DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 10 van 11.

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 10 van 11.

Artillerie Inrichtingen worden Staatsbedrijf en de 1e wereldoorlog breekt uit.

In 1913 werden de Artillerie Inrichtingen een Staatsbedrijf met een eigen begroting en kregen een burger directie. Ook de leiding van de bedrijven gingen in burgerdienst over. Dit was een grote vooruitgang omdat men zodoende personeel kreeg dat zich blijvend aan het bedrijf kon wijden. Kort nadat deze maatregel was genomen, brak de 1e wereldoorlog uit.

 

De directie der Artillerie Inrichtingen. Zittend vlnr de heren: Directeur G. Th. van Dam, Directeur; J.H.A. Mijsberg, Directeur; H.M. van Unen, Secretaris; B.J. Top. Staand vlnr. L.L.E. Ornstein,Bedrijfschef Patroonfabriek; J. Jungeling.Bureauchef voor de Technische Zaken; D. Rijnders.bedrijfschef Vuurwerkerij; J.D. Berkhout,Technoloog; N.P.A. du Quesne van Bruchem, waarnemend Bedrijfschef Wapenfabriek; E. Zuidema. Administrateur.

 

Wat is er in die tijd aan de Hembrug gebeurd? Voor het organiseren van de munitieaanmaak met behulp van de particuliere industrie werd het Munitiebureau ingesteld. Later heeft de zorg van dat bureau zich ook over andere zaken dan enkel munitie uitgestrekt. Bij de aanmaak door particulieren werden aanvankelijk opdrachten gegeven aan verschillende fabrikanten. Tenslotte kwam men echter tot geconcentreerde aanmaak, die in een fabriek over het IJ door Belgische fabrikanten van automobielen en met behulp van uit het Oosten van het land overgebrachte werktuigen werd opgezet.  Dit bleek grote voordelen op te leveren. Het benodigde buskruit kon van de fabriek te Muiden worden betrokken. Trotyl werd eerst op kleine schaal uit toluol dat van de gasfabrieken kwam gemaakt.Later werd er een afzonderlijke fabriek gebouwd bij de Hembrug, waar de Bataafsche het maakte uit toluolbenzine.  Deze fabriek bevond zich aan de Amsterdamse zijde van het Noordzeekanaal.

 

Kruitfabriek te Muiden.

 

Behalve artillerieprojectielen werden ook handgranaten in verschillende soorten aangemaakt.Omdat de weermacht die ondertussen was versterkt met de langzamerhand goed geoefende reservetroepen te kunnen bewapenen werd besloten de productie van wapens belangrijk opvoeren. De particuliere industrie hielp om zo snel mogelijk de aan de Hembrug aanwezige werktuigen in een behoorlijk aantal te vermenigvuldigen. Dit ging in een rap tempo omdat zij alleen maar gekopieerd hoefden te worden en er van een groot gedeelte van deze werktuigen al gietmodellen aanwezig waren. Het doel was het zogenaamde wisselbedrijf aan de Hembrug om te vormen in een inrichting waar alle onderdelen van het wapen tegelijkertijd naast elkaar konden worden afgewerkt.

 

Machines bestemd voor fabricage van geweerlopen.Op de voorgrond vier trekbanken waarop de geweerlopen van trekken voorzien worden. Op den voorgrond links: de Bedrijfschef van de Wapenfabriek, D.H.Peereboom Voller. rechts van hem: de Opzichter van de lopenfabricage, M.A. v.d.Ende.

 

De honderden werktuigen die daarvoor nodig waren zijn alle in Nederland gemaakt. Het personeel werd in die tijd sterk uitgebreid naar ongeveer 8500 personen. Een groot probleem tijdens deze oorlog was het verkrijgen van de benodigde materialen. De gewoonlijk gebruikte materialen waren niet te krijgen en men moest zich vaak behelpen met allerlei mindere kwaliteit. Tenslotte zijn zelfs geweren gemaakt van oude rails (het enige staal dat nog in het binnenland in grote hoeveelheden aanwezig was). Telegraafdraad dat eigenlijk bestemd was om prikkeldraad van te maken maar dat toevallig hardbaar bleek werd gebruikt.

 

De voorraad notenhout 1916-1917

 

Ook de inlandse notenbomen werden niet gespaard. Toen het land werd afgezocht bleken er heel wat meer aanwezig dan men aanvankelijk dacht en vielen er duizenden ten offer aan de wapenproductie. Gemiddeld was slechts één op de drie bomen voor het doel geschikt. Al spoedig beschikte men voor de vordering, het rooien en vervoeren van de bomen over zodanig geoefend personeel dat de aanvoer geregeld geschiede. En het kwam slechts zeer zelden voor dat een boom verborgen gebreken vertoonde. ©PDKAIH2017

 

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 9 van 11.

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 9 van 11.

 

De Vuurwerkerij, de Projectielen en de Buizenfabriek

De Vuurwerkerij omvatte de laboreerwerkplaatsen en verder de projectielen en een buizenfabriek. De laboreerwerkplaatsen zorgen voor het maken van verschillende sassen, waaronder die voor de sasringen van de tijdbuizen en de sassen voor de slaghoedjes. (Een sas is een mengsel van een zuurstof gevende stof en één of meer andere stoffen dat en zorgt voor een explosieve ontsteking van de lading van een projectiel).

Hierbij hoorde ook de bereiding van het slagkwik. (een giftige instabiele stof die gemakkelijk explodeerd. De ontsteking geschied mechanisch of chemisch. Het werd veel gebruikt in ontstekers en slaghoedjes).

 

1. Projectieldraaierij van de Vuurwerkerij. 2. Vuurwerkerij het vullen van de brisantgranaat kartetsen met kogeltjes en de onderste laag hiervan vastzetten met hars. 3. Projectieldraaierij met op de voorgrond oefenpantsergranaten. 4. Samenstelling met geheel links dhr. Baijards ©Miranda Rozemeijer

 

 

Ook vervaardigde men hier verschillende andere vuurwerken zoals onder andere: seinpatronen, vuurpijlen, vliegtuigbommen, trotylpatronen, pijpjes voor de ontsteking van het geschut enz. en ook werden hier projectielen met kruit of andere ontplofbare stoffen gevuld. Allemaal werkzaamheden voor rustige en zeer nauwkeurig werkende mensen.

Men onderscheidt granaten, granaatkartetsen, brisantgranaten, brisantgranaatkartetsen of eenheidsprojectielen en kartetsen. In de Buizenfabriek maakte men de zeer nauwkeurig ingestelde, uiterst precieze inrichtingen die in de kop of in de bodem van het projectiel werden geplaatst met het doel om deze te laten springen. Dit kan geschieden tijdens de vlucht vóór en boven het doel, na een vooraf ingestelde tijd of bij het treffen van het doel. In het eerste geval spreekt men van een tijdbuis, in het laatste van een schokbuis. Ook werd er vaak een combinatie van deze twee gebruikt, de tijdschokbuis. ©PDKAIH2017

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 8 van 11.

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 8 van 11.

De Patroonfabriek

Het hoofdproduct van de patroonfabriek was de geweerpatroon met metalen huls. Deze was nodig geworden bij de invoering van het achterlaadgeweer. De huls diende voor de gasafsluiting tussen loop en slot van het wapen. In Nederland werd deze huls voor het eerst toegepast bij de invoering van het Snider geweer. Bij het betrekkelijk langzame vuur van die dagen en de lage gasdruk was het aanvankelijk mogelijk voor de huls gebruik te maken van het gemakkelijk verwerkbare roodkoper. Later moest om het klemmen van de verschoten huls in de kamer van het wapen te voorkomen worden over gegaan tot het hardere geelkoper of messing (een legering van koper en zink). Dit materiaal bezit, aanvankelijk weinig begrepen lastige eigenschappen. Toen die eenmaal doorgrond waren lukte het hulzen te leveren die onder alle omstandigheden voldeden.

 

Achterlaadgeweer met het Snider systeem. 

 

Het vullen met de buskruitlading gebeurde met automatische werktuigen, die een zeer grote nauwkeurigheid bereikten. De lading werd uit een reservoir in een cilindertje afgemeten en daarna in een bakje gestort. Dit bakje dat op een ronddraaiende tafel aan een balans hing nam een afhankelijk van het gewicht bepaalde stand in. Als het gewicht van de lading te groot was werd het bakje automatisch leeggestort. Als het gewicht te laag was werden er op de drie volgende stations op de tafel steeds enige korrels bijgestort. Als het juiste gewicht was bereikt werd de lading in een huls gestort. Vervolgens werd er een kogel in de huls geplaatst. Daarna werden de samengestelde patronen nog eens stuk voor stuk nagewogen alvorens zij werden goedgekeurd.

 

Het gloeien (harden) van de Nederlandse legerhelm en een gereed product.

 

Behalve de geweerhulzen werden er ook kardoeshulzen voor het geschut gemaakt sinds de mobilisatie tot en met een kaliber van15 cm. Verder hield Patroonfabriek zich bezig met het maken van de verpakkingen zoals de houders en de kartonnen dozen. Later werd er ook lichtspoormunitie vervaardigd. In die tijd kon men de baan van deze munitie ongeveer 500 m volgen. Verder behoorde het maken van helmen eveneens tot de taken van de Patroonfabriek. Een deel van de fabricage van de helmen werd onder toezicht van de Artillerie Inrichtingen bij de Verblifa (Verenigde Blikfabrieken) gemaakt. ©PDKAIH2017

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 7 van 11.

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 7 van 11.

Overplaatsing naar het Hemveld

De invoering van het draagbare wapen model 1895, die een geheel nieuwe machinale inrichting voor de patroonfabricage nodig maakte, werd er de aanleiding van om in 1897 het grootste deel van de werkplaatsen over te brengen binnen de Stelling van Amsterdam. Dit was volgens de toen geldende begrippen het reduit van onze landsverdediging.Daar werden achtereenvolgens gebouwd: de Patroonfabriek, de Werkplaats voor Draagbare Wapenen, de Vuurwerkerij met een Buizenfabriek en IJzergieterij.

Infanterie geweer model 1895

De te ‘s-Gravenhage achter gebleven geschutgieterij, die in 1871 door het Rijk van de familie Maritz was overgenomen werd in 1904 opgeheven. Zij hadden zich toegelegd op de vervaardiging van het bronzen en hardbronzen achterlaatgeschut en maakten daarna ook stalen vuurmonden. Door deze opheffing onderging de Werkplaats voor Draagbare Wapenen een kleine uitbreiding. Dit om in het vervolg ook de herstellingen aan geschut te kunnen uitvoeren. Jammer genoeg werden bij die op zichzelf staande bezuinigingsmaatregel de boor- en trekbanden voor oud-ijzer verkocht iets wat men in de mobilisatietijd zou betreuren.

De Stelling van Amsterdam werd grotendeels aangelegd tussen 1874 en 1914 en is een 135 kilometer lange verdedigingslinie ter verdediging van de Nederlandse hoofdstad

Bij de inrichting van de Werkplaats der Draagbare Wapenen in 1897 aan de Hembrug was het aanvankelijk niet de bedoeling daar een volledige wapenfabriek van te maken. Men dacht de benodigde wapens M95 te blijven kopen bij de Oesterreichische Waffenfabrikgesellschaft te Steyer en bestemde de eigen fabriek als herstellingswerkplaats en aanschaffingsorgaan. Verder diende hij voor de opleiding van geweermakers, zwaardvegers (wapensmeden) en van officieren van wapening. Om bij die opleidingen enig denkbeeld te kunnen geven van de zogenaamde uitwisselbare fabricage, waren er werktuigen met spaninrichtingen en gereedschappen aangeschaft. Dit om van een aantal van de eenvoudigste onderdelen de voor herstellingen benodigde verwisselstukken in eigen werkplaats te kunnen aanmaken.

Lademaker aan het werk in de geweerfabriek aan de Hembrug ©Herman de Ruijter

Die toestand duurde tot 1900, toen er in de Tweede Kamer der Staten-Generaal een vraag werd gesteld over de prijs waarvoor in de Italiaanse Staatsfabrieken het veel met het Nederlandse model overeenkomende geweer werd gemaakt.

Eén van de officieren, die tot de keuringscommissie te Steyr behoord had, was daar al tot de slotsom gekomen, dat de aanmaak van wapens in eigen beheer niet onmogelijk behoefde te zijn. Hij werd naar Italië gezonden. In het rapport over zijn onderzoek daar, stelde hij voor de al aanwezige werktuigelijke inrichting van de wapenfabriek uit te breiden. Daardoor zou het mogelijk zijn om zonder vergroting van de fabrieksruimte door eigen aanmaak tot in 1918 geleidelijk zoveel wapens te verkrijgen, als nodig zouden zijn om tijdig in de behoefte van de te verwachten legeruitbreiding te voorzien.

In twee stappen werd die uitbreiding van machines tot stand gebracht, waardoor men vanaf 1904 in staat was het gehele geweer van de grondstoffen af, in eigen fabriek aan te maken. Dat was geen kleinigheid, een geweer heeft 81 onderdelen. De kwaliteit van de Hembrug wapens bleek niet voor de Steyersche onder doen en de prijs ervan was behoorlijk lager.

Het grootste voordeel van het gaan aanmaken in eigen beheer was wel de ervaring van weloverwogen werken die hierdoor werd verkregen. Daardoor kreeg men de beschikking over zeer deskundig personeel. Dat zou in de toekomst efficiënter kunnen optreden als keurmeester tijdens het inkopen bij andere bedrijven. Ook de verworven kennis en routine zouden kunnen worden toegepast bij andere producten en werk op het eigen en aanverwante gebieden. Dit op dezelfde wijze als waar op de wapenfabricage wegberijdster is geweest voor vele andere takken van industrie.

De Geweerwinkel was dan wel van Delft naar de Hembrug verplaatst en daar uitgegroeid tot een volledige wapenfabriek. Het zou daar niet bij blijven. Delft verloor ook de Pyrotechnische werkplaatsen. Tot ver na de 1e wereldoorlog bleven de Artillerie-Inrichtingen nog gedeeltelijk in het historische stadje. Aan de Hembrug werkte men intussen verder. Men begon met het fabriceren van klewangs. Eerst voor het Indische en later voor het Nederlandse leger. In de mobilisatietijd zou ten volle blijken waartoe men door de verkregen oefening in staat was geworden. ©PDKAIH2017

Eindcontrole van de wapens ©Herman de Ruijter

Hembrug klewang model 1898 bestemd voor het KNIL

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 6 van 11.

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 6 van 11.

Directeuren / Personeel / werkplaatsen en werkzaamheden

Als directeur van deze inrichtingen traden achtereenvolgend op: Generaal Majoor P. Huguenin, Paravinci di Capelli, van Gorkum, U. Huguenin, de Kolonels Riesz, Hoogeveen, Dinaux, van Meurs, Steuerwald, Blanken, de Luitenant Kolonels von Pfaffenrath, van de Meer de Walchren, Verheije van Sonsbeek en Sesseler.

De huidige (1879) directeur is Kolonel P.H.J.A. de Booy.

De werkplaatsen bestaan dan uit:

Een modelkamer

Een smederij

Een grofsmederij

Een timmermanswerkplaats

Een zadelmakerij

Een boorkamer

Een instrumentmakerij

Een ververij

Arbeiders in de smederij van de Constructiewerkplaatsen te Delft

Het hieraan verbonden personeel bestaat uit:

1 Kolonel directeur

1 Majoor onderdirecteur

1 Kapitein, hoofd van de keuringscommissie

1 Kapitein hoofdopzichter

1 Kapitein Adjudant van het materieel

8 Officieren hoofdopzichters

5 Magazijnmeesters

12 Conducteurs

1 Chef van de kantoren

4 Boekhouders

9 Schrijvers

2 Tekenaars

1 Werktuigkundig Ingenieur

6 burger opzichters (2 bazen in chinisten, 2 keurders, 2 bazen werkplaatsen)

10 onderopzichters

2 Meester gieters

2 ma…?

6 bedienden en portiers

12 magazijnknechten

Verder naar behoefte te bepalen en op daggeld aangestelde burger werklieden. En enige militairen die opgeleid worden tot Meester werklieden bij de korpsen.

Kabelkar op de binnenplaats van de Constructiewerkplaatsen te Delft

De verschillende militaire werkplaatsen en fabrieken in Delft bestaan uit:

De Constructiewerkplaatsen nabij de Rotterdamsche poort.

Het Magazijn de Geer, aan het water met dezelfde naam.

De Houtloodsen aan de Rotterdamsche weg.

Het Kruithuis aan de Rotterdamsche vaart.

De IJzergieterij, Patroonfabriek en de Slagkruitfabriek aan de Buitenwatersloot.

De Geweerfabriek aan de Verwersdijk.

De Pyrotechnische werkplaatsen en de Affuitloodsen op de Paardenmarkt.

Karren en geschut op de binnenplaats van de Constructiewerkplaatsen in Delft.

Volgens de begroting van het Departement van Oorlog is in 1878 het volgende werk verricht:

318 bronzen en drie stalen kannonnen afgewerkt, van trekken voorzien enz.

Ongeveer 73.000 granaten, 5500 granaatkartetsen en 504.000 kartetsen van verschillend kaliber aangemaakt.

Ruim 50 affuiten van verschillende soorten vervaardigt.

74 affuiten herstelt of gewijzigd.

85 artillerie voertuigen herstelt of gewijzigd.

6.396.000 geweerkogels en ruim 800.000 revolverpatronen aangemaakt enz., enz.

Verder bevat de lijst nog een enorme hoeveelheid aangemaakte en herstelde onderdelen van materieel, tuigen, pontonbehoeften enz.

Het valt wellicht op dat er veel toezichthoudend personeel was. Dit komt omdat de samenstelling van onderdelen, munitie, wapens enz. zeer nauw luistert en er over het algemeen dus meer controle en toezicht nodig is dan bij algemeen fabriekswerk. ©PDKAIH2017

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 5 van 11.

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 5 van 11.

Viering van het 200 jarig bestaan

In 1879 wilde men in Delft het 200 jarig bestaan van de Artillerie Inrichtingen die inmiddels uit de affuitmakerij was ontstaan, vieren op 5 augustus de datum van bekendmaking van de resolutie. Maar juist in die tijd overleed de Prins van Oranje¹. Om die reden werden de feestelijkheden uitgesteld naar 22 november, de datum van de aanbesteding. Sindsdien gebruikt men deze datum voor de verjaardagen van het bedrijf.

deel 5 0

Willem van Oranje

¹ 6 Op 11 juni 1879 stierf prins Willem, 38 jaar oud, te Parijs aan een combinatie van tyfus, een leveraandoening en uitputting. Hij werd bijgezet in de grafkelder van Oranje Nassau in de Nieuwe kerk te Delft op 26 juni 1879. Zijn jongere broer Alexander volgde hem op als Prins van Oranje.

Voor dit feest werden bij kabinetsrescript van 31 juli 1879, nr. 13, goedgekeurd door Zijne Majesteit de Koning, voor een reünie diner uitgenodigd, alle oud officieren en officieren die ooit werkzaam waren geweest in één van de werkplaatsen van de Artillerie Inrichtingen te Delft. Als zij hieraan wilden deelnemen moesten zij zich voor 1 november melden bij de secretaris van de feestcommissie onder vermelding van de inrichting en het tijdvak waarin zij werkzaam waren geweest. Tevens moest er een bedrag betaald worden van hfl 5,- zijnde de kosten voor het couvert exclusief de wijn.

feestcommissie bestond uit de volgende personen:

Kolonel P.H.A.J. de Booy, ere voorzitter

Kapitein P.W. Pfeiffer, voorzitter De

Kapitein W.B. Westhoff, penningmeester

F.W. Braat, industrieel

G.J. Leeuwenberg, handelaar

Kapitein W. de Man

Mr. W.K.S. Van der Mandele, lid van de gemeenteraad

1e Luitenant S.L. van Nooten

1e Luitenant H.J. Ter Spill

1e Luitenant Jhr. E.M. van Belima, secretaris.

deel 5 1

Het reünie diner

Het feestelijkheden werden op 22 november, ‘s middags om 1 uur geopend met volksspelen op de Groote Markt. Het geheel werd opgeluisterd met muziek van het 3e regiment huzaren uit ’s Gravenhage. Een uur voor de opening speelde het klokkenspel en in de hele stad hingen de vlaggen uit. Iedereen was naar de Groote Markt gekomen. De woensdag ervoor had in Den Doele de eerste van vier grote toneelvoorstellingen plaats gevolgd door een concert en een goochelvoorstelling voor de kinderen door de hr. Bamberg. Het opgevoerde blijspel “de oude kleerkoop of een vriend in nood” viel bij het publiek en de smaak. Dit bleek uit de staande ovaties en het terugroepen van de acteurs. Onder leiding van de Luitenant van de artillerie, Jhr. Van der Does was in de concertzaal een wapentropee met daarboven het borstbeeld van de Koning opgericht. Door de maatregelen van de feestcommissie en dhr. Gaarland (pachter van de Doele) verliep ook het buffet, ondanks de vele aanwezigen geheel naar wens. Aan het gebouw van de Doele was in plaats van de gewone lantaarn een fraaie gasilluminatie aangebracht.

deel 5 2

Trompetterkorps 3e regiment huzaren uit ’s Gravenhage (Rode Huzaren) A.M. Luijt

De volgende dag vertrok om 10 uur in de ochtend het personeel van de ijzergieterij en de patroonfabriek, vooraf gegaan door muziek, door de stad, naar de Constructiewerkplaatsen. Tijdens deze tocht sloot het personeel van de Stapel en Constructiemagazijnen zich bij deze stoet aan. Bij de werkplaatsen aangekomen voegde ook het personeel van de pyrotechnische werkplaatsen zich bij dit gezelschap. Iedere afdeling werklieden voerde haar eigen vaandel met zich mee. Het was een aardig schouwspel om deze 900 mannen opgesteld te zien langs de open binnenplaats van de Constructiewerkplaatsen. De binnenplaats was toepasselijk versierd met krijgstrofeeën, borstbeelden en wapenschilden. In het midden van de binnenplaats was een podium ingericht voor de oude Grootmeester der Artillerie, die deze plechtigheid met zijn aanwezigheid zou opluisteren, Zijn Koninklijke Hoogheid Prins Frederik.

deel 5 3

Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Frederik

Om half één kwam de bejaarde Prins, vergezelde door zijn staf, per rijtuig uit de Residentie. Na de werklieden te hebben geïnspecteerd en de verschillende reünisten, bestaande uit officieren die vroeger werkzaam waren bij de inrichtingen, de militaire autoriteiten enz. te hebben begroet, nam de Prins plaats op het voor hem gebouwde podium. Omgeven door schitterend uitgedoste stafofficieren, de stedelijke autoriteiten, de schutterij enz. stond de Prins daar met voor zich de brede schare aan werklieden.

deel 5 4

Personeel van de Constructiewerkplaatsen tijdens het 200 jarig bestaan

Toen beklom de Kolonel Directeur der Artillerie Inrichtingen P.H.J.A. de Booij een daarvoor ingericht spreekgestoelte om zijn feestrede uit te spreken. Allereerst noemde hij de aanwezigheid van de Prins een kroon op het feest. Hij bedankte de Vorst voor zijn voortdurende belangstelling voor het artillerie wapen en dankte daarna alle aanwezige autoriteiten.

Zijne Majesteit de Koning en de Kroonprins hadden beiden hun leedwezen betuigd dat zij verhinderd waren en daardoor niet bij de feestelijkheden aanwezig konden zijn. Om de aanleiding voor de feestelijkheden te duiden, gaf de spreker een schets van de historie van de Inrichtingen. Vervolgens vertelde de spreker over de welwillende beschikking van de Minister van Oorlog om een, ter herinnering aan dit feest, herdenkingspenning uit te geven. Een gouden exemplaar voor de Koning, een zilveren exemplaar voor de Kroonprins van Oranje, voor Prins Frederik, de stad Delft en aan de vroegere en huidige Hoofdofficieren van de inrichtingen. De huidige officieren, de werklieden en de raadsleden van de stad ontvangen ieder een exemplaar in brons.

De penning werd ontworpen door de heer van Bruggen, 1e tekenaar van de constructiewerkplaats. Hij stelt aan de ene zijde de werkplaatsen voor gezien in vogelvlucht, en de jaartallen 1679 – 1879 en het randschrift affuitmakerij en constructiewerkplaatsen. Aan de andere zijde de datum van 1879 in een lauwerkrans en het randschrift 200 jarig bestaan van ’s rijks artillerie-inrichtingen.

Aan het slot van zijn rede wees de spreker op de grote betekenis van deze werkplaatsen vergeleken met wat er op dit gebied in het buitenland bestaat. Vervolgens dankte hij de Vorstelijke Grootmeester der Artillerie voor zijn aanwezigheid en zijn, zoals meermaals ondervonden, belangstelling voor de inrichtingen. Met een juichkreet ter ere van de Prins, welke een luide en herhaalde weerklank vond in de menigte, sloot de spreker zijn rede.

Prins Frederik nam nu het woord, hij bedankte kolonel de Booy voor de grote diensten door hem als chef aan deze werkplaatsen bewezen. De Prins herinnerde zich dat hij deze werkplaatsen al 62 jaar kent. Ofschoon hij vroeger beter volgde wat hier gebeurde, durfde hij toch te verzekeren, dat al is de inrichting niet zo uitgebreid als de buitenlandse, haar wetenschappelijke waarde word in den vreemde niet overtroffen. Tenslotte gaf hij aan de officieren en medewerkers te kennen dat het zijn wens was de verschillende vakken van de artillerie vervaardiging tot een dergelijke hoogte op te voeren dat de vreemdeling bevreesd moest zijn met de Nederlandse kanonnen in aanraking te komen. Een oorverdovend hoera en “leve de Prins” was het antwoord op deze woorden.

deel 5 5

Personeel van de Geweerwinkel tijdens het 200 jarig bestaan

Hierna ging kolonel de Booy over tot het uitreiken van de medailles. Eerst aan de Prins en vervolgens aan de nestor van de Nederlandse artilleristen de Generaal van Meurs en de stad Delft. In naam van de Delftse burgerij sprak de burgemeester een welgemeend woord van sympathie voor het feest en het langdurige bestaan van de inrichting. Hij hoopte dat deze medaille een gedenkstuk zou worden even belangrijk voor de nazaat als nu voor de tijdgenoot en de burgerij van Delft.

Tenslotte nam de Prins weer het woord om het dagelijks bestuur en de raad van Delft zijn leedwezen te betuigen, dat hij helaas niet in de gelegenheid was om aan de aan hem aangeboden lunch in het stadhuis deel te nemen.

De voor en achterzijde van de bronzen herdenkingsmunt

Hiermee was de openbare plechtigheid afgelopen en werd in de versierde bibliotheek van de constructiewerkplaatsen, waar de Prins nog enige tijd vertoefde een korte audiëntie door hem gehouden. Bij herhaling en hartelijk bedankte de Prins de feestcommissie uit de burgerij voor hun medewerking en zorg aan deze feestelijkheden. Ruim anderhalf uur duurde de plechtigheid, welke ondanks het vinnig koude weer, door de Prins al die tijd werd bijgewoond in de open lucht.

Later in de middag was er op de Groote Markt een openbaar concert. De reünisten gingen door met feestvieren en namen ’s avonds deel aan het gastmaal. Dit terwijl de werkplaatsen en verschillende plaatsen in de stad elektrisch of met lichtbeelden verlicht waren. Het 200-jarig bestaan van de werkplaatsen werd dus met grote feestelijkheden in november 1879 te Delft gevierd. Het hele stadje leefde met de Artillerie Inrichtingen mee. Misschien zou het feest minder opgewekt zijn geweest als men geweten had wat er nog geen twintig jaar later zou gebeuren. ©PDKAIH2017

 

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 4 van 11.

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 4 van 11.

De veranderingen

Als gevolg van het in 1815 opgemaakte plan tot het verdubbelen der Constructie Magazijnen, werd een smederij ingericht voor 70 smidsvuren en kwam aan de overzijde hiervan een gebouw tot stand, waarin later de bibliotheek, de bureaus en het ijzermagazijn werden gevestigd. Op het Westelijk gedeelte van de kanonnenwerf verrees een lange loods. De werktuigelijke inrichting bepaalde zich tot drie draaibanken voor de houtdraaiers, vijf wielputten, enig snijdgereedschap voor stelschroeven, twaalf smidshaarden, twaalf blaasbalgen voor die haarden, twee toestellen voor het zagen van hout en verder het handgereedschap voor ambachtslieden. De begroting aan werkloon van de constructiewinkel bedroeg in 1816 hfl 62.540,-.

De Franse heerschappij was juist geëindigd en het vertrek van de Franse troepen was gepaard gegaan met plundering en vernieling. De talrijke vestingen in Noord-Nederland misten dus zeer veel van haar krijgsvoorraad. Toen het congres te Wenen, in het begin van 1815, het besluit had genomen dat België met Nederland samen één rijk zouden worden, zag het oorlogsbestuur van die tijd zich genoodzaakt ook te zorgen voor de niet minder talrijke en even uitgeputte vestingen in Zuid-Nederland. Voordat men zich kon wijden aan de uitrusting van die vestingen, vereiste de staatkundige toestand van Europa, dat in de eerste plaats maatregelen werden genomen om het veldleger voor zijn bestemming geschikt te maken. Toen de eerste eisen van het veldleger waren voldaan, kon men eindelijk de aandacht besteden aan de vestingen. In eerste plaats zorgde men voor de vestingen in Zuid-Nederland, waarvoor ook te Antwerpen werd gewerkt. Voor het jaar 1816 werd hfl 60.000,- bestemd voor de aankoop van hout en hfl 70.000,- voor ijzer. Het verbruik was evenredig aan de toevoer, want de vestingen in Zuid-Nederland vorderden zeer veel wal- en vestingaffuiten.

In 1827 kregen de Kapiteins van Rozendaal, Hoogeveen en de 2e Luitenant Jooss opdracht om in verschillende buitenlandse fabrieken te gaan kijken hoe de productie daar werd uitgevoerd. Als gevolg van deze bezoeken werden verschillende verbeteringen in de fabricage aangebracht.

Toen in 1830 door de Belgische opstand¹ Luik aan ons beheer werd onttrokken, achtten sommige officieren het nodig in Noord-Nederland een geweerfabriek op te richten. Dit omdat men een aanzienlijk aantal geweren bezat (220.000 verschillende geweren, 9000 karabijnen en 16000 pistolen). Omdat de kosten van een geheel nieuwe inrichting een belangrijke som vereiste, besloot men het aantal werkkrachten van de bestaande werkplaats te vergroten en de nodige verwisselstukken door aankoop in het buitenland te verkrijgen.

Septemberdagen 1830 op de Grote Markt in Brussel © Guustaaf Wappers, 1835

¹Als gevolg van het Congres van Wenen, werd Koning Willem 1, Koning van zowel de Noordelijke als de Zuidelijke Nederlanden. Na vijftien jaar waren veel Belgen ontevreden. Veel van de katholieke zuiderlingen waren niet blij met het feit dat Willem I protestants was en de Franstalige edelen vonden het vervelend dat de regering Nederlands sprak. Veel liberalen waren daarnaast van mening dat de koning veel te machtig was. Toen in 1830 in Frankrijk de Koning Karel X succesvol werd afgezet kwamen ook de Belgen in actie.

Op 25 augustus 1830 werd in de Muntschouwburg in Brussel de opera La Muette de Portica (de stomme van Portica) opgevoerd, ter gelegenheid van de verjaardag van koning Willem I. Het stuk ging over een opstand tegen de Napolitaanse Koninklijke garde. Bij de aria Amour sacré de la patrie (De heilige liefde voor het vaderland) sloeg de vlam in de pan. Rond de Brusselse schouwburg had zich al een groep relschoppers verzameld en zij kregen gezelschap van tientallen bezoekers van de schouwburg. Gezamenlijk sloegen ze ruiten in, plunderden ze winkels en verzamelden ze wapens. Het was het begin van de Belgische opstand. Koning Willem I wilde de Zuidelijke Nederlanden koste wat het kost in het Koninkrijk houden en zette het leger in tegen de opstandelingen. Al snel splitste het leger zich echter. De zuidelijke militairen deserteerden op grote schaal. Dit versterkte het onafhankelijkheidsgevoel van de Belgen nog meer en er werd een nieuwe koning aangesteld. Leopold van Saksen-Coburg hij werd de eerste koning der Belgen. Leopold I legde op 21 juli 1831 de grondwettelijke eed af. Die datum is om die reden in België nog altijd de nationale feestdag.

Nadat de bedrijvigheid die verscheidene jaren had geheerst, door de bewapening van de zuidelijke vestingen begon te verminderen, werd er een nieuwe bron van arbeid geopend door orders afkomstig van de Marine. Ook voor Indië werden vele orders uitgevoerd. Het verlies der hulpbronnen in België was er de oorzaak van dat alle behoeften uit Delft moesten worden betrokken en hoewel het aantal vestingen door de gebeurtenissen van 1830 minder werd, was de langdurige oorlogstoestand die weldra intrad, er de oorzaak van dat de vestingen in Limburg, Noord- Brabant, een gedeelte van Zeeland, het veldleger en de marine zelf, ondanks de inspanning van alle krachten, niet tijdig genoeg door de werkplaatsen konden worden uitgerust. Waardoor men gedwongen werd tot het nemen van buitengewone maatregelen.

Het jaar 1830 is voorts gedenkwaardig omdat aan het in 1827 als gevolg van de bezoeken aan buitenlandse fabrieken ontworpen plan tot opstelling van een groot stoomwerktuig begin van uitvoering werd gegeven. Het verlies van Luik had tengevolge dat de Generaal Majoor Ulrich Huguenin die daar tot de revolutie de scepter zwaaide, maar nu directeur van de stapel en constructiemagazijnen te Delft was geworden, in oktober 1830 besloot dat er een nieuw salpetermagazijn gebouwd diende te worden en tevens besloot hij tot de oprichting van een ijzergieterij. Zeer belangrijk waren de hoeveelheden materiaal, die in het tweede halfjaar in aanmaak werden gegeven. De orders van 1831 getuigden er van dat men in alle benodigdheden tot een krachtige handhaving van onze rechten trachtte te voorzien. Van grote omvang zijn wederom de aanwijzingen van aan te maken materieel.

Ongedateerde kaart met daarop de werkplaatsen / magazijnen en de ijzergieterij (rechts)

Vanaf 1831 maakt men gebruik van stoom als beweegkracht. In de zomer van dat jaar werd in tegenwoordigheid en onder toeziend oog van de hoogleraar Verdam een stoommachine opgesteld van 20 paardenkrachten. Deze was voorzien van een windvergaarbak, waardoor de smidsvuren onafhankelijk werden van de blaasbalgen. In 1842 werd in de grofsmederij een stoomwerktuig geplaatst voor het in werking zetten van een staarthamer van 500 kg. Door de afgezonderde ligging van de ijzergieterij die niet bereikbaar was voor grote vaartuigen, voorzag men dat de transportkosten bij het verwerken van geschut aanzienlijk zouden zijn.

Omdat ook de gebouwen en terreinen ook niet volledig voor het doel geschikt waren, gaf men aan het Ministerie van Oorlog in overweging om in de nabijheid van Delft, aan de Schie, op een aan te kopen terrein, een geheel nieuwe werkplaats op te richten voor het gieten en afwerken van ijzeren geschut. Ook de ijzergieterij zou daar naar toe overgebracht moeten worden. Op de daardoor vrijkomende ruimtes en terreinen zou dan alles kunnen komen wat tot het vak van een vuurwerkmaker behoorde. De werkplaatsen aan de Paardenmarkt zouden dan moeten worden ontruimd, zodat de slagkruitfabriek, het laboratorium en de Pyrotechnische werkplaatsen op één plaats buiten de stad gevestigd zouden zijn. Tegelijkertijd kon dan worden voldaan aan de noodzaak de Pyrotechnische werkplaatsen uit te breiden. Buiten de prijs voor het terrein bedroeg de raming van de kosten hfl 94.000,- Voor ketels, stoomwerktuigen, machinerieën, etc. werd hfl 39.500,- begroot. In 1848 gaf de minister te kennen, dat de tijdsomstandigheden het niet toelieten uitvoering aan het plan te geven.

Een door stoom aangedreven valhamer in de smederij van de Constructiewerkplaatsen te Delft.

In dat zelfde jaar was de toestand in de omringende landen van dien aard dat de spanning hoog opliep. Hierdoor konden voorzorgsmaatregelen niet uitblijven. Vandaar dat er wederom een buitengewone bedrijvigheid in alle afdelingen der artillerie inrichtingen heerste.

In 1859 werd begonnen enige kanonnen een inrichting te geven die er na verloop van jaren toe zou leidden dat een volkomen verandering in het artilleriematerieel tot stand werd gebracht. In maart van dat jaar werd de opdracht verstrekt een bronzen kanon van trekken te voorzien. Hierdoor werd het mogelijk de vuurkracht en de precisie van het schot te verbeteren. Dit was het begin van de veranderingen, die op het wapen der artillerie en daardoor ook op de werkplaatsen een zo overwegende invloed hebben uitgeoefend.

Het jaar 1870 neemt in de geschiedenis der Artillerie-inrichtingen een gedenkwaardige plaats in. Als gevolg van de oorlog tussen twee grote mogendheden² werd ons leger gedurende enige tijd gemobiliseerd. Gedurende 1872 en 1873 werden verscheidene achterlaad kanonnen afgewerkt, om te worden beproefd. Enige affuiten werden met hetzelfde oogmerk voorzien van ijzeren verhoogstukken. De al vroeger beproefde transportwagens met draaiend voor onderstel werden in 1873 in gebruik genomen. In de hierop volgende jaren zijn de machine installaties en het aantal werktuigen voortdurend uitgebreid. Hierdoor werd een aanzienlijke besparing op machines en arbeidsloon verkregen.

²Oorlog die begon op 19 juli 1870 en duurde tot 10 mei 1871 werd gevoerd tussen Frankrijk en de Duitse staten, geleid door Pruisen. Frankrijk was beducht geraakt voor de snel groeiende Pruisische macht. Tot 1870 was Frankrijk immers de meest dominante natie op het vasteland in Europa. Maar nu werd de dominante positie van Frankrijk bedreigd door Pruisen, onder leiding van kanselier Bismarck. De oorlog zou leiden tot een overwinning van Pruisen en zijn bondgenoten en resulteren in de oprichting van het Duitse Keizerrijk, waarin de Duitse staten verenigd werden.

Verwijderen van de bronzen kern uit een kanon met als doel het van trekken en velden te voorzien en her te gebruiken. Constructiewerkplaatsen aan de v. Leeuwenhoeksingel te Delft. 1915

©PDKAIH2017

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 3 van 11.

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 3 van 11.

Het personeel van de affuitmakerij

Als hoofden der Artillerie Inrichtingen traden de volgende autoriteiten op:Een inspecteur, belast met het algemeen toezicht over de magazijnen en tevens verantwoordelijk voor het volledig aanwezig zijn van de uitrusting.

Een commandeur, belast met het zich dagelijks op de werven en in de magazijnen te bevinden. Dit om de gang van de werkzaamheden in de gaten te houden.

Een Commies, belast met de verantwoording voor de te ontvangen grondstoffen en materialen en voor de verstrekking van de vervaardigde voorwerpen

Een conducteur, belast met het assisteren van de commies.

Het zogenaamde mindere personeel bestond uit:

1 meesterknecht voor het kantoor.

2 knechten voor het kantoor.

7 sjouwerlieden.

17 knechten.

1 baas affuitmaker.

1 wielenmaker.

1 knecht voor de wielenmaker

1 smid

3 knechten voor de smid

2 houtzagers

1 houtwerker

12 bewakers, deze hielden ’s winters als de sloten om het complex bevroren waren in ploegen van vier de wacht. Hun salaris bedroeg 16 stuivers per nacht.

Hard werd er in die tijd niet gewerkt. In een verslag van Generaal Von Creutenach, uit omstreeks 1750, leest men dat in de affuitmakerij slechts zes houtwerkers en vier smeden werkzaam waren. Ook waren er zeventien werklieden voor het onderhouden van geweren, die hun werk slecht uitvoerden.

Deze eenvoudige inrichting is tot 1755 onveranderd gebleven.

In dat jaar was er behoefte aan uitbreiding. Er werd gevolg gegeven aan een voorstel van de toenmalige commies van Holland, Mr. Dirk van Heemskerk. Enige oude gebouwen werden afgebroken en er kwamen twee grote loodsen voor in de plaats. Een kleiner gebouw naast die loodsen diende tot ijzermagazijn. De eerste steen werd in de muur van de smederij geplaatst. Op deze steen prijkte de naam van de toenmalige conducteur (chef over de machines), Hendrik Klancke en de datum 26 mei 1755.

Dat het aan de inrichting verbonden personeel niet altijd zo talrijk was als al eerder aangegeven ligt voor de hand. De samenstelling van het personeel was voortdurende onderhevig aan de hoeveelheid handarbeid die verricht moest worden. De meest ingrijpende wijziging had plaats onder het bewind van Koning Lodewijk Napoleon die alle burgerwerklieden verving door een compagnie militaire werklieden.

Smidse en Modellenzaal der Stapel en Constructie magazijnen der Artillerie Inrichtingen te Delft

Toen Nederland in 1813, na verdrijving van de Fransen, weer zichzelf was geworden, werd in 1916 Pieter Huguenin¹ de directeur van de stapel en constructiemagazijnen. Onder zijn beheer vonden veel veranderingen plaats die het bedrijf ten goede kwamen. Ook breidde het personeel enorm uit. Het bestond toen o.a. uit:

1 Onderdirecteur (Kapitein Hendrik Wigand Riesz)(werd later directeur)

1 directeur magazijnen en Grofgeschutgieterij Delft (vrijwillig gepensioneerd op 1 november 1810, teruggekeerd op 11 maart 1814 en bevorderd tot Generaal Majoor op 24 november 1916) (Pieter in de Betou)

1 magazijnmeester 2e klasse bij de stapel en constructiemagazijnen (A.U. Mooser) (werd later assistent vuurwerkerij).

1 eerste algemene opzichter (2e Kapitein C.T. van Meurs)

1 opzichter geweerfabriek (Majoor (titulair) J.C.L. Gueriot de Belseaux)

1 opzichter van de Constructie Werkplaatsen (Kapitein Johannes Hendrik Frankamp)

1 adjunct opzichter der constructiemagazijnen (J. van Roosendaal)

1 boekhouder

98 smeden

27 timmerlieden

56 wagenmakers

9 ververs

9 zadelmakers

Hierbij inbegrepen de opzichters en onderopzichters van elk speciaal onderdeel.

¹ Pieter Huguenin, geb. 9 Sept. 1750 te Namen. Op 25 maart 1762 als cadet der artillerie in dienst getreden. In 1764 werd hij bombadier. In 1771 ging hij bij de genie en werd achtereenvolgend onder luitenant, in 1783 kapitein-luitenant en in 1787 kapitein. Als genie-officier nam hij deel aan de krijgsbewegingen van 1784 en 1787. Hij woonde de veldtochten van 1793 en 1794 bij, werd 3 juli 1794 tot majoor bevorderd en 29 juli 1795 gepensionneerd. 9 juli 1804 trad hij weer in dienst als luitenant-kolonel van het bataljon Mineurs en Sappeurs. In mei 1806 werd hij onderdirecteur der magazijnen te Delft en op 6 augustus 1808 chef van het bataljon Artilleriewerklieden. In 1809 streed hij met de Hollandsche troepen in Duitschland. Op 3 mei 1811 ging hij op eigen verzoek opnieuw met pensioen. Na de verdrijving van de Franschen werd hij op 25 november 1813 belast met het bestuur van artilleriemagazijnen te Delft. Op11 maart 1814 werd hij tot luitenant-kolonel, in april tot kolonel, en op 24 november 1816 tot generaal-majoor bevorderd. Op 20 februari 1816 was hem het ridderkruis der Militaire Willemsorde 4e kl. verleend. Hij overleed op 6 december 1819 te Delft. ©PDKAIH2017

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 2 van 11.

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 DEEL 2 VAN 11.

De oprichting van de Affuitmakerij

In 1679 deed men een poging om hierin meer eenheid te krijgen. Bij de resolutie van 4 augustus en bekend gemaakt op 5 augustus besloten de „Gecommitteerde Raden van de Edel Mogende heren van Staten van Holland en West- Friesland¹ een affuit makerij op te richten. Zestien dagen later werd de order gesteld om onder directie van de commies der Artillerie, Reijer van der Burgh, deze te bouwen binnen de stad Delft bij lands loodsen in de Houttuynen aan de Singels. Uit het bedrag van de aanbesteding (hfl 6800, -) van 22 november 1679 kan worden afgeleid, dat de affuit makerij niet op al te grote voet werd opgezet. De plaats van vestiging droeg al de naam Houttuynen en diende tot stapelplaats van constructiehout.

De houttuynen in Delft

In de Resolutie staat niet waarom de affuitmakerij in Delft werd geplaatst. Maar waarschijnlijk was dat vanwege de daar toen al aanwezige landsmagazijnen.

Dit vereist enige toelichting:

Delft was aan het begin van de 16e eeuw een plaats met vele beroemde ijzergieterijen. Zij hielden zich bezig met het vervaardigen van klokken. Hoewel het bestaan van buskruit al in stukken uit 1248 wordt genoemd werd het in bestaan ervan in de 16e eeuw door Berthold Schwartz in Duitsland “opnieuw” uitgevonden. Het was een goedje dat bliksem en vernieling ter beschikking van de mensheid stelde. Sinds die tijd gingen de klokkengieterijen zich ook bezig houden met het gieten van geschut. Op 23 oktober 1573 werd door Prins Willem van Oranje een resolutie uitgeschreven waarin stond dat te Delft, Lants Tuighuis diende te worden opgericht. Hij gaf deze opdracht aan Jhr. Van Egmond, Mr. Van Wesenbeek en Jhr. Van Duivenvoorde. Zij waren belast met alles wat met het krijgswezen te maken had. En kregen tot opdracht:

“omme zich in ’t bezit te stellen van een bequame plaatse, omme in bewaringe te houden alle het geschut, wapenen, poudre en crijghsmunitie”.

In 1601 besloten de Staten van Holland aan de zuid poort van Delft nog een tweede magazijn op te richten. Dit zou de naam krijgen Magazijn van Holland. Bij dit magazijn werd ook een Constructiewerkplaats gebouwd. Deze werkplaats mocht eigenlijk geen naam hebben want het meeste werk werd uitbesteed aan bazen die het in hun eigen winkels vervaardigden. In de resolutie tot oprichting van het magazijn en de werkplaats stond als rechtvaardiging: Om in eigen behoefte te voorzien.

Om hare quote bij den Raad van State, die selden of nooit genoeg van penningen in voorraad is voorzien, om een stapelmagazijn te kunnen aanleggen in stede van met geld, geheel of ten deele met oorlogstuig te kunnen voldoen. Om bij onverhoopt ongeluk, dat aan andere magazijnen van Holland of van de Generaliteit kon overkomen, altoos een toevlucht in het groote stapelmagazijn te Delft te vinden.

Ook de Generaliteit beschikte in Delft over tal van tuighuizen en militaire inrichtingen. Zo bezat dit machtige college een magazijn van vuur en blanke wapenen op de hoek van de Nieuwstraat, in de kapel van het oude Heiligen Geest / Zusterhuis. Verder was er nog een tweede magazijn voor projectielen, loodgereedschap en bruggenmaterieel, reikend vanaf de Oude Delft tot aan de stadsmuur. Aan de Generaliteit behoorde ook de in 1611 buiten de Schiedamse poort gebouwde houtloodsen en het in 1660 op kanonschots afstand, buiten dezelfde poort gebouwde kruitmagazijn. De keuze voor een affuitmakerij in de Houttuynen te Delft was dus toch niet zo heel vreemd.

Uit de prijs waarvoor de affuit makerij werd aanbesteed, mag worden afgeleid dat de eerste aanleg zeer beperkt was. Het eerste gebouw had een lengte van 16 m, was 12 m breed en bevatte drie werkplaatsen: voor de affuit maker, de wielenmaker en de smid. Laatstgenoemde werkplaats besloeg bijna driekwart van het gehele gebouw. Aan de zuidkant bevonden zich een paar bijgebouwen en bergplaatsen voor brandstoffen en ijzerwerk. Voor het bewaren van het constructiehout, waarvoor het terrein voor de stichting van de affuit makerij bestemd was, waren enige grote houten loodsen aanwezig. Tussen die loodsen vond men stapels projectielen. Waarom deze projectielen juist daar lagen wordt niet vermeld.

Oude stadsplattegrond van Delft. Bij de pijl de Houttuinen waar de affuitmakerij gebouwd moest worden.

¹ De 55 leden van de Staten-Generaal hebben de titel ‘Edel Mogende Heeren’. ©PDKAIH2017

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 1 van 11.

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 1 van 11.

De voorgeschiedenis.

Op 15 mei 1648 kwam er een einde aan de 80 jarige oorlog tussen Spanje en de opstandelingen in de Republiek der Zeven verenigde Nederlanden. Er werd door beide partijen een verdrag getekend en hierbij werd de republiek als soevereine staat erkend. Dit verdrag ging de geschiedenis in als de Vrede van Munster.

 

(Gerard Terborch. 1648)
De beëdiging van het verdrag door de Spaanse en Nederlandse onderhandelaars, de zes onderhandelaars met opgeheven vingers. V.l.n.r. Willem Ripperda, Frans van Donia, Adrian Clant tot Stedum, Adrean Pauw, Jan van Mathenesse en Barthold van Gent.

 

De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden tijdens de vrede van Munster.

Na dit verdrag heeft de Republiek niet lang rust gekend. Zij voerde oorlog met Engeland en Zweden en tenslotte brak in het rampjaar 1672 de Hollandse oorlog uit. De republiek werd aangevallen door Engeland, Frankrijk en de bisdommen van Munster en Keulen. Het volk was redeloos, de regering radeloos en het land reddeloos.

Met Engeland had men al in 1671 afgerekend, maar de Franse troepen, onder Luxemburg, bleven in ons land ten oosten van de waterlinie. In de ijsperioden zagen zij zelfs kans het water te overschrijden! Lodewijk de XIVe (de Zonnekoning) heeft uiteindelijk de poging om Nederland in te palmen opgegeven.

Lodewijk XIV (de Zonnekoning)

Op 10 augustus 1678 werd te Nijmegen een vredesverdrag getekend tussen de Republiek en Frankrijk. Doordat Frankrijk en de Republiek vrede sloten zagen ook Spanje en de Duitse keizer zich verplicht de Franse macht te erkennen. Na nog wat onderlinge verdragen sloot op 2 oktober 1679 Zweden de rij en tekende het vredesverdrag met de Republiek. Al deze verdragen staan samen bekend als “De vrede van Nijmegen” en waren een volkomen succes voor de Nederlandse diplomaten. Maar de verliezen van onze land- en zeemacht waren zeer groot geweest, niet zozeer aan manschappen dan wel aan artillerie. Kanonnen waren er in die dagen heel veel nodig.

Het moderne geschut (1879) is technisch zo goed als volmaakt, vrijwel elk schot is een treffer. Ook is de trefkans is met grote nauwkeurigheid te berekenen.

In de 17e eeuw was dat anders. De kanonnen konden niet al te veel op en neer bewegen, van manoeuvreren naar rechts en links was al helemaal geen sprake. De trefkansen waren dan ook uiterst gering. Daar kwam nog bij dat de ouderwetse kogels heel wat „milder” in hun uitwerking waren dan de moderne (1879) brisantgranaten en granaatkartetsen. Kanonnen waren in de dagen van de Koning-Stadhouder (Willem III van Oranje) en van onze nationale zeeheld Admiraal Michiel Adriaenszoon de Ruyter eigenlijk vrij ongevaarlijk. Maar enige trefkans hadden zij toch wel en als er maar genoeg kanonnen waren, was een vuurgevecht in die dagen niet helemaal ongevaarlijk. Het grote aantal moest vergoeden wat er aan trefkans te kort was. De vloot, waarmee Admiraal de Ruyter naar Chatham voer had totaal 3330 kanonnen.

Scheepskanon uit 1645 vervaardigd door de geelgieter Cornelis Jansz Ouderogge en de bronsgieter Dirk Jansz Ouderogge.

Na de vrede van Nijmegen was er in de republiek een groot gebrek aan kanonnen en meer nog aan affuiten (het onderstel van een kanon). De voorziening in het tekort aan artilleriemateriaal was niet al te goed georganiseerd Er waren in de republiek veertien geschutgieterijen, verdeeld over de provinciën en Hare Hoogmogende Heren¹ betrokken veel uit het buitenland. In het type was dan ook een zeer grote verscheidenheid.

Div. kanonnen, affuiten en munitie.

¹ De Staten-Generaal was de federale regering (soevereiniteit) van de Republiek der Verenigde Nederlanden (1579-1795). Deze Republiek was de op 21 januari 1579 bij de Unie van Utrecht ontstane statenbond van zeven soevereine provinciën (gewesten), te weten Gelderland, Holland, Zeeland, Utrecht, Friesland, Overijssel en Groningen. Groningen (Stad en Ommelanden) trad overigens pas in 1594 toe tot de Staten-Generaal. De Staten-Generaal was een collectief, ‘bovennationaal’ bestuur bestaande uit zeven stemhebbende leden, dat besluiten nam over zaken die de gehele statenbond aangingen. De gedeputeerden hadden als college de titel ‘Hare Hoogmogende Heren’. ©PDKAIH2017