aan de ingrijpende wijziging, welke na zijn vertrek in de fabricage werd aangebracht.
Het ontslaan van losse werklieden hield verband met de. bedoeling om de in verkeerde banen geleide fabricage van verschillende onderdelen tijdelijk stop te zetten, totdat al het aangemaakte door de nieuwe leiders grondig zou zijn nagegaan; en geschift, en de nodige verbeteringen zouden zijn aangebracht.

Minister van Oorlog J.J.C. van Dijk

De beschuldiging, dat de directie bij de moeilijkheden van 1919 in gebreke zou zijn gebleven in het geven van leiding ter zake, mist elke grond. Zij heeft, zoveel het haar mogelijk was aandacht aan de mitrailleurfabriek gewijd en daarbij aanhoudend getracht de zo nodige samenwerking te verzekeren, wat haar, voor zover het de keuringscommissie betreft, ook ten volle gelukte, doch bij requestrant afstuitte op diens overdreven gevoel van eigenwaarde en zijn zucht om liever fouten te verbergen dan eerlijk naar verbetering te streven. Het waren zijn laakbare handelingen die tot gevolg hadden, dat de leiding niet altijd het gewenste effect kon hebben. Dat vele vervaardigde onderdelen als waardeloos werden afgekeurd, had kunnen worden voorkomen als requestrant volgens de bedoelingen der directie had willen samenwerken met anderen; bij de besprekingen erkende hij. dat zulks nodig was en beloofde hij, dat hij dit verder ook zou doen.
Het geldelijk nadeel, ontstaan door vervanging van het groot aantal onderdelen, moet worden geweten aan de onverantwoordelijke werkwijze van requestrant; het behoeft geen betoog dat de directie nooit zoveel delen zou hebben afgekeurd, als die behoorlijk voor oorlogswapens bruikbaar hadden kunnen worden geacht.

Zowel uit de behandeling van deze aangelegenheid vanwege het Departement van Oorlog, als uit het destijds ingestelde onderzoek door een commissie, bestaande uit 2 officieren buiten de Artillerie-Inrichtingen, omtrent verschillende onderwerpen, welke in de Tweede Kamer der Staten-Generaal ten aanzien van dit Staatsbedrijf te berde waren gebracht, is overtuigend gebleken, dat requestrant de hem opgedragen taak op zeer onvoldoende wijze heeft uitgevoerd en dat de scherpe vorm, die het optreden tegenover hem heeft moeten aannemen, gevolg is geweest van zijn eigen ondoordachte handelwijze.
Op grond van een en ander oordeelde mijn ambtsvoorganger het niet nodig, een nader onderzoek te doen instellen. Ook ondergetekende acht een nader onderzoek overbodig, terwijl hij van mening is, dat voor het geven van genoegdoening geen termen aanwezig zijn.

De Minister van Oorlog,
VAN DIJK

NOGMAALS WILOD VERSPRILLE

Wie dacht dat WILOD VERSPRILLE nu van het toneel was verdwenen heeft het mis.
Vlak voor het uitbreken van de 2e wereldoorlog had de Artillerie Inrichtingen een order voor de levering van pantsergranaten voor het Böhler PAG geschut geplaatst bij de munitiewerkplaats NV Metaalwarenmaatschappij Johan de Witt gelegen aan De Staart in Dordrecht

In stelling gebrachte Böhler PAG met op de achtergrond twee pantserwagens

Deze fabriek viel militair gezien officieel onder het DMKL, maar vanwege de order en het ter plaatse aanwezig zijn twee Böhler PAG stukken verantwoording voor deze zaken verschuldigd aan de Artillerie Inrichtingen. Bij het uitbreken van de oorlog werd er regelmatig telefonisch contact onderhouden met directeur Den Hollander van de Artillerie Inrichtingen. Deze gaf de zo verkregen informatie direct door aan het A.H.K.

Op 29 juli beantwoorde Den Hollander een brief N.M. Japikse van het Regelings Bureau van het Algemeen Hoofdkwartier die hem had verzocht om een kopie van de aantekeningen van de telefonisch doorgegeven berichten.

13 mei 1940 ± 10 uur

De Reserve Majoor voor spec.diensten A.WILOD VERSPRILLE, bedrijfsleider van de N.V. Johan de Witt te Dordrecht deelt telefonisch vanuit de fabriek dezer N.V. mede:

“In Dubbeldam zijn Duitsche pantserwagens gezien. De verdediging van de verbinding Moerdijk Rotterdam is onvoldoende sterk. De garnizoenscommandant te Dordrecht is pessimistisch gestemd”

Dit bericht werd door mij aanstonds doorgegeven aan het A.H.K.
Toestel nr. 426

Iets later

Dezelfde berichtgever deelt vanaf dezelfde plaats telefonisch mede:

“De pantserwagens welke te Dubbeldam zij gezien, zouden door de Duitsche troepen buitgemaakte Nederlandsche pantserwagens zijn. Er is ten zuiden van Dordrecht behoefte aan geroutineerde troepen onder leiding van oude, actieve officieren. Een kapitein Dokter, behorende bij een afdeling van 17 R.A. vertelde de reserve Majoor VERSPRILLE, dat zijn afdeling door Duitsche troepen gevangen genomen is na hevig vechten. Daarbij heeft zich moedig gedragen de Kapitein Tenge, die een “flink officier” genoemd werd. Onbekend is waar de krijgsgevangen Nederlanders zijn afgevoerd.
Hedenmorgen waren Duitsche troepen in het Oranjepark te Dordrecht. Ze zijn thans weggetrokken. Ondertussen zijn nog geen uur geleden 50 parachutisten bij Zwijndrecht geland.”

Doorgegeven aan het A.H.K.

Duitse parachutisten thv Zwijndrecht

12.15 uur

De Res.Majoor v. spec.diensten A.WILOD VERSPRILLE telefoneert mij uit zijn fabriek:

“Zo even is in de fabriek een soldaat binnengekomen, naam Colignon, radio telegrafist van de Genie bij de Lichte Divisie. Hij was met vier anderen belast met de bediening van een radiouitzendingsauto van de I.D. te Dubbeldam en kreeg de tussen 7 en 8 uur opdracht van kapitein Mulder opdracht de zendinstallatie van deze auto onklaar te maken en zich met de vier anderen naar het veer in Papendrecht te begeven. Ook de wielrijders, bescherming van zijn afdeling moesten weg. Op weg naar het veer werden zij aangevallen door een Duitsche patrouille die hen verspreidde. Colignon komt nu een bootje vragen om daarmee naar Papendrecht over te steken.
Ingenieur Lambeek van de fabriek Johan de Witt heeft telefonisch bericht van de Gemeente secretaris van Dubbeldam, dat enige pantserwagens, beschilderd met een zwart kruis opgerukt zijn in de richting Dordrecht. Daarachter volgt een Nederlandsche Motorafdeeling.”

Door mij doorgegeven aan het A.H.K.

14.10 uur

De Res.Majoor v. spec.diensten A.WILOD VERSPRILLE telefoneert vanuit zijn fabriek:

“De Gemeente Secretaris van Dubbeldam heeft opnieuw gebeld en gevraagd naar een vertrouwde verbinding met Den Haag. Gisteren heeft hij driemaal getracht het A.H.K. te telefoneren, doch slaagde daarin niet. De burgemeester van Dubbeldam had hem opgedragen mede te delen aan Kapt. Lagas van het A.H.K., dat hedenmorgen drie Duitsche pantserwagens, volgens de burgemeester komende uit Brabant en gevolgd door een overvalwagen Dubbeldam in de richting Dordrecht waren gepasseerd. Nederlandsche soldaten lopen in Dubbeldam rond zonder enige leiding, zonder officieren en zonder verbindingen.”

Deze mededeling is door de Re. Majoor VERSPRILLE doorgegeven aan Kapt. Van der Mark, adjudant van de Garnizoenscommandant te Dordrecht.

Door mij doorgegeven aan het A.H.K., toestel nr. 426

IETS LATER

De Commissaris van Politie te Dordrecht telefoneerde ons ter waarschuwing, dat over ongeveer een uur de Duitsche troepen Dordrecht zullen bezetten. Wij (de res. Officieren v. spec. Diensten WILOD VERSPRILLE en Lambeek) trekken ons terug in de richting Rotterdam, na overgave van het beheer van de fabriek aan onze oudste administratieve kracht Wagenaar”

Bronnen Nationaal Archief, Grebbeberg ©PDKAIH2019

GEBRUIKTE AFKORTINGEN

A.H.K.= Algemeen Hoofd Kwartier
DMKL = Directie Materieel Koninklijke Landmacht
 I.D. = Inlichtingen Dienst
PAG = Pantser Afweer Geschut
R.A. = Regiment Artillerie
Requestrant = degene die het /een verzoek doet
SD = speciale dienst

ARBEIDSCONFLICTEN BIJ DE ARTILLERIE INRICHTINGEN

Het bedrijf.

Minister van Oorlog, N(icolaas) Bosboom

Gedurende de 1e Wereldoorlog werkten er bij het Staatsbedrijf der Artillerie Inrichtingen ruim 8500 personen, het merendeel was in vaste dienst. Het andere deel bestond uit losse arbeidskrachten en dienstplichtige militairen.
     Omdat het bedrijf wapens en munitie vervaardigde, ressorteerde het rechtstreeks onder de Minister van Oorlog, N(icolaas). Bosboom. De leiding van het bedrijf lag, mede daarom in handen van beroepsmilitairen en kende als logisch gevolg daarvan een sterk hiërarchisch karakter.

Arbeidsomstandigheden.

De arbeidsomstandigheden in het bedrijf waren er ronduit slecht.
     Men werkte er zeer lange dagen, hadden slechts korte pauzes en ontvingen een in verhouding tot hun prestaties een zeer karig loon. De officieren die de leiding hadden, gedroegen zich heel onbeschoft tegenover de arbeiders. Verder dreven zij de arbeidsproductiviteit voortdurend op en indien hieraan, om wat voor reden dan ook niet werd voldaan, schroomden zij niet om het personeel te dreigen met ontslag en zelf bedachte straffen zoals het verlagen of inhouden van loon.

Stakingen.

Het kon niet uitblijven dat de werklieden zich gingen verzetten tegen de arbeidsvoorwaarden en omstandigheden waaronder zij moesten werken. En na een reeks van conflicten, barstte in augustus 1916 de bom en brak de eerste staking uit.
     De aanleidingen voor deze grote staking waren o.a. de onbeschofte behandeling, het steeds maar weer opvoeren van de productiesnelheid en het dreigen met straffen of ontslag door de officieren. Ook de lage lonen, toeslagen, onlogische indeling van de dag en nachtroosters en de hygiëne in de was en kleedlokalen maakten deel uit van hun grieven.

Werkwilligen verlaten onder begeleiding van politie en Marechaussee het station Amsterdam. 1916

De vakbond.

Op 18 april 1918 bemoeide de ABLR, (Algemeene Bond Losse Rijkswerklieden) zich met de voortdurende conflicten en riep een staking onder de losse arbeidskrachten uit.
     De aanleiding voor deze staking was de als gevolg van de mobilisatie ingestelde verlenging van de toch al zeer lange werkdagen. Van maandag t/m vrijdag bedroeg de werktijd 12 uur en op de zaterdag 10 uur. Pauzes en reistijden kwamen hier nog bovenop. Gemiddeld waren de werklieden zo’n 82 uur per week van huis.
     De eerste dag van de staking, die de belangrijkste staking gedurende ww1 in Nederland zou worden, lagen c.a. 3000 werklieden het werk neer. De tweede dag zou dit aantal oplopen tot c.a. 4500 werklieden.
     Een andere doch niet onbelangrijke reden voor de staking waren idealistische motieven, voor de ABLR en de arbeiders was het uitroepen van en het staken zelf, een middel waardoor er tegen de oorlog en de kapitalistisch ingestelde staat kon worden geprotesteerd.

Dienstplichtigen.

De commandant van de Stelling van Amsterdam, A.R. Ophorst, had er kennis van genomen dat ook de dienstplichtige militairen die bij de Artillerie Inrichtingen te werk waren gesteld aan de staking deelnamen. Hij sommeerde dat alle stakende militairen zich gekleed in hun uniform moesten melden. De militairen reageerden niet op dit bevel. Een kleine gedeelte van hen is gearresteerd en enkele anderen meldde zich pas na de staking. Het overgrote deel is simpelweg weggebleven.

Overleg.

Nadat de vakbond ABLR de militairen ( 14 a 1500 man) aanspoorde om zich te melden verschenen zij op 25 april weer op het toneel.
De ABLR had de volgende reden om de militairen aan te sporen:
1 Zij wilden het overleg met de minister van Oorlog herstellen.
Dit was op 24 april door de Nederlandse regering afgebroken omdat zij geen stakende militairen wenste te zien. Indien de stakende militairen zich tegen hun arrestatie zouden verzetten, was de regering daarom van plan om in Amsterdam een algemene staat van beleg aan te kondigen.
2 De bond wilde niet langer verantwoordelijk zijn voor de militairen.
3 De militairen hadden in tegenstelling tot de andere stakers geen bonboekjes en broodkaarten gehad omdat die waren ingetrokken.
4 Er dreigde strafrechtelijke vervolging, de krijgsraad zou de militairen voor desertie kunnen veroordelen.

Straffen voor de stakende militairen.

Generaal Majoor R.A. Ophorst. Commandant van de Stelling van Amsterdam

Commandant A.R. Ophorst, van de Stelling van Amsterdam gelastte de overplaatsing van de stakende militairen naar diverse legeronderdelen.
     De commandant bij de Hembrug negeerde dit en gelastte dat de militairen zich de volgende dag op hun werk aan de Hembrug moesten melden. De volgende dag verschenen zij in burgerkleding op hun werk. Ondanks het staken en vervolgens negeren van bevelen bleven de militairen tot ongenoegen van de stelling commandant onbestraft.

De autoriteiten.

Enige tijd later besloten de autoriteiten dat het toch een beter plan was om de dienstplichtigen over te plaatsen en werden zij naar diverse legeronderdelen die ver van de hoofdstad waren gelegen gestuurd.
     De dienstplichtigen die naar een legeronderdeel in Leeuwarden waren overgeplaatst, toonden daar hun ongenoegen door met stenen naar het hoofd van een officier te gooien. Wat niet ongestraft is gebleven.

Resultaat van de staking.

Op 23 mei 1918 eindigde de staking van de losse arbeiders aan de Hembrug. Veel van de stakers toonden zich weer werkwillig en gingen weer aan de arbeid.
     Ze hadden met de staking niets vermeldingswaardig bereikt.
Een paar dagen na de staking, in juli volgde er toch nog een klein succesje voor de stakers. De leiding aan de Hembrug verkortte de arbeidstijd met 7 uur. Maandag tot en met vrijdag werd de arbeidstijd met 1 uur per dag en op de zaterdag met 2 uur ingekort.  ©PDKAIH2019

DE 2e WERELDOORLOG EN DE ARTILLERIE INRICHTINGEN deel 4 van 4

Uit het dagboek Ir. F. Q. den Hollander 3

F.Q. Den Hollander Directeur der AI

III
Beschouwingen en conclusies.

     Hoewel het in het algemeen vermetel moet schijnen, zoo kort na geweldige gebeurtenissen van de hoogste historische beteekenis conclusies daaruit voor de toekomst te willen trekken, zoo meen ik toch dat enkele feiten of gebeurtenissen daartoe reeds nu wel aanleiding kunnen geven, al zal later herziening van dit oordeel wellicht noodig zijn.
     Te minder zal die herziening noodig zijn naarmate de conclusies uitsluitend van interne betekenis voor het bedrijf zijn; waar het contact betreft met buiten het bedrijf staande autoriteiten of personen, is het oordeel uit den aard der zaak eenzijdig.

De Vesting Holland begin mei 1940

Vesting Holland.

Ter algemeene inleiding moge worden geconstateerd, dat de ultra moderne wijze, waarop Duitschland den oorlog met ons land heeft gevoerd – geheel afwijkend van het klassieke beeld dat men zich klaarblijkelijk hier te lande daarvan had gevormd en waarbij men met name meende, dat de Vesting Holland althans gedurende zekeren tijd, een min of meer veilig  stuk grondgebied zou zijn, waar de oorlogsindustrie zou kunnen handhaven – heeft gemaakt dat van de eerste oogenblikken af het geheele leven in ons land, ja men zou zelfs geneigd zijn te zeggen dat juist in het belangrijke centrum, dat door het begrip Vesting Holland wordt omspannen, ernstig was gestoord.
     Militair beschouwd mogen dan al de strategische overvalling zijn mislukt – in zooverre dat overal krachtige weerstand werd geboden – ernstige stoornissen in het Maatschappelijk leven in ’t bedrijf, in ’t werken, traden dadelijk op.
     De ligging van de Artillerie Inrichtingen binnen de Vesting Holland; het inschakelen van de particuliere industrie  aldaar  en het overbrengen van bedrijven van de buitenprovincies naar de Vesting Holland vanwege de veiligheid en de Mogelijkheid van doorwerken in oorlogstijd is gebleken een verkeerde illusie te zijn geweest.

Ernstige stoornissen.

Uit het relaas de voornaamste gebeurtenissen I en II*1 blijkt toch duidelijk hoe ernstig de stoornissen waren en al kan niet worden gezegd, dat het bedrijf verlamd heeft gelegen, zoo is toch van regelmatig doorwerken in meer of mindere mate geen sprake is geweest.

patronen scherpe nr. 1

     Het is toch een hoogst ernstig feit, dat de aanmaak van hulzen en kogels tot scherpe patroon No. 1 te Delft op den 2e dag moest stopgezet worden; dat van het regelmatig doorwerken van het Scheikundig Laboratorium geen sprake meer is; dat het herhaalde luchtalarm aan de Hembrug maakt dat een niet onbelangrijke werkzaamheid bij het herstellen van hulzen achterwege gelaten wordt; dat het verkeer tusschen Rotterdam, waar belangrijke industrieën van ons werkten en de Hembrug vrijwel gestremd was en een belangrijk transport veiligheidshalve te ’s Gravenhage moest overnachten.
     Hoewel het telefonisch verkeer tusschen de deelen van het bedrijf niet al te veel te wenschen heeft overgelaten, was dat met de particuliere industrie vrijwel gestremd.
     Daar ook behoefte aan bepaalde soorten munitie zich eerst tijdens het verloop der gevechtshandelingen gaat afteekenen, kan men wel zeggen dat van een regelmatige productie eerst na een dag of vier, vijf geen sprake kan zijn.

Uitspraak G.T. van Dam.

G.Th. van Dam Directeur AI

  De reeds in 1924 gedane uitspraak door de toenmaligen Directeur G.T. van Dam (G.Th. van Dam)  dat “voor zoveel den aanmaak betreft, de taak der A.I. zich dient te beperken tot hetgeen in vredestijd of oorlogstijd, vóór ons land rechtstreeks in de vijandelijkheden wordt betrokken, kan worden gedaan.Wat daarna komt is een toevallige bate waarop in verband met de geringe diepte van ons land en het vliegersgevaar niet mag worden gerekend” kan op grond van de opgedane ervaring als juist worden beschouwd, al kan men er dadelijk aan toevoegen, dat de toevallige bate, zelfs in dez 4 dagen nog wel is meegevallen, dank zij het feit, dat van rechtstreeksche gevaar brengende aanvallen op de bedrijven, weinig of geen sprake is geweest.
Maar dat wist men niet van tevoren.

Luchtaanvallen en schuilpaatsen.

De bescherming tegen luchtaanvallen nader aangaande, trekt in de eerste plaats aandacht, dat niettegenstaande het mobilisatie tijdperk 8 maanden heeft geduurd, de verduisteringsmaatregelen voor de Fabriek Hembrug nog niet in orde waren.
ware dit wel het geval geweest, dan had men ’s nachts kunnen doorwerken en kunnen profiteren van de betrekkelijke rust, die tijdens de duisternis in de lucht heerste.

Bovengrondse schuilplaatsen op het terrein en bij de woningen van de Delftse Rij *2

     De schuilplaatsen bleken te ver van de werkplaatsen te liggen, in die zin dat door de groote snelheid der vliegtuigen eenerzijds en de tijd benoodigd voor het doordringen van het signaal luchtalarm, het verlaten van de werkplaats en het zich spoeden naar de schuilplaatsen anderzijds, het personeel nog niet in de schuilplaatsen was, als de vliegtuigen reeds boven de Fabriek waren.
     Zoowel te Hembrug als te Delft heeft men zich moeten losmaken van het Gemeentelijk luchtalarm en een eigen alarmdienst ingesteld, waarbij klaarblijkelijk wat meer risico werd genomen. Dit is begrijpelijk en stemt overeen met het karakter van het bedrijf.
     In of op gebouwen van het bedrijf was geen luchtafweer opgesteld. Het is aannemelijk, dat dit juist gezien is geweest, al kan niet worden, dat het ontbreken van dit geschut de reden is geweest van het niet uit de lucht aanvallen onzer bedrijven.

Bewaking en verdediging.

     De bewaking en verdediging tegen aanvallen op den grond is een moeilijk punt. Men kan van tweeërlei standpunt uitgaan, of wel de bedrijven beschouwen als een zuiver burger bedrijf en dus geen afzonderlijke militaire bewaking en bescherming nemen, of wel het bedrijf als militaire instelling beschouwen en wel afzonderlijk doen bewaken en beschermen tegen een zgn, “Coupe de – main”. Geleerd door de ervaring met parachute troepen zal men den laatste weg moeten kiezen, maar dan moet ook in vredestijd worden bezien hoe de bewaking en de bescherming moet gebeuren, hoeveel troepen en welke bewapening daarvoor noodig zijn onder één verantwoordelijke commandant, die een en ander in overleg met de Directie-organen ter plaatse regelt.
     Men moet daarvoor geen reserve off. Spec. Diensten der Artillerie gebruiken, die hun gewone taak in het bedrijf hebben en die taak toch moeten blijven vervullen  of voor een tijdelijke andere  bedrijfstaak beschikbaar moeten blijven.

Controlepost op de Hemkade 14 Mei 1940

Noodgedwongen heeft men zoowel te Delft als te Hembrug aan verschillende reserve officieren van Speciale Diensten bewakings- of verdedigingsmaatregelen opgedragen. Het oordeel over het nut daarvan is zeer verschillend; Het Hoofd van de Vestiging Delft is er zeer over tevreden; het Hoofd van het Scheidkundig Laboratorium drukt zich misprijzend uit door te zeggen; “dat aan het stelsel van res.off. voor Sp.D. onoverkomelijke bezwaren kleven. Tot de oorlogsdagen is van hen zeer veel profijt getrokken en was het Scheikundige Laboratorium in staat alle aanvragen en verzoeken op korten termijn te voldoen. Het feit echter, dat deze personen in feite militairen zijn, reduceerde hun werkkracht tot nul, toen de vijandelijkheden haar intrede deden. De omstandigheid, dat deze niet geschoolde militairen, die nauwelijks met een vuurwapen kunnen omgaan al deze dagen een verdedigingslinie op zichzelf vormden, welke in geen enkel opzicht organisch verband stond tot de bevelvoerende militaire autoriteiten moet als onjuist worden aangemerkt”.
     Dit, alsmede de uitgebreide improvisaties op dit gebied aan de Hembrug, toonden dat in de toekomst de bewaking en beveiliging te land vooraf in vredestijd oordeelkundig moet worden geregeld.

Herstellingsdienst.

     De herstellingsdienst, welke ten behoeve van het gemobiliseerde en vechtende leger was ingesteld ondervond op zeker oogenblik moeilijkheden doordat de militaire commandanten geen burgers wilden doorlaten. Deze dienst behoort een zuiver militaire dienst te zijn; opleidng van personeel, uitrusting van de noodige voertuigen enz. zou over de A.I. kunnen loopen, maar het militaire personeel hoort te ressorteeren onder een militaire autoriteit.
     Op dezelfde wijze zal ook een afzonderlijke militaire opruimingsdienst van gevaarlijke voorwerpen noodig zijn. (dit is na den oorlog trouwens min of meer geschied).

     Ten slotte valt op te merken, dat behoudens een zeer nauw contact met den D.M.L., de Directie nog van de zijde van het Departement ( C.O.W. IV Afd.b.) noch van andere militaire autoriteiten in de dagen van 10/14 Mei veel heeft bemerkt.
     Wellicht zou zich bij een langer duren van de strijd dit contact weer hebben hersteld, maar in ieder geval blijkt welk dat men in de eerste dagen van een oorlog vrijwel op zich zelf is aangewezen.
     Mede door gebrek aan telefonisch contact met de talrijke leveranciers en medewerkers in de particuliere industrie stonden de werkzaamheden bij de Technischen Aanschaffings en Voorlichtingsdienst vrijwel stil. Er viel geen voorlichting meer te geven, zoodat de vraag rijst, of de in dezen dienst verzamelde, bij uitstek militair-technische krachten in het Bedrijf (Hembrug/Delft) niet beter op hun plaats zouden geweest zijn.

     Met een woord van lof over de in het algemeen rustige, en kordate wijze waarop het personeel aan alle moeilijkheden en bezwaren het hoofd heeft geboden en in het bijzonder met een woord van waardering voor de houding van het Korps chauffeurs, dat meermalen met gevaar voor eigen leven het verband over den weg tusschen de verschillende onderdeelen heeft onderhouden, moge dit overzicht worden beëindigd.

——————–

Bronnen NIMH, Archieven.nl ©PDKAIH2019

*1 zie deel 2 en 3 van DE 2e WERELDOORLOG EN DE ARTILLERIE INRICHTINGEN elders op deze site.
*2 Delftse Rij – Omdat er in Zaandam een tekort was aan ter zake kundig personeel voor de afdeling optiek (kijkers, richtmiddelen etc.) werd er personeel van die afdeling te Rijswijk (Delft) overgeplaatst naar Zaandam. De toenmalige administrateur van het bedrijf had een plan bedacht om deze mensen te huisvesten, een aantal woningen te laten bouwen langs de aan het terrein grenzende Havenstraat. De in 1929 gebouwde rij huizen kregen naam van de adminstrateur. Het rijtje van Houtwipper. Omdat bijna iedereen het altijd had over die Delftenaren die daar in dat rijtje woonden, Werden de woningen al snel in de volksmond aangeduid als de Delftse Rij.

Gebruikte afkortingen.

A.I. – Artillerie Inrichtingen
C.O.W. – centraal orgaan weermacht
D.M.L. – dienst matrieel landmacht
enz – enzovoort
off. – officier
Res.off. – reserve officier
Sp.D. –speciale diensten
zgn. – zogenaamde

Zie ook:

DE 2e WERELDOORLOG EN DE ARTILLERIE INRICHTINGEN deel 3 van 4

Uit het dagboek Ir. F. Q. den Hollander 2

F.Q. Den Hollander Directeur der AI

IIe GEDEELTE

Bijzonderheden aangaande productie, enz.

VERBINDINGEN.

Ten aanzien van maatregelen inzake de opvoering van de productie en productie mogelijk heden om de beschikbaar stelling van materieel, munitie en verdere personeele en materieele hulp stond de Directie te ’s-Gravenhage doorlopend in goede telefonische verbinding met het bureau van den Directeur voor het Materieel der Landmacht, terwijl reeds onder I vermeld, de telex-telefoon verbindingen met fabriek Hembrug en Vestiging Delft steeds bruikbaar bleven. Andere telefoonverbindingen waren echter herhaaldelijk gestoord of geblokkeerd, zoodat de H.T.A.Vo. te ’s Gravenhage met het grootste gedeelte der binnenlandsche leveranciers geen telefonische communicatie kon verkrijgen, waardoor ook van die zijde geen technische voorlichting kon worden gevraagd, zoodat de werkzaamheden zich beperkten tot het afdoen van loopende adviezen. Uit den aard der zaak was het contact met buitenlandsche leveranciers eveneens verbroken. Afleveringen aan het bedrijf-op enkele uitzonderingen na – stonden eveneens stil.

Voorraad gereed of nagenoeg gereed.

     Het was een eisch van de eerste orde, dat materieel en munitie, hetwelk aan de Fabriek gereed of practisch nagenoeg gereed stond – al of niet gekeurd, zoo spoedig doenlijk ter beschikking van de D.M.L.  kon worden gesteld. Al deze opgaven kwamen in den loop van den 10 Mei per telex binnen en werden  onverwijld doorgegeven aan de D.M.L , of achtereenvolgens zoo noodig verder behandeld zoals hieronder zal volgen. In het algemeen werd op order van de D.M.L. de bruikbare munitie door den Fabriek ingeleverd bij het munitiepark, in regelrecht overleg met den Directeur van het Munitiepark. Naar schatting is dit pl.m. 200 ton geweest en het vervoer geschiede met 12 wagens per dag.

Beschikbare voorraad in Motorschepen.

Daarnaast werd de beschikbare voorraad van de A.I., belangrijk uitgebreid, doordat het Departement van Koloniën ter beschikking stelde 30.000 kg ledig van 4 tl. (in aanmaak bij Hofa), 32.800 kg. Buskruit tot S.P. No. 1 en 5 miljoen slaghoedjes voor patronen S. No. 1 in aanmaak bij de A.I. zelve.
     Ter verhooging van de veiligheid aan de Fabriek werd door de Directie order gegeven den fabrieksvoorraad trotyl – behoudens de behoefte voor 2 x 24 uur productie, – in te laden in schuiten en te verspreiden langs de waterkant in de omgeving en op dezelfde wijze met groote met trotyl gevulde lichamen (torpedo’s, mijnen enz.).
     Dit materieel, naar schatting ruim 200 ton, werd in twee gehuurde motorbooten de “Flora” en de “Concordia” geladen en in “Zijkanaal F” onder militaire bewaking gesteld.
     Voor het D.v.K. stond een groote hoeveelheid materieel pl.m. 200 ton, ter verzending gereed; ook dit is in een gehuurde motorboot de “Risico” buiten de fabriek gebracht, alsmede nog 60 ton aanwezige hulzen en kogels tot S.P. No. 1.

Spoedaanmaak munitie.

     Ingevolge binnengekomen berichten van militaire autoriteiten werden door de Directie op 11 Mei de navolgende orders betreffende spoedaanmaak van munitie gegeven aan H.F.:
     1. Onverwijld samenstellen van 25.000 bg.patr. 7 veld V.L bestanddeelen bij u beschikbaar.
     2. Onverwijld omlaboreeren van 2000 osbg. van 10,5 hw, tot scherpe schoten.
     3. Ten spoedigste op te leveren Mg. Kard. 7 veld V.L, lad 2 tot ten hoogste 70.000 stuks in verband met beschikbaar aantal bg No. 2.
     4. Groote behoefte aan 4 tl. Omgaand bericht:
     a. voor hoeveel patronen alle benoodigde bestanddeelen voor handen.
     b. 30.000 ledige bg. Staan bij Hofa Rotterdam gereed; laten halen, Hofa is ingelicht. (Dat zijn dus de bg. Van het D.v.K.).
     5. Nog met spoed aanmaken 75.000 slagpijpjes No, 3, verpakt à 8 stuks.
     De urgentievolgorde van den aanmaak van het bovenstaande en van verdere munitie werd vastgesteld als:
a. bg. No.3 van 7,5 tl. No.1
b. obsg. Van 10,5 hw. Omlaboreeren
c. bg. Patronen 7 veld lad. 2
d. Mg. Kardoezen 7 veld lad. 2.
e. bg. Patronen 4 tl.
f. bg. Patronen 2 tl.
g. Slagpijpjes No. 3 verpakt à 8 stuks.
h. patronen S No. 1.
I. Mitrailleurs
     Tevens werd – in verband met het niet kunnen werken der nachtploegen – wellicht ten overvloede, de aanwijzing verstrekt het daglicht tot het uiterste benutten, door te werken met elkaar overlappende ploegen.
     Aan de hand van bovenstaand urgentie programma zullen de verschillende munitiesoorten afzonderlijk bekeken worden, dus;

a. Munitie van 7,5 tl.
     De omschrijving is ruimer gesteld dan hierboven omdat zich hierbij nog enkele complicaties hebben voorgedaan.
     De tb. No.7 N.M scheen bij verschillende keuringsschietproeven niet geheel te hebben voldaan, althans wijzigingen schenen gewenscht
    Daarnaast waren Mech. tb. van het systeem Tavaro beproefd en tot een aantal 65.000 als Mech. tb. No.5 voor den vuurmond 7,5 besteld. Op 6 Mei waren hiervan 40.000 aanwezig, zonder de tempeertoestellen. De vuurleidingstoestellen waren uit den aard der zaak nog ingericht voor de tb. No. 7 N.M.
     Toen nu op 12 Mei door den O.L.Z. met aandrang naar tb. No.7 N.M. gewijzigd, werd gevraagd en de Directie daarbij aan Hoofd Fabriek opgave dagproductie vroeg, kon door dezen niet anders worden bericht, dan dat de aanmaak afhing van het gereedkomen van speciaal gereedschap voor het boren van de ligplaats van het slaghoedje. 1376 stuks ongewijzigde tb. No. 7 N.M. stonden echter geheel ingeblikt gereed – doch dit waren afgekeurde buizen.
     Daarnaast werd op den 11e Mei besproken welke wijzigingen  noodig zouden zijn in de vuurleidingstoestellen Vickers om deze geschikt te maken voor het gebruik bij de Mech, tb. No. 5.

Vuurleidingstoestel Vickers, behorend bij bat. van 7,5 cm t.l. ©NIMH

     Door Ir. Langendijk zijn gedurende den nacht van 11/12 Mei de noodige berekeningen gemaakt betreffende de veranderingen aan canoïdes en tandraderen.  Twee – niet ingedeelde – toestellen waren te  Delft. De ombouw kon daar echter niet plaats hebben vanwege de beschieting. (zie reeds eerder vermeld dat vanaf de 12e alle werkzaamheden in het gebouw aan de Julianalaan waren gestopt.) zoodat in den vroegen morgen van den 12e 1 toestel via den Haag naar Hembrug werd gebracht, waar nieuwe tandraderen moesten worden gesneden en de ombouw verder werd volbracht. Op 14 Mei te 14.00 uur was het toestel gereed; te 18.30 stond het met nieuwe munitie met mech, tb, No. 5 gereed voor het vertrek naar een der bt. van 7,5 tl.

Het lag in de bedoeling op dezelfde wijze andere toestellen om te bouwen en telkens met een partij munitie voorzien van mech. tb. No, 5 naar een der bt. te brengen. Door de op dien dag te 19.00 uur bekend geworden capitulatie is dit gewijzigde toestel met de nieuwe munitie niet meer tot zijn recht gekomen.

Een batterij met Vickers 7,5 cm t.l.


     Wat de aanmaak capaciteit betreft werd aangenomen, dat, daar van een in 1939 bestelde partij van 23.500 bg. Patronen reeds alle bg. Gevuld waren en 3000 patr. Al gereed waren, vanaf dien 14e Mei zou kunnen worden gerekend op 2000 patronen per dag, alsmede op 2000 mech. tb. No.5, waarvan reeds 4000 gereed lagen.
     Naast de vaststelling van complete Mech. tb. No. 5 waren bij Tavaro o.m. nog 60.000 uurwerken besteld voor h.t.l. aan te maken Mech. tb. No.5. Hiervan waren op 6 Mei 5000 stuks uurwerken geleverd.
     Omtrent den verderen aanmaak van projectielen van 7,5 tl berichte het C(entraal) O(rgaan) (voorziening behoeften) W(eermacht) dat bij de fa. Heijst 1000  bg. Van 7,5 tl. Gereed stonden, terwijl materialen aanwezig waren voor 13.500 bg. En die firma opdracht tot aanmaak had gekregen met een tempo van 3000 per wijk.
     Naast dezen aanmaak h.t.l. werden nog telegrafisch door bemiddeling van den Mil. Luchtvaartattaché te Londen bij Vickers besteld 100.000 schoten van 7,5 tl. en 70 kernbuizen voor 7,5 tl.

Tijd, schok en tijdschokbuizen

b. Omlaboreeren van osbg van 10 hw.
     Er waren pl.m. 2000 ossbg. Voorhanden. Het omlaboreeren werd ontijdig afgebroken, doordat op de 13e Mei order werd gegeven alle munitie (dus als osbg.) af te leveren.
     Op de 14e Mei te pl.m. 05.00 uur werd deze munitie afgehaald. Het productievermogen werd opgegeven als vanaf 15 Mei: 300 per dag

c. bg. Patronen van 7 veld V.L.
     Na de ontvangst van de spoedopdracht inzake 25.000 bg. Patronen 7 veld V.L. berichtte H.F. dat alle onderdeelen aanwezig waren, behalve kurken schijven, waarvoor een noodoplossing werd gezocht, met de verwachting over 2 dagen, dit is dus vanaf 14 Mei, 1000 patronen per dag te kunnen maken. Achteraf bleken aan de Fabriek nog 5000 stuks kurken schijven aanwezig te zijn, zoodat naar deze noodoplossing klaarblijkelijk niet verder gezocht werd.
     Intusschen werd op denzelfden dag (12 Mei) tusschenkomst verzocht de bij de Hollandschen Kurkenfabriek loopende bestelling op 5000 stuks uit te breiden tot 25.000 stuks en op bespoedigde aflevering aan te dringen. Dit is geschied en de eerste partij van 1000 stuks is op 14 Mei te 12.00 uur naar de Fabriek verzonden.
     Wat den eventueelen verderen aanmaak van projectielen betreft, deelde het C.O.W. mede, dat bij de fa. Heijst nog 800 bg. No. 2 van 7 veld gereed stonden en dat deze firma nog 6000 stuks kan maken met een capaciteit van 3000 stuks per week.

d. Mg. Kardoezen van 7 Veld lad. 2.
     Na ontvangst van de spoedopdracht werd op 12 Mei bericht, dat over twee dagen – dit is 14 Mei – 1000 Mg. Kard. Per dag konden worden afgeleverd.

e. bg.patr. van 4 tl.
     Op 12 Mei waren bij de Fabriek beschikbaar 12.000 bg. Patronen van 4 tl., terwijl vanaf 14 Mei op een levering van 1200 per dag kon worden gerekend.
     Het transport van Hofa, bevatte niet alleen dat van diverse materialen voor deze munitie en reeds vroeger besteld, dus ook de 30.000 bg. door het D.v.K. ter beschikking gesteld kwam uit Rotterdam op 12 Mei pl.m. 19.00 uur te Den Haag aan en is veiligheidshalve hier aangehouden tot den 13e Mei ’s morgens. Toen is het doorgegaan naar de Fabriek. Aangezien niet alle bg. van het D.v.K. meegenomen waren bij het 1e transport zouden deze bg. alsnog moeten worden gehaald. Dit schijnt niet meer mogelijk geweest te zijn.

f. bg patroon van 2 tl.
     Munitie van 2 tl. was tot nu toe alleen nog uit het buiteland betrokken. Wel is nog nagegaan of een beging zou kunnen worden gemaakt met de laboreering dezer patronen, doch er waren nog niet voldoende onderdeelen aangemaakt. In Zurich stonden 80.000 stuks gereed; er werd gehoopt, dat deze ons nog via Frankrijk zouden kunnen bereiken. Dit is niet het geval geweest. Wel zijn op 14 Mei te 11.00 uur nog aangekomen 5 wagens met 2 tl, munitie uit Italië, welk bericht dadelijk aan de D.M.L. is doorgegeven.

g. slagpijpje no. 3
     Betreffende de bestelde slagpijpjes nr. 3 werd op 12 Mei bericht, dat 4800 stuks waren ingeleverd, 13.000 gereed aan de A.I. en dat de productie op 5000 stuks per dag kan worden gesteld.

h. patronen S. No. 1 enz.
     Betreffende de mogelijkheid van aanmaak van scherpe patronen bericht H.F. op 12 Mei dat de productie van scherpe patronen van 7,9 (vermoedelijk patr. S. No.23) naast de No.1 bedraagt 10 à 15.000 per dag, méér is niet mogelijk. Van 12,7 patronen (Marine) is de dagproductie 5000 stuks. De totale productie kan niet meer zijn dan 50.000 bij gebrek aan onderdeelen, er zijn 10.000 stuks
gereed.
     Op 13 Mei wordt de productie mogelijkheid nader gepreciseerd als:
200.000 stuks No. 1.
15.000   “  No. 23.
5.000  “  No. 12,7 per dag.
     In herinnering wordt gebracht, dat hulzen en kogels voor patr. S. No. 1. ook te Delft werden vervaardigd, en dat op 11 Mei uit veiligheidsoverwegingen de werkzaamheden aan de patroonfabriek aldaar werden gestopt.
     Tenslotte verzocht H.F. op 14 Mei doorloopende machtiging om gereed zijnde patr. S. No. 1. Onverwijld in te leveren in de magazijnen D.v.D. om opeenhooping in de fabriek te voorkomen. Alle patronen werden licht geolied afgeleverd om klemmers te voorkomen, deze machtiging werd verleend.
     Behoudens de hierboven behandelde munitie, die in het urgentieprogramma voorkwam, is in deze dagen ook de aanmaak van andere munitie ter sprake gekomen.      In de eerste plaats eihandgranaten.
     Op 11 Mei verzocht de Directie aan H.F. opgave van de productie betreffende eihandgranaten No. 1 en 3. Wel is waar was toen nog geen aanvraag door militaire autoriteiten gedaan, doch terecht voorzag de Directie de mogelijkheid dienaangaande. Dit geschiedde ook inderdaad op 12 Mei toen door O.L.Z. met aandrang naar eihandgranaten werd gevraagd. De voorraad aan de A.I. was toen 14.000 eihg. No. 3; de productie mogelijkheid was 10.000 stuks No. 1 per dag + 4000 te verkrijgen door omwerking van halfscherpe waarvan weder 20.000 No. 1 en 27.000 No. 3 in voorraad waren.

Eihandgranaat No. 1
Eihandgranaat No. 3

In de tweede plaats munitie van 4,7.
     Hiervan lagen op 13 Mei aan de Fabriek gedeponeerd – dus gereed om te keuren – 2500 bg. patronen, de productiemogelijkheid wordt opgegeven als 300 perdag. Omtrent bpg. Patronen – toch te beschouwen als het voornaamste projectiel in den strijd tegen de gepantserde eenheden – wordt niets vermeld.

     In de derde plaats munitie van 40 mm (Marine).
     De Marine verzocht met spoed af te leveren patronen van 40 mm. No. 1 en 2.
H.F. bericht op 12 Mei dat er 3100 buizen voor deze patronen zijn, het afleveren van 3100 patronen zal een week vorderen, aangezien men bezig is met laboreeren van 40 mm. No. 3.
     Reeds in dezen korten oorlogstijd kwam het herstellen van hulzen ter sprake. Op 13 Mei bericht H.F. dat een regeling is gemaakt, dat het herstel van hulzen van 7 veld bij Verblifa te Krommenie zal geschieden, waar voor 2 banken zijn overgeplaatst. Verblifa is echter niet meer aan het herstellen toegekomen.
     Het herstellen van 7,5 tl. en 4 tl. zou geschieden aan de A.I. ; gemiddeld 50 per uur, Deze herstelling liep naar wensch, behoudens het bezwaar dat bij het vluchten tijdens luchtalarm steeds de kalibakken en de gloeiovens stopgezet moesten worden. Daardoor konden vrijwel geen hulzen worden ontlaten.

Huls bestemd voor 7 Veld

Aanmaak en herstelling infanterie wapenen.

     Betreffende aanmaak en hertstelling infanterie wapen, w.o. dus in de eerste plaats mitrailleurs, genoemd in het urgentieprogramma van de munitie onder – spoedaanmaak munitie, punt I –  , valt het volgende op te merken.
     Op 10 Mei ’s morgens stonden aan de Hembrug gereed voor verstrekking:
     35 Mitrailleurs M.08/15
     97 “                 “  M.20 en
     35 geweren t.p. waarvan 2 nog in oorspronkelijke verpakking.
     Op 12 M3i werd bericht, dat op den 13e 70 Vickers mitrailleurs (vermoedelijk Mitr.M.18 opgeboord tot kaliber 7,9) en 190 Mitr.M.20 gereed zullen zijn: verdere afleveringsmogelijkheden zijn wat betreft Mitr.M.20 over drie dagen 50, verder telkens iedere 3 dagen 50 tot een totaal van 200 stuks.
     Wat bertreft Mitr.M.8/15 in de eerste drie weken niets.
     Wat betreft  Mitr.M18 50 over één week, daarna nog twee weken telkens 50 dus in totaal 150 stuks.
     Zekerheidshalve werd nog gestipuleerd, dat deze mitrailleurs compleet met uitrusting moeten worden geleverd.

Mitrailleur M.08 op cavalerie-drievoet affuit

     Een byzondere zorg eischte nog de voorziening in den aanmaak van patroontrommels. De fa. Luyt te Krommenie vroeg o.m. op 12 Mei om uitbreiding van de order op patroontrommels, welke de voor zoover de materiaalvoorraad aan de Hembrug toeliet, op 13 Mei werd verstrekt. De fa. van der Heem uit ’s Gravenhage verzocht op den 12e Mei eveneens toezending van verschillende onderdeelen ter bespoediging van de productie. Toen deze zending op de 14e bij haar arriveerde moest uit veilgheidsoverwegingen deze zending alsmede al het materiaal, de gereedschappen en de producten nog bij de firma aanwezig, worden teruggezonden. Dit schijnt niet meer te zijn geschied.
     Het wad de bedoeling de productie bij de fa. van Luyt voort te zetten, hiervan is uit den aard der zaak  niets meer gekomen.

Draagbare wapenen.

     Wat draagbare wapenen betreft was de Fabriek bezig met den aanmaak van karabijnen No. 5 (wijziging van geweren naar karabijn). Hiervan werden er op 11 Mei 1000 stuks afgeleverd; de verdere mogelijkheid zou zijn op 14 Mei weder 600 stuks, daarna elke 2 dagen 600 stuks.

Hembrugkarabijn No. 5

Intusschen zijn op de 14e nog 800 stuks ingeleverd, tegelijk met de hiervoren genoemde, op den 13e gereedgekomen Mitr. M.20 en Vickers mitr.
     Omtrent mortieren van 8 werd op 10 Mei bericht, dat 29 stuks met uitrusting aan de Fabriek gereed stonden. Aan de uitrusting ontbraken echter nog 21 wissers en 11 schroevendraaiers. Op 14 Mei werd bericht, dat de uitrusting compleet was. Omtrent de bestemming dezer mortieren is verder niets meer gezegd.
     Tenslotte zijn op 14 Mei nog 40 mitrailleurs M. 20 voor paw. afgehaald door een officier, bekend bij de Fabriek als behoorende tot een der esk. paw.

Betreffende den aanmaak en herstelling van geschut wordt het volgende opgemerkt:

Vuurmonden van 7,5 tl.

     Van de grootte opdracht tot aanmaak van 120 vuurmonden van 7,5 tl.waren nog verschillende vuurmonden in meer of minder vergevorden staat van afwerking aan de Hembrug aanwezig.
     Op 10 Mei beschikte de Fabriek over de volgende vuurmonden:
3 stuks nog in te schieten (de No. 118, 119, en 120)
6     “     ingeschoten en gereviseerd (de No. 106, 101, 99, 98, 97 en 90)
3     “                 “          nog niet gereviseerd (de No. 93, 94 ,96)
2     “                 “           (No. 73 en 74) voorzien van klokken voor hoogte en zijdel. richting, doch zonder tempeertoestel.
     Met één aanwezig vuurleidingstoestel van Hazemeijer, waarvan de richtkijkers van uit Delft werden toegezonden en 3 gereed zijnde vuurmonden is nog één bt. van 7,5 tl. kunnen worden afgeleverd.

Vuurmonden van 7 veld.

     In aanmaak waren 20 vuurmonden van 7 veld. Hiervan waren 8 stuks te ’s Gravenhage bij de Commissie van Proefneming voor inschieten, dus nog zonder opzet of kijker. Op 14 Mei heeft de I.d.A. beslag gelegd op deze vuurmonden, wegens gebrek aan richtmiddelen was de mogelijkheid voor practisch gebruik gering. 4 Andere vuurmonden waren op den 10e Mei gemonteerd gereed, de opzetten met kijkers zouden zicht te Delft bevinden.   Door moeilijkheden met de verbinding over den weg tusschen Hembrug en Delft zijn deze opzetten niet tijdig op hun juiste plaats gekomen.
     Nog waren in herstelling 4 vuurmonden van 7 veld, welke door brand geleden hadden. Deze waren bij het begin der vijandelijkheden prachtisch gereed voor gebruik. Over twee stuks werd direct door de D.M.L. beschikt, een stuk is door een officier van den Staf der 2e Divisie gehaald en heeft na veel omwegen op den 14e te Woerden zijn oorspronkelijke bestemming bereikt; de 4e vuurmond is tenslotte op den 14e bij het 1e Depot Artillerie ;s Gravenhage aangekomen.

stuk 7 veld in Oldenbroek

Aanmaak nieuw geschut.

     Op 13 Mei werd nog een urgentieprogramma voor den aanmaak van nieuw geschut gegeven, waarvoor de materialen aan de Fabriek beschikbaar waren, n.l.:
1. 64 kernbuizen voor 4 tl. geddeltelijk door Hembrug, gedeeltelijk door Werkspoor uit te voeren.
2. Kernbuizen van 7,5 tl. uit de beschikbare materialen, waarbij autofrettage achterwege te laten.
3. Afmaken van vuurmonden 7 veld.
4. Vervaardigen van loopen voor vuurmonden van 10 veld.
5. Vervaardigen van vuurmonden van 4,7 althans van de kanonnen c.q. ter verwisseling.
     Wat de kanonnen van 10 veld betreft bericht H.F. dat het uitgesloten moet worden geacht dat deze worden klaargemaakt; de hoofdonderdeelen zijn in aanmaak bij de R.D.M. te Rotterdam, waarmee geen verbinding kan worden verkregen. Reserveloopen konden worden gemaakt; Op de 13e was een reserveloop aanwezig; te beginnen met 15 Mei zou iedere 15 werkuren een reserveloop kunnen worden afgeleverd.
     Omtrent de overige punten hierboven bedoeld zijn geen gegevens beschikbaar gekomen, uit den aard der zaak kan hier aan ook niets gedaan zijn.
     Naast deze voornaamste punten betreffende munitie, vuurmonden en draagbare wapenen trekken nog enkele op zich zelf staande feiten de aandacht.
In de eerste plaats de “herstellingsdienst”.

De Herstellingsdienst.

     Op 10 Mei ontving de afdeling T.A.Vo.H. (Afd. herstellingen van de Technischen Aanschaffings- en Voorlichtingsdienst) van de D.M.L. telefonisch een opgave betreffende: “herstellingen dringend met voorrang” met verzoek deze ter plaatse uit te voeren.
     Twee herstellingsauto’s elk bemand met een herstellingsploeg, vertrokken kort daarop van de Hembrug naar Gelderland, respectievelijk Noord-Brabant teneinde dez opdracht zoo spoedig mogelijk uit te voeren en zoo mogelijk onderweg, waar noodig service te verleenen.
     In de omgeving van Rhenen en ’s Hertogenbosch werd hun echter den verderen doorgang geweigerd, daar de militaire commandanten strenge orders hadden geen burges door te laten tot de strijdende legers.
     De herstellingsploegen kwamen – nadat zij telefonisch nadere instructies hadden gevraagd – op 11 Mei onverrichtterzake aan de Fabriek terug. Hiervan werd de D.M.L. in kennis gesteld, die verzocht nadere opdrachten af te wachten, daar de toestand eerst moest consolideeren. Intussen werden nog 5 fordauto’s aangeschaft en met spoed ingericht tot herstellingsauto.

Ford vrachtwagen

Mitrailleurs.

     Ten behoeve van de herstelling van mitrailleurs en draagbare wapenen was – reeds in vredestijd – de inrichting van twee mitrailleur herstelwerkplaatsen voorbereid en wel te Waalsdorp en Overveen. Deze waren reeds in de aan den oorlog voorafgeganen mobilisatietijd ingericht en in werking gebracht.
     De mitrailleur herstelwerkplaats Waalsdorp werd reeds in den nacht van 10/11 Mei, verlaten, daar zich gevechtshandelingen in zijn nabijheid afspeelden.
     In den loop van den 11e Mei werd alles zoo goed mogelijk overgebracht naar een leegstaand fabriekspand in de Lekstraat te ’s Gravenhage; de herstelwerkplaats is niet meer in werking gekomen.
     In de mitrailleur herstel werkplaats Overveen kwamen geen aanvragen tot herstelling binnen, zoodat deze inrichting in dezen korte oorlogstijd niet tot haar recht gekomen is.

Hulpverlening van algemeene aard.

In de tweede plaats “hulpverlening van algemeene aard”. Te ’s Gravenhage werd bij de T.A.Vo.M. (afdeeling munitie van den Technische Aanschaffings- en Voorlichtingsdienst) herhaaldelijk bericht ontvangen van neergekomen projectielen, na onderzoek bleek dit in de meeste gevallen de eigen buis van eigen luchtdoel munitie te zijn.
     Eenmaal werd een Duitsche handgranaat, afkomstig van een parachutist onderzocht.
     Een paar maal werd er een beroep gedaan om ongesprongen projectielen onschadelijk te maken. Bij gebrek aan personeel en springmiddelen werd een en ander overgedragen aan de C.v.P.
     Nog ontving de Directie een vraag van den Chef van de fabriek Hapam (Amersfoort) om 30 ton koper te vervoeren en wat met machines van Defensie gedaan moet worden. De Directie liet de fa. weten dat het vervoeren van het koper met de militaire autoriteiten ter plaatse geregeld moest worden en dit koper zoo mogelijk naar de Hembrug moest worden gebracht.
     De machines moeten bij naderen van den vijand onklaar worden gemaakt.
     Te Hembrug werden eveneens talrijke verschillende vragen en aanbiedingen gedaan.
     In den vroegen morgen van den 10e  bood de fa. Luyt, te Krommenie een fabrieksgebouw van 2000 m2 oppervlakte als opslagplaats materieel aan. Dit aanbod werd aan de  D.M.L. doorgegeven, die hierover ten behoeve van het Munitiepark beschikte.
     Klaarblijkelijk vroegen de troepen commandanten herhaaldelijk materieel en munitie rechtstreeks aan de Fabriek; de Directie zag zich genoodzaakt er op te wijzen dat dergelijke vragen naar den D.E.V. dienen te worden verwezen.

Explosieven voor vaartuigen en bruggen .

     3 Onderofficieren – vuurwerker werden op de 10e Mei te 23.00 uur naar de Oranjesluizen gezonden, waar eventueel vaartuigen zouden moeten worden tot zinken gebracht en waarbij deze personen advies zouden moeten geven.
     Ook werd personeel gezonden naar Spanbroek om ladingen onder bruggen aan te brengen.
In de omgeving van de Fabriek werden neergevallen projectielen door deskundig personeel onschadelijk gemaakt.
     Te Delft werden ook herhaaldelijk aanvragen van troepencommandanten om materieel en roepen te ontvangen, waarvan uit de aard de zaak niet kon worden voldaan.
     Op verzoek van militaire commandanten werden den 13e auto’s beschikbaar gesteld voor het maken van barricades, terwijl een 10 tons oplegger voor het vervoer van troepen werd beschikbaar gesteld.
     In de onmiddellijk op de oorlogsdagen volgende dagen hebben e brandspuiten met wisselploegen en de ziekenauto met volledige bezetting met succes deelgenomen aan het reddingswerk in het zoo zwaar geteisterde en voor een groot deel verwoeste Rotterdam.
Bronnen NIMH, Archieven.nl ©PDKAIH2019

Gebruikte afkortingen.

2 tl – 2 cm granaat tegen luchtdoelen
4 tl – 4 cm granaat tegen luchtdoelen
7 veld – vuurmond voor 7,5 cm granaten
10,5  hw – 10,5 cm houwitzergranaten
Affuit – onderstel van een vuurmond
Autofrettage
het genereren van een zeer hoge continue spanning rond de loop van een wapen deze spanning compenseert de belastingen die optreden tijdens het afvuren.
bg – stalen slank model brisantgranaat
bg . No.2 – stalen slank model brisantgranaat met lading No.3
bpg – brisante pantsergranaat
bt – batterij (een groep vuurmonden)
Canoïdes – oliën (o.a. hennepolie)
C.O.W – centraal orgaan weermacht
c.q – Casu Quo (in dit geval)
C.v.P – commisie van proefnemingen
D.E.V -???
D.M.L – dienst materieel landmacht
D.v.D – departement van defensie
D.V.K – Departement van Koloniën
eihg – eihandgranaat
Esk.- eskadron
H.T.A.Vo. – Hoofd Technische Aanschaffings- en Voorlichtingsdienst (van de AI).
H.F. – hoofd fabriek
h.t.l. –  het tegen luchtdoelen
hw – lang
I.d.A – ???
Kard – kardoes
lad – lading
Lad 2 – verminderde lading
n.l. – namelijk
Mech. tb. – Mechanische tijdbuizen
M.g – magnesium
O.L.Z. – opperbevelhebber land en zeemacht
osbg – oefenspringbrisantgranaat
patr – patroon
paw. – pantserwagens
pl.m – plusminus
R.D.M. – Roterdamse droogdok maatschappij
S No.1 – scherpe patronen voor geweer/karabijn
Slagpijpjes No, 3 – ontsteker voor projectielen
T.A.Vo.H – Technische Aanschaffings- en Voorlichtingsdienst (afd/) Herstellingen.
T.A.Vo.M – Technische Aanschaffings- en Voorlichtingsdienst (afd/) munitie.
tb No. 7 NM – tijdbuis no. 7 nieuw model
Tempeertoestel – gereedschap om een mechanische schokbuis op een projectiel te schroeven en in te stellen op direct exploderen bij contact met de grond, of op exploderen met een tijdvertraging.
tl – tegen luchtdoelen
tp. – tegen pantser
vl – verminderde lading
vuurmond –  loop, schietbuis van een zwaar kaliber wapen (kanon)


    

BUSKRUITAUTO AI AANGEHOUDEN

CONTROLE DOOR DE CCD

Op zaterdag 13 maart 1943, hield de Marechaussee samen met de ambtenaren van de Centrale Controle Dienst (CCD, opvolger van de een door de overheid in 1934 ingestelde Crisis Controle Dienst) een controle in de Wieringermeer. Zij hadden voornamelijk tot taak de zwarte handel in schaarse goederen en voedsel ( hamsteren, prijsopdrijving, smokkelen, sluikhandel en frauduleuze slachtingen) te bestrijden. Het was de ambtenaren al eerder opgevallen dat er regelmatig een auto van de Artillerie Inrichtingen, voorzien van het opschrift “BUSKRUIT” door de polder reed. Toen zij ditmaal de wagen zagen naderen besloten zij om hem toch maar eens aan een inspectie te onderwerpen.

Stopbord CCD

Dat bleek al spoedig een voor hen juiste beslissing want toen de vracht aan een nader onderzoek werd onderworpen, bleek deze te bestaan uit 40 mud (2800kg) tarwe en 5 mud (200kg) aardappelen. De chauffeur en zijn collega werden onmiddellijk in verzekerde bewaring gesteld en aan een verhoor onderworpen. Hieruit bleek dat zij al vaker tarwe hadden vervoerd naar de Artillerie Inrichtingen aan de Hembrug en dat dat daar onder het personeel werd verdeeld. De tarwe was afkomstig van boeren die het tijdens het dorsen onder het stro hadden achter gehouden. Dit met medeweten van de Dorscontroleur die door dit voorval natuurlijk ook opgepakt werd. Hoe het verhaal verder is afgelopen is niet bekend maar het is haast wel zeker dat de controleur een zware pijp te roken heeft gekregen. ©PDKAIHembrug

DE 2e WERELDOORLOG EN DE ARTILLERIE INRICHTINGEN Deel 2 van 4

Uit het dagboek Ir. F. Q. den Hollander 1

Het dagboek

Op 1 juni 1940 beantwoorde de directeur van het Staatsbedrijf der Artillerie Inrichtingen, Ir. F.Q. Den Hollander, een schrijven dat hij op 24 mei 1940 had ontvangen van de O.L.Z.1.

De brief.

“Naar aanleiding van Uw brief van 24 Mei 1940, Afd. Landmacht Sectie I  b Nº 172 A Geheim, doen wij Uwer Excellentie hierbij toekomen een opgave van berichten van het A.H.K2 ontvangen in het tijdvak 10/14 Mei.
Voorts deelen wij U mede, dat dezerzijds reeds aanwijzingen waren verstrekt om een beknopt overzicht samen te stellen van de gebeurtenissen in voormeld tijdvak bij de Directie, de Fabriek Hembrug en de Vestiging Delft.
Na voltooiing van dit werk zullen wij U het overzicht – tot een door U te bepalen aantal exemplaren – toezenden”.

De bijlage.

opgave van berichten, ontvangen van het A.H.K. in het tijdvak 10/14 Mei 1940

11 Mei. Telefonisch, tijdstip van ontvangst niet genoteerd.

De O.L.Z. verzoekt:
1e ± 2000 onbg. van 10,5 hw. Te doen omlaboreeren in scherpe schoten. Wanneer klaar?
2e 25.000 bg. Patronen verminderde lading van 7 veld te doen aanmaken.

12 Mei. Telefonisch, tijdstip van ontvangst niet genoteerd.

De O.L.Z. vraagt met aandrang naar tb. Nº 7 H.N. gew. en naar eihandgranaten.Overigens zijn van het A.H.K. geen bevelen of berichten bij de Directie der Artillerie Inrichtingen binnen gekomen”.

1 O.L.Z. =  Opperbevelhebber van Land en Zeemacht
2 A.H.K. = Algemeen Hoofd Kwartier

Het toegezegde overzicht.

BEKNOPT OVERZICHT VAN DE VOORNAAMSTE GEBEURTENISSEN IN DE DAGEN VAN 10 – 14 MEI 1940.

     Het hieronder beknopt overzicht is samengesteld met behulp van de berichten, door de Hoofden van de verschillende onderdelen van het bedrijf ingediend, terwijl tevens de van de Directie uitgaande telexberichten zijn geraadpleegd.
Voor een goed overzicht en ook om te trachten het belangrijke van het minder belangrijke te scheiden zijn in het 1e Gedeelte slechts algemeene zaken, betrekking hebbende op het personeel, de veiligheid, de algemeene werkgelegenheid enz. opgenomen, in het 2e Gedeelte n.m.m.3 het belangrijkste omdat daaruit eventueel leering voor de toekomst valt te trekken – zijn meer bijzonderheden vermeld aangaande productie en productiemogelijkheden in deze dagen, alsmede aangaande hulpverleening enz. buiten het bedrijf en contact met de particuliere nijverheid, terwijl in het derde gedeelte is getracht enkele beschouwingen en conclusies uit de gebeurtenissen vast te leggen.

3 n.m.m. = namens mijn mening

1E GEDEELTE
A l g e m e e n e  Z a k e n.

Zooveel mogelijk met inachtneming de chronologische volgorde worden achtereenvolgens de gebeurtenissen te ’s Gravenhage, Hembrug en Delft in het kort vermeld.

’s Gravenhage.

a.   Te ’s Gravenhage werden de noodige aanwijzingen verstrekt om alle kantoorgebouwen doorlopend bezet te houden, zoowel met het oog op het geven van en ontvangen van telefonische orders als met het oog op het doorlopend bedrijfsvaardig zijn der brandploegen en van het personeel belast met het vervoer.
     Door het hoofd van de Afdeeling Brandweer werden onverwijld alle brandbluschmiddelen in de verschillende gebouwen geïnspecteerd en waar noodig nadere voorlichting aan het personeel gegeven. Alle bluschmiddelen en de gereedschappen voor den luchtbeschermingsdienst werden in goede staat aangetroffen.
     De noodige verduisteringsmaatregelen en maatregelen tot bescherming der ruiten werden genomen.
     H.T.A.Vo.4 deed in verband met een op het Malieveld opgestelde batterij luchtdoelgeschut, de naar die zijde gekeerde lokalen van het gebouw Prinssese(n)gracht 19 ontruimen.
     In het bijzonder bij de Hoofdadministratie werd gelast de dosiers en boeken zooveel mogelijk in stalen kasten opgeborgen te houden, alléén het hoog noodige mocht op de schrijftafels blijven liggen; belangrijke dossiers werden, met het oog op een eventueele ontruiming, bij de hand gehouden.

4 H.T.A.Vo. =  Hoofd van de Technische Aanschaffings- en Voorlichtingsdienst (van de Artillerie Inrichtingen).

Het pand van de Artillerie Inrichtingen aan de Prinsessegracht 19 te ’s Gravenhage

In het Directiegebouw Lange Voorhout102, werd de  radio doorloopend bezet; alle berichten werden stenografisch opgenomen en uitgewerkt.
     Per telex-telefoon werd op alle heele uren verbinding opgenomen met de fabriek en op alle halve uren met de Vestiging Delft teneinde byzondere gebeurtenissen te vernemen en berichten uit te wisselen. Deze verbinding is nagenoeg doorlopend, nacht en dag bruikbaar gebleken.
     De opkomst van het personeel, werkzaam op diverse kantoren  te ’s Gravenhage , was voor Zoover aldaar woonachtig normaal te noemen. Verschillende personen, woonachtig buiten ’s Gravenhage, konden door plaatselijk vervoer, hun bestemming, niet, niet altijd, of althans niet dan met groote vertraging bereiken.
     Ook in de stad zelve werd door  de veelvuldige controle op straat veel oponthoud ondervonden, waardoor het personeel vaak te laat kwam. Dit gaf aanleiding tot een wijziging in de kantooruren, waarbij de koffiemaaltijd in de kantoorgebouwen werd gebruikt.
     De werkzaamheden aan kantoorgebouwen werden allen en dan ook herhaaldelijk gestoord door het in de Gemeente gegeven “luchtalarm”. Bij dit alarm moest het personeel zich hetzij in de schuilkelders in of buiten de gebouwen, hetzij in de lokalen of gangen gelijkvloers, bevinden.
Op den duur werd de reactie op het groot aantal malen, dat alarm gemaakt werd, minder.
     Ter vermijding van ongevallen bij te groote opeenhoping van personeel werden de bovenste twee verdiepingen van het Directiegebouw Lange Voorhout 102 ontruimd en het personeel ondergebracht in lokalen van het gebouw van de Octrooiraad, Willem Witsenplein. De verhuizing bracht natuurlijk stagnatie in den dienst mede. Even eens werden naar dit gebouw overgebracht diensten uit een der andere gebouwen, n.l. Prinssessegracht 6a, hetwelk door de in de nabijheid ingeslagen bommen tijdelijk onbewoonbaar was geworden.
     De houding van het personeel was – nadat de eerste ernstige schok van den plotseling ingetreden oorlogstoestand was verwerkt – rustig en beheerscht, het werk werd, niettegenstaande de veelvudige stoornissen met nauwgezetheid en groote plichtsbetrachting verricht.
     In overleg met de Directie werd door de Hoofdaministrateur bepaald, dat voorloopig geen rekeningen zouden worden betaald; aan de arbeiders werd een voorschot op het loon verstrekt, aangezien niet gerekend kon worden op normale geldtransporten in de eerstkomende dagen. Op den 14e Mei werd aan de ambtenaren het salaris voor de maan Juni uit betaald.

b.     Te Hembrug werd door den E.A. ambtenaar reeds te circa 4.00 uur van den 10e Mei waargenomen dat zich in de omgeving een luchtgevecht afspeelde waarop het signaal “luchtalarm”werd gegeven, waardoor de nachtploeg, dankzij een toevallig den vorigen dag gehouden oefening, in zeer korten tijd in de schuilplaatsen was.

Op het terrein bevonden zich ook bovengrondse schuilplaatsen (Zie bij X)

Personeel.

      Na gewaarschuwd te zijn besloot het Hoofd van de fabriek Hembrug de nachtploeg zekerheidshalve onverwijld naar huis te zenden, behoudens het daaruit aangewezen personeel voor de luchtbeschermingsdienst.
     Maatregelen werden genomen om het van de dagploeg opkomende opzichtvoerend- en werkliedenpersoneel te waarschuwen, dat dien dag slechts enkele fabrieksafdeelingen zouden werken, in het bijzonder de laboreerwerkplaatsen. Dit Personeel werd per boot naar de Fabriek gebracht. Later op de dag werd per radio bekend gemaakt, dat het geheele personeel op 11 Mei de arbeid zou hervatten.
     Van het op den eerste dag opgeroepen personeel ter sterkte van ruim 800 man hebben intusschen slechts rond 450 man aan dezen oproep gehoor (kunnen) (ge)geven. Op den volgenden dagen was de opkomst van het personeel heel normaal te achten.
     In verband met het luchtgevaar werd besloten, des nachts niet te werken, voordat de geheele fabriek afdoende zou kunnen worden verduisterd, waartoe direct met een ploeg van ruim 100 man, later uitgebreid tot pl.m 150 man werd begonnen.
     Het is in het tijdvak 10 – 14 Mei niet meer gekomen tot nachtarbeid; de daguren waren van 7,30 – 18,30 uur.
     Het werk werd herhaaldelijk door luchtalarm gestoord.
     Aangezien het van het meesten belang was, dat de Fabriek bleef doorwerken werd het alarmeeren beperkt tot die gevallen, waarbij het aantal en soort der vliegtuigen een opgezetten aanval deden verwachten. Het aantal alarmeeringen is hierdoor gering gehouden en was veel geringer als die in de Gemeente Amsterdam zelve. Meldingen werden zoowel van de luchtmachtdienst Amsterdam als van den C(entrale).Luchtverdedigingsdienst Amsterdam verkregen, terwijl bovendien nog eigen uitkijkposten waren uitgezet, welke geinstrueerd waren in zake de kenmerken van vijandelijke toestellen. Het eigen alarmsysteem heeft naar behooren gefunctioneerd; de vluchttijd was in den aanvang veel te groot, doch werd later aanzienlijk korter. Toch bleef de in verhouding tot de snelheid van doorkomen der meldingen en de vliegsnelheid der vijandelijke toestellen te groot.

Geneeskundige dienst.

     Terstond na het uitbreken van de vijandelijkheden werd de geneeskundige hoofdpost overgebracht naar den daarvoor ingerichte schuilkelder, waarvan de inrichting alleszins heeft voldaan.
     Door de I.G.D.L.5, werden 2 officieren van gezondheid, ter versterking van het geneeskundig personeel, gezonden. Deze zijn eenige dagen na het staken van vijandelijkheden weder vertrokken.
     Behalve het voorzien van enkele schot- en scherfwonden van militairen, die vanaf het front onderdeelen en munitie kwamen halen en in eenige verwondingen door het aanschieten van een auto bij het Pontveer ontstaan, is geen verdere geneeskundige hulp noodig geweest.
     Ten behoeve van een eventueel transport naar Amsterdam werden 2 motorhospitaalschepen ingericht, 1 vaartuig van de A.I. met 30 bedden en 1 ingehuurd vaartuig met 65 bedden.

5I.G.D.L = Inspectie Geneeskundige Dienst (Koninklijke) Landmacht

Fabrieksbewaking en verdere veiligheidsmaatregelen.

     Het detachement infanterie, 1 onderofficier, 1 korporaal en 22 manschappen, in normale tijden reeds aanwezig voor bewaking van het terrein in en om de fabriek, bezette met eenige mitrailleurs enkele posten in en om de fabriek ter directe beveiliging tegen parachutisten en laagvliegende vliegtuigen.
     Aangezien het aantal bezette posten voor een afdoende bescherming te gering werd geacht, werd versterking gevraagd aan den Garnizoenscommandant van Amsterdam.
     In afwachting van de komst van deze versterking werden reserve-officieren voor Speciale Diensten tijdelijk aangewezen voor de bezetting van eenige posten, terwijl de diensten van deze officieren werd ook gebruik gemaakt voor het bezetten  van den commandopost, voor de controle van autos bestemd voor de fabriek, bij het handhaven van de orde op de posten en bij de ingang van de Fabriek bij den aanvang van den werktijd.

Aangezien buiten een versterking met 16 marechaussées geen verdere uitbreiding van het bewakingsdetachement te verkrijgen was, werden door hoofd Fabriek. Ten einde de bewaking en de verdediging aan redelijke eischen te doen beantwoorden, pl.m. 150 dienstplichtigen behoorende tot het werkliedenkorps en met industrieel verlof zijnde, in dienst teruggeroepen.
     Naast de directe bewaking en verdediging van de Fabriek moest nog worden voorzien in de bewaking van schepen, geladen met ontplofbare stoffen en loodsen met materieel, alles liggende buiten het fabrieksterrein.
     In de namiddag van 13 mei kwam een detachement infanterieter sterkte van 1 officier en 60 manschappen ter bewaking van de Hembrug, den spoorweg en het terrein ter weerszijden van d spoorweg, voor zoover ten N(oorden). Van het Noordzeekanaal gelegen.
     Uiteindelijk werd er derhalve op 14 Mei beschikt over het volgende militaire personeel:
     1 onderofficier, 1 korporaal met 22 manschappen infanterie vat bewakingsdetachement.
     16 leden van het korps Koninklijke Marechaussee.
     1 onderofficier en 10 manschappen uit Zaandam.
     4 dpl. Wachtmeesters der artillerie.
     29 beroepsofficieren en reserve-officieren voor Speciale Diensten.
     5 dpl. sergeanten-vuurwerkers.
     4 dpl. onder-officieren en korporaals in opleiding voor vuurwerker en opzichter.
     150 dpl. van het werkliedenkorps.
     De militaire bewaking stond onder commando van Majoor van Erpenbeek de Wolff.
Daadwerkelijker aanvallen op de Fabriek, zoowel vanaf de grond al vanuit de lucht, zijn uitgebleven.
     Verliezen aan personeel en beschadiging aan materieel, gereedschappen en outilage door óóvijandelijk ingrijpen, derhalve geene, terwijl op een telefonische vraag van Hoofd Fabriek of bij vijandelijke nadering zelf de noodige vernielingen mochten worden uitgevoerd door de Directie ontkennend werd beslist.

Delft.

     Te Delft werden op de 10e Mei reeds te 3.30 uur groote formaties Duitsche vliegtuigen waargenomen. Het vliegveld Ypenburg werd aangevallen, terwijl rondom Delft o.m. de Kleiweg, in den Wippolder en aan de Schie, parachutisten waren neergekomen.
     Om 6.00 uur was het mogelijk eenigzins een overzicht van den toestand te verkrijgen. Hierbij bleek dat het terrein aan de Schie niet meer bereikbaar was, de laboreerwerkplaatsen waren in Duitsche handen, de reserve 2e Luitenant van Speciale Diensten Ir. Capel, was gevangen genomen.
     De gebouwen aan de Julianalaan lagen onder vuurbereik, zoodat het verblijf aldaar slechts mogelijk was in de ruimten, welke van de Wippolder afgekeerd waren.
     Het werk aan de v.m. Constructie-werkplaatsen aan de Hooikade en in de Werkplaatsen aan het Koningsveld werd op normale wijze aangevangen en voorgezet. Op het Koningsveld werd met ons personeel de houtvoorraad van de firma ’t Mannetje’, welke een gedeelte van de gebouwen aldaar in huur heeft, naar een naburig gelegen voetbalveld overgebracht.
Aan de Julianalaan waren de voor ons personeel aangelegde schuiltunnels in gebruik genomen door personeel van de Nederlandsche Weermacht, waardoor deze voor ons niet meer bruikbaar waren. Als schuilplaats werd een der kelderlokalen bestemd, hetgeen als zoodanig echter niet was ingericht.
     Het te Delft wonende personeel kon de Julianalaan bereiken. Het van elders komende personeel werd dikwijls door de omstandigheden gedwongen tot verzuim.
     Nadat het bericht was ingekomen dat de toestand aan het Koningsveld in verband met het optreden der parachutisten, critiek begon te worden, werd besloten slechts de gebouwen aan de Julianalaan en de Hooikade te laten bewaken.

     Voor de beide complexen werden de brandploegen, de E.H.B.O.-ploegen en de ploegen voor den bedrijfsdienst volledig ingedeeld. Twee officieren van Speciale Diensten werden voor elke wacht ingedeeld, terwijl de pl.m 20 aanwezige militairen over beide complexen werden verdeeld voor het doen van gewapende wachtdiensten, Van de v.m. Constructiewerkplaatsen werden zoowel  vóór als achterpoort bewaakt. In verband met het door het Gemeentebestuur afgekondigde verbod zich na 20.00 uur op straat te bevinden werden de noodige maatregelen getroffen, pl.m. 20 man in ieder complex te doen overnachten. Nadat echter onderdeelen  der Ned. Weermacht zich in den avond van dezen dag in het gebouw Julianalaan gingen vestigen werd een deel van de eigen bewaking van dit gebouw teruggetrokken, met name ook de E.H.B.O.-ploeg. De ziekenauto en de motorbrandspuit werden aan de v.m C.W. tot uitrukken gereed opgesteld.

     Op 11 Mei werden de gebouwen der v.m. C.W. zoowel van af den Leeuwenhoeksingel als van af de Vest herhaaldelijk beschoten; in de stad heerste die dag groote onrust.
     Een gedeelte van het gebouw Julianalaan werd door II-2 R.A. in gebruik genomen; de toren van het gebouw werd als waarnemingspost gebezigd. Door de gevechtshandelingen in de onmiddellijke nabijheid van dit gebouw en door het hiervoren genoemde zuiver militair gebruik van een gedeelte van het gebouw, was het uit den aard der zaak niet mogelijk op het Scheikundig Laboratorium regelmatig door te werken. Ook het gebruiken van de reserve officieren voor Speciale Diensten voor zuiver militaire doeleinden – wachtdiensten, verdediging van het gebouw e.d. – maakte, dat zij hun oorspronkelijk werk niet of nagenoeg niet meer konden volvoeren.
     De archieven van het S.L. werden voor een groot deel vernietigd, om het in vreemde handen vallen te beletten.
     Aan de v.m. C.W., werd een eigen luchtalarmdienst ingesteld. Het bleek toch, dat de stad Delft van af Vrijdagmorgen vrijwel doorloopend in staat van luchtalarm verkeerde. Precies volgens de voorschriften handelende, zou dus feitelijk het personeel zich doorloopend in de schuilplaatsen hebben moeten bevinden.
     Aan de post van de vóórpoort werd nu opdracht gegeven een signaal te geven zoodra vliegtuigen  boven Delft begonnen te cirkelen: op recht overvliegende vliegtuigen werd geen acht meer geslagen. Toch is het werk dien dag meermalen ernstig gehinderd, eenmaal werd zelfs 2 uur aan één stuk geschuild in verband met ernstige vuurgevechten tusschen Nederlandsche en Duitsche troepen in Delft.
     Mede rekening houdende met de mogelijkheid van plotselinge aanvallen in duikvlucht op het talrijke personeel, dat zich bij (eigen) luchtalarm van de werkplaatsen naar de schuilplaatsen moest begeven, werd het werk aan de patroonfabriek in de v.m. C.W.  gestopt ; de overige diensten aldaar werden in bedrijf gehouden.
     Alle uitgangen van de gebouwen, die verhuurd waren, werden gesloten en gebarricadeerd, de huurders werd tot nader order het werken aldaar verboden, vooral omdat het Hoofd van de Vestiging Delft geen controle had op het personeel dezer huurders en niet zeker was van hun betrouwbaarheid.
     Op 12 Mei werd het werk in het gebouw Julianalaan gestopt, d.w.z. de messingperserij, optische-afdeeling en gasmaskerafdeeling stonden dus stil; dit gebouw had een sterke militaire bezetting gekregen en werd ter verdediging ingericht. De in aanbouw zijnde laboreerwerkplaatsen waren inmiddels in Nederlandsche handen over gegaan, de reserve Luitenant Sp. D. Capel was in vrijheid gesteld. Het werk aldaar werd niet hervat wegens het gevaar bij bombardementen op het nabij gelegen vliegveld Ypenburg.
     Een groot deel van buit gemaakt Duitsch materieel werd aan de v.m. C.W. opgeslagen; een tijdelijk bij de Vestiging Delft werkzaam gestelde 1e Luit. Van het K.N.I.L. werd op 13 Mei met het beheer en weder uitgifte aan Ned. Troependeelen belast.
     Op 14 Mei vlogen in buitengewoon groote aantallen Duitsche toestellen boven Delft, vooral, in de richting Rotterdam. In verband met het verloop der krijgsverrichtingen, welke een minder gunstige wending namen en om bij een eventueele bezetting van de gebouwen der Vestiging Delft door Duitsche eenheden militaire conflicten te vermijden, werd de geheele militaire bezetting te 11.00 uur op de Hembrug gedirigeerd; het burgerpersoneel bleef in de verschillende gebouwen op zijn post.

Sergeant-opzichter gesneuveld.

     De verliezen aan personeel zijn gering, alleen de sergeantopzichter in opleiding P. Dietrich is in de nabijheid van het gebouw Julianalaan gesneuveld op weg naar zijn huis zijnde. Nadere bijzonderheden omtrent dit ongeval ontbreken verder.
     De gebouwen en de outillage daarvan zijn behoudens talrijke gesprongen ruiten en lichte beschadigingen, volkomen intact gebleven; door de Directie was bepaald, dat niet tot vernietiging mocht worden over gegaan.

Bronnen Dagboek Ir. F.Q . den Hollander, Archieven.nl©PDKAIH2019