GEZAGVOERDER HEMPONT BETROKKEN BIJ VERWIJDEREN EXPLOSIEVEN

Op 7 november 1964 verscheen onderstaand interview met pontwachter Prinsen in ,,DE VRIJE ZEEUW”.

HET SPANDE OM DE HEMBRUG

In de woning Theodorus de Vriesstraat nr.4, te Zaandam, hangt een Delfts blauw bord aangeboden door de directie van de Nederlandse Spoorwegen N.V. aan de hr. H.G. Prinsen.
Dit bord is helemaal niet overbrekelijk verbonden met deze woning, wel met die aan de Hemkade 40 te Zaandam. Daar woonde de heer Prinsen, als gezagvoerder van de Hemponten, sinds 1938 toen hij uit Brabant kwam om in dienst te treden van Rijkswaterstaat, afdeling verendienst, nadat hij ook in Brabant een aantal jaren het landverkeer over het water had gebracht.

Het bord, dat de N.S. aanboden als blijk van waardeering.

Op dat Delfts blauwe bord is de volgende tekst aangebracht ,,Ter herinnering aan uw heldhaftig optreden ter bescherming van de Hembrug in september 1944”. De heer Prinsen bezit hiermee één van de vier borden, die de N.S. destijds heeft laten maken. De anderen waren bestemd voor Remmert Aten, Gerrit Jb. Boll jr. en Cees Standhardt, die er gezamenlijk in slaagden in de nacht van de 26e september 1944, 1750 kilogram dynamiet uit de middelste pijler van de Hembrug weten weg te slepen.

Wij hadden een gesprek met de heer Prinsen en hij vertelde ons. Dat hij al voor deze daad op zijn eigen manier een poging had gedaan om het gevaar, dat telkens opnieuw dreigde, te keren. Hoe vele malen ging het gerucht niet: “De Hembrug wordt vannacht opgeblazen” in die bange verzetstijd. Het is nog maar twintig jaar geleden, maar velen, vooral de jongeren zullen het zich niet meer herinneren, dat vele mensen die in de omgeving van Europa’s grootste draaibrug woonden, dan in paniek wegvluchtten. Zij gingen naar de noordelijke zaangemeenten, naar Haarlem of Amsterdam. Per fiets met masieve banden, per handkar, beladen met beddegoed en andere artikelen, die tot de eerste levensbehoefte behoren. Het gerucht bleek even zo vele malen vals te zijn, maar dat kon men van te voren niet weten.

In de loop van het jaar 1944 was de heer Prinsen in nauwer contact gekomen met één van de Duitse soldaten, die tot de bewakingstroepen van de Hembrug behoorden. Hij had van hem een foto gekregen, nadat de heer Prinsen er stukje voor stukje achter gekomen was, dat deze knaap het met het Duitse regiem niet volledig eens was. Maar was dat de werkelijkheid of camouflage om hem in de val te laten lopen?

Een helderziende.

Met de foto ging hij naar de psychometrist C. Boering. Laatst genoemde beweerde zeer positief, dat de Duitser een communist was en dat zijn vader in de Gladbachstrasse in Krefeld woonde. Dit laatste was juist, zodat de heer Prinsen ook aannam, dat het eerste goed zou zijn. Zeer voorzichtig, stap voor stap, spande hij deze Duitser voor zijn plan om een stukje draad uit de kabel te knippen, die voor het exploderen zou worden gebruikt.
De Duitser deed het. Maar uit angst, dat het uit zou komen, gaf hij zichzelf een schot in de buik.
Hij werd toen van de onheilsplaats Hembrug naar een ziekenhuis in Amsterdam afgevoerd. Of hij de oorlog heeft overleefd, is niet bekend.
Bij Remmert Aten, die toen 49 jaar was, rijpte toen het plan, de lading dynamiet uit de pijler te halen. Hij had een blauwdruk van een opzichter van de Nederlandse Spoorwegen gekregen en aan de hand daarvan werd een plan de campagne opgesteld.
Zijn maat werd de 24 jarige Jacobus Boll Jr., destijds penningmeester der Zaandamse Zwemclub Neptunus.

Aan de slag.

Er was haast bij de uitvoering van het plan. Algemeen werd verwacht, dat de Engelsen en Canadezen zouden doorzetten om noord Nederland te bevrijden. De mogelijkheid, dat de Duitsers zich achter het Noordzeekanaal zouden terugtrekken, nadat de Hembrug was opgeblazen was niet uitgesloten.

De leiding van de ondergrondse, district Zaanstreek, werd op de hoogte gesteld van de plannen. Naar de zin van de heren Aten en Boll duurde het erg lang eer de goedkeuring verleend werd. Intussen was vanuit de woning Hemkade 40 al wel een verkenningstocht gemaakt.

Prinsen had vernomen, dat de brug uitsluitend aan de noord en zuidzijde bewaakt werd door een schildwacht. Vandaar, dat besloten werd bij de circa 70 meter oostelijk van de woning gelegen aanlegsteiger te water te gaan en naar de westelijke pijler te zwemmen.
Vanaf de westelijke kant af zou men dan naar de middelste pijler gaan. Op anderhalve meter onder de waterlijn vanden ze het gat, waar een groot aantal kabels door naar binnen ging. Wanneer die kabels opzij geduwd werden, zouden ze in de koker kunnen komen.

Het water in.

Het jaargetijde werd ongunstige en elke dag uitstel was verlies vonden Aten en Boll. Aan de andere kant werd gewikt en gewogen of de operatie succesvol zou kunnen verlopen. In de loop van de 26ste september kwam van het commando de mededeling, dat de zaak zou kunnen worden uitgevoerd.
‘s Avonds waren de jongens al vroeg bij de familie Prinsen. Tegen half elf maakten zij zich klaar. De gezichten, de armen en de benen werden zwart gemaakt en daarna werden zij met vaseline ingesmeerd. De keuken van de familie Prinen was in een sminkkamer veranderd. Om half twaalf stapten ze de deur uit, nadat de hele familie hen veel geluk had toegewenst.

Onder dekking van Cees Standhardt en S. van Nugter (Siem van Nugteren), die ligplaats kozen onder het steigertje, “doken” Aten en Boll te water. Aten ging voorop. Men kan zich de schrik van Boll voorstellen toen deze zag, dat de bewegingen van Aten fluoresceerden.
“Dieper die armen en benen” was het devies. Nabij het gat van de middelste pijler te zijn gekomen, richtte Aten een zwake zaklantaarn naar boven. Boll zag tot zijn stomme verbazing een aantal dozen, naast en op elkaar gezet, dat zo nodig het misdadig werk zou kunnen doen. Aten pakte de dozen van de voorkant van het horizontale kanaal, dat op ongeveer drie meter hoogte ligt. Boll deponeerde ze, terwijl hij met één voet op de kabels ruste en voor de ander een dwars uitsteeksel van de gang had gevonden, al bukkende in het water.

Onder het bruggetje links dekte C. Standhardt met een stengun de zwemmers
die eerst naar de rechterpijler zwommen en vervolgens naar de middenpijler gingen.

Over tijd.

Inmiddels zat de familie Prinsen maar in zak en as, wat het werd één uur, twee uur, drie uur en nog kwam niemand terug. Het werd half vier maar toen had men de gang dan ook volkomen leeg gemaakt. Op de brug werden intussen de Duitse wachten afgelost. Er voeren schepen rakelings voorbij.

Het waren uiterst spannende momenten, te meer daar bleek, dat in twee dozen de ontbrandingsstoffen zaten. Toen nummer één te water gelaten werd, oordeelden Aten en Boll het nuttig om de andere voorlopig maar wat vast te houden. Stel dat beide net op elkaar terecht zouden komen …
De vreugde in huize Prinsen was groot, toen alle mannen behouden terug waren. Er werden teilen met water gewarmd, de grond afgedekt met zakken vanwege de vaseline. Na de wasbeurt kropen de mannen nog een paar uur in bed.

Maar voor gezagvoerder Prinsen kwamen er enkele benauwde uurtjes. Hij moest ‘s morgens vroeg dienst doen en hij zag dadelijk de her en der drijvende dozen waar de springstof ingezeten had. Ze werden ook alras opgemerkt door de andere pontwachters, die probeerden het karton te bemachtigen. “Laat die rotzooi toch drijven jongens,” merkte Prinsen laconiek op.
Niemand besefte op dat moment nog wat er gaande was geweest.

Opnieuw beginnen.

De Duitsers hebben het wel ondekt. De lading werd vernieuwd. Ook op de middelste pijler werden nu wachte gezet, hetgeen Aten en Boll anderhalve maand later niet belette, om toch weer eens een kijkje te nemen. Toen bleek er een luik boven de kabel ingang gelegd.

Bij de pogingen de Hembrug voor opblazen te behoeden, mag ook de naam van mevrouw Lies Schouten ongenoemd blijven. Ze heeft de kabel met een injectienaald bewerkt, zodat deze onklaar raakte. Zij heeft bij die gelegenheid niet geschroomd in een Duits uniform met een Duitser in de pijler af te dalen.

Een dag voor de capitulatie brachten de Duitsers allemaal blokken met dynamiet aan, onder de brug.
Met behulp van een in Haarlem woonachtige Duitser, die weer bij de familie werd gebracht, heeft men het onheil weer kunnen afwenden. De man heeft een burgerpak gekregen en nam de benen.
“We hebben nooit meer iets van hem gehoord”, zegt de heer Prinsen.

Bijna zes jaar nadat de poging om het in de lucht te laten springen van de Hembrug was voorkomen, op 9 september, kreeg de heer Hendrikus Gijsbertus Prinsen machtiging tot het dragen van het Mobilisatie Oorlogskruis.

Bron “De vrije Zeeuw”, ©PDKAIH2020

Meer over het verwijderen van de explosieven vind u hier: Het verzet en de springladingen in de Hembrug 

 

MIJN VERHAAL IN ,,DE ZAANSE VERHALEN”

MIJN VERHAAL IN ,,DE ZAANSE VERHALEN”

In 2019 werd ik door Sarah Vermoolen, de schrijfster van ,,De Zaanse Verhalen” gevraagd of zij mij hiervoor mocht interviewen.

Het resultaat van dit interview waren vier stukjes die samen ,,Mijn verhaal” vormen.
Via de hieronder staande links kunt u alle stukjes vinden en lezen.
Als laatste en 5e link ziet u een filmpje dat door Merel Kan van ,,De Orkaan” gemaakt is over de zoektocht naar de Duitse soldaat.

Deel 1: We hadden een eigen wereld op de Hembrug

Deel 2: Hembrug bewaakte geheime wereld

Deel 3: Spannend decor

Deel 4: Waar is het lijk van de vermoorde Duitse soldaat?

Het filmpje

BRAND AAN BOORD MUNITIESCHIP?

Het kruitschip van Alkmaar.

Op 12 januari van het jaar 1807 ontplofte er in het centrum van Leiden afgemeerd kruitschip.

Kruitramp Leiden © Infofilm

Men en ook volgende generaties realiseerden zich niet ,dat ramp was veroorzaakt door de ontbranding van zwart salpeterkruit. Dit kruit werd in de twintigste eeuw in de vuurwerkerij in geringe hoeveelheden per scheepslading gebruikt. Ook vage herinneringen aan andere ongelukken waarbij onderandere twee Franse pantserschepen, in 1907 het slagschip “Jéna” en in 1911 de “Liberté” waren te wijten geweest aan het toegepaste Cordiet

Dat de soorten nitroglycerine – nitrocelluose buskruit die in die tijd (1936) bij de Koninklijke Marine in gebruik waren in brand zouden kunnen vliegen was zo goed als ondenkbaar. Buitenstaanders zoals burgemeesters, wethouders en burgers waren hiervan niet op de hoogte en reageerden op de term buskruitschip alsof er elk ogenblik een verschrikkelijke ramp kon ontstaan. Tijdens het langs varen van een schip van de motordienst dat een witte vlag en/of bord voorzien van de met zwarte letters geschreven tekst BUSKRUIT voerde, was dit regelmatig een reden om onmiddellijk in paniek te raken.

Aan het eind van een rustige nacht in het najaar van 1956 verscheen er een rode auto van het Staatsbedrijf der Artillerie Inrichtingen aan de hoofdgracht te Den Helder. Bij de woning van de chef-arsenaal aangekomen stapte het hoofd van de brandweer der Artillerie Inrichtingen en de Majoor Duschase van Bruchem, uit het voertuig en belden aan bij de woning. Na enige pogingen bleek de electrische bel niet te werken. Er reste de beide mannen niets anders dan maar enige steenjes tegen de ramen op de bovenverdieping te gooien. De dienstbode werd hiervan wakker maar reageerde niet omdat zij dacht het een “vriendje”, die onderweg was naar zijn schip een grapje wilde uithalen. Uiteindelijk werd de chef-arsenaal wakker en kwam naar beneden.

De majoor vertelde hem dat hij met zijn gezelschap uit Alkmaar naar Den Helder was gekomen om te vertellen dat motorschip III eigendom van de Marine met een smeulende lading vanaf Alkmaar naar den Helder onderweg was. Vertelde hij dat de lading onmiddellijk gelost moest worden en dat er geen noemenswaardig gevaar kon ontstaan omdat er zich geen buskruit of explosieven aan boord bevonden en de lading slechts uit schroot bestond.

Munitieschepen nabij de hoofdingang van de AI.

De chef-arsenaal begaf zich onmiddellijk naar de werf. Daar aangekomen gaf hij opdracht om de brug bij het Ankerpark en de afsluitboom van het daar aanwezige bassin te openen. Ook liet hij de sluiswachter van de sluis van het Boerenverdriet waarschuwen.
Na deze opdrachten werd de werfbrandweer in kennis gesteld en liet hij weten dat ze zich klaar moesten maken voor de ontvangst van het schip.
Dat gedaan hebbende “verzocht de chef-arsenaal dat de Hembrugdelegatie naar het “Paleis” te gaan en daar Directeur Visman van het een en ander in kennis te stellen. Na de Directeur gewekt te hebben stelden zij hem in kennis van het gehele voorval. Deze dacht dadelijk aan een buskruittransport en wilde onmiddellijk het bevel doen uitgaan om het schip te weigeren. Wat de delegatie ook probeerde om hem aan het verstand te brengen dat er niets ernstig aan de hand was en dat er geen buskruit aanboord was, niets scheen meer tot hem door te dringen.
Toen de ongeduldig geworden delegatie het helemaal gehad had met de onredelijke directeur veranderde de toon van het gesprek en werd er harde woorden uitgewisseld. Uiteindelijk kwam hij op zijn standpunt terug en mocht het schip toch afmeren op “zijn” werf.

Hierop werd er door de Hembrug delegatie besloten om na al de hele nacht in touw te zijn geweest, ergens iets te gaan nuttigen. Na wat vragen en zoeken kwamen zij bij het tegenover het station gelegen hotel Bellevue. Na enig overleg tussen de delegatie en de hotel eigenaar, de keuken was zo rond zes uur ‘s ochtends nog niet open, werd er besloten om een reuzen pannenkoek (de specialiteit van het hotel) te nuttigen. Welke met het nodige bier weggespoeld werd.

Hotel Bellevue te Den Helder

Wat was er nu eigenlijk aan de hand?

De rijkswerf was al enige tijd bezig om van oud ijzer ankers te gieten waarmee zeemijnen konden verankeren aan de zeebodem. Dit goedkope oude ijzer (schroot) werd door diverse bedrijven aangeleverd. Het transport werd meestal door de eigen binnenvaartschepen van de motordienst marine als retourvracht meegebracht. Eén van de grootste leveranciers van het schoot was de Artillerie Inrichtingen aan de Hembrug, daar produceerden men dagelijks grote hoeveelheden draai, frees en boor afval (krullen en spanen)

Schrootafval tijdens het afdraaien van Marinegranaten

Tijdens deze werkzaamheden werd er koel (boorolie) gebruikt om de gereedschappen te koelen.
De spanen waren dus behoorlijk nat van deze boorolie. Dit afval werd buiten opgeslagen en als de berg te hoog werd onstond er broei in de hoop. Als het ook nog een regende en deze zich met de boorolie vermengde werd dit proces versneld. Het kon verder geen kwaad omdat de hoop regelmatig werd omgehaald.
Buiten deze spanen en krullen had men ook een partijtje afgekeurde granaatkartetsen, deze waren in stukken geslagen om de inhoud (met zwavel vastgezette loden kogeltjes) Aan deze scherven was nog wat zwavel en een aantal kogeltjes blijven plakken.
Na dat het schip geladen was zag men dat deze scherven boven op in plaats van onder de krullen lagen. Aan de schipper werd verteld dat hij alle luiken moest sluiten en tot het moment van het losse gesloten te houden. De kans op broeien werd daardoor zo goed als uitgesloten.
Over de aanwezigheid van zwavel had met de schipper niets verteld en het werd ook niet op de vrachtbrieven vermeld. De kans dat er zich nog buskruit, muntie, explosieven in het schip bevonden was geheel uitgesloten, omdat er voor en na het laden van deze schepen een uitvoerige inspectie plaatsvond. Bovendien had de schipper zijn gezin aan boord en zou dus wel twee keer bedenken om hun in gevaar te brengen.

Halverweg de middag vertrok het schip vanaf de Artillerie Inrichtingen en tegen de avond meerde het af in de haven van Alkmaar. Toen het gezin zat te eten klonk er opeens een luid geschreeuw vanaf de kade. “schipper je schip staat in de brand”. Buitengekomen zag hij grote rookwolken vanonder de luiken komen en het stonk verschrikkelijk naar zwavel.

De omstanders dachten zwavel en buskruit, dat gaat goed mis en waarschuwden gelijk de politie. Deze alarmeerden de burgemeester en de brandweer welke laatste er wel erg lang over deed om ter plaatse te komen. Ondanks dat men er vanuit ging dat er een groot gevaar dreigde stond de gehele kade in een mum van tijd vol met mensen . Eén van hen had thuis een schilderij van het kruitschip van Leiden en begon direct te roepen “wegwezen mensen ren zo hard en ver als je kunt, dat schip kan ieder moment ontploffen”.

Een moedige politieman begaf zich over de loopplank naar de schipper die hem onmiddellijk duidelijk maakte dat er geen buskruit, explosieven, of munitie aan boord bevonden maar de agent wilde het evenmin als de burgemeester,die inmiddels ook ter plaatse was, geloven dat dat daadwerkelijk zo was.

De burgemeester belde de Artillerie Inrichtingen Hembrug op en deze verzekerden hem dat er geen munitie geladen was. Ook werd het hoofd van de bedrijfsbrandweer in kennis gesteld en te zamen met de Majoor van Bruchem naar Alkmaar gezonden om de gemoederen te kalmeren en de autoriteiten gerust te stellen. Deze laatste hadden kunnen weten dat er geen buskruit / explosieven / munitie aan boord waren, omdat in dat geval volgens wettelijke voorschriften 1: De burgemeester in elke plaats die het schip zou passeren daarvoor een vergunning moest verstrekken, 2: Er verplicht een begeleider van het Corps Geleiders van Ontplofbare Stoffen v/h Departement van Waterstaat op het schip aanwezig moest zijn en 3: Er begeleidende vrachtbrieven / documenten aanwezig moesten zijn en het schip een munitievlag en een buskruitbord moest voeren.

Buskruit vlag en bord

Toen de delegatie van de Hembrug in Alkmaar aankwam hielp hun uitleg over de oorzaak van de broei helemaal niets en de burgemeester wilde de brandweer het schip vol water laten pompen, waardoor de brand zou doven, het schip zou door deze onbezonnen actie zeker zinken.
Uiteindelijk werd er toch maar besloten om het schip waaruit inmiddels steeds grotere en dichtere geel witte zwavelwolken opstegen, naar het Alkmaardermeer te slepen. Hierdoor werd de vrees van de burgervader dat het schip kon ontploffen als de motor gestart werd enigszins gesust.

In de ochtend waren de grote rookwolken inmiddels geheel verdwenen en kon de schipper zijn reis naar Den Helder hervatten. De gehele verdere reis door het Noord Hollands kanaal verliep verder voorspoedig en het verbaasde de schipper dan ook dat hij ongestoord de plaatsjes en vlotbruggen kon passeren. Wist men hier nog van niets of was de angst inmiddels verdwenen?

In Den Helder was de directeur Visman inmiddels op de losplaats nabij de Westpoort bij het voormalige korenmagazijn aangekomen en trof daar de Hembrug delegatie en de chef-arsenaal welke laatste bezig was om het lossen van het MTD III voor te bereiden.
De directeur reageerde furieus en wilde het scheepje alsnog weigeren, in zijn onredelijkheid ging hij zelfs zover dat hij de Admiraal wilde verzoeken het scheepje op de rede te beschieten en daarmee de grond in te boren.
Precies op dat ogenblik naderde over de Westgracht de MTD III en meerde aan. Ogenblikkelijk begon het werfpersoneel met het lossen en om tien uur ‘s morgens was de klus geklaard. Van de gereed liggende brandslangen was geen gebruik gemaakt en ook deze werden opgeruimd. De vrouw van de schipper, die de nacht bij kennissen in Alkmaar had doorgebracht was inmiddels ook in Den Helder gearriveerd en zorgde er voor dat alle betrokkenen werden voorzien van koffie.
En zo kwam er een einde aan deze veel bewogen reis van het “kruitschip van Alkmaar”.

©PDKAIH2019

Cordiet:  een explosieve rookloze stuwstof die vervaardigd wordt door twee hoogexplosieve stoffen te mengen (nitrocellulose en nitroglycerine).
Zwart salpeterkruit:
mengsel van salpeter, zwavel en houtskool, dat wordt gebruikt als springstof, ontstekingslading en voortstuwingsmiddel.

WERKLIEDENTREIN AI TE WATER

WERKLIEDENTREIN TE WATER.

In 1939, vond er nabij Zaandam een ongeluk plaats waarbij een werkliedentrein voor het personeel der Artillerie Inrichtingen was betrokken.
Als door een wonder vonden er geen persoonlijke ongelukken plaats.

HOUTHANDELS.

Op het traject Amsterdam – Alkmaar – Hoorn vv bevond zich even buiten het station Zaandam een brug (nr.79) die de verbinding vormde tussen de vaart en de Papenpadsluis.
Via deze sluis werd veelvuldig gebruik gemaakt door de vele houthandels in de polder om hun met hout geladen dekschuiten naar de Zaan te vervoeren.

HET ONGELUK.

Op zaterdag 14 januari 1939, kort voor 12 uur, verscheen er een met hout geladen dekschuit voor de sluis. De brugwachter, de heer Dolleman, draaide hierop de brug open om de dekschuit doorgang te verlenen.
Precies op het ogenblik dat de geladen dekschuit zich onder de brug bevond, naderde er een achteruit rangerende trein met daaraan gekoppeld 18 lege personenrijtuigen bestemd voor de werklieden der Artillerie Inrichtingen. De machinist zag te laat de de brug openstond en het achterste rijtuig viel tussen de brughoofden en kwam terecht op het achterste deel van de dekschuit.
De schuitenvoerder, A. Geene, bevond zich op dat ogenblik op het voorste deel van de dekschuit en wist met een geweldige sprong de walkant te bereiken en zich in veiligheid te stellen.

Het ongeluk bij brug 79

VERVANGEND VERVOER.

De stationschef van Zaandam, de heer J.M. ten Napel telefoneerde direct naar de ongevallenwagens van respectievelijk Amsterdam en Alkmaar en verzocht hen met de grootste spoed naar Zaandam te komen. Verder zorgde hij ervoor dat het treinverkeer naar Alkmaar en Hoorn werd omgeleid. Niet veel later werden er pendelbussen tussen Zaandam en Koog a/d Zaan en tussen Zaandam en Purmerend ingezet.

TRACE WEER VRIJGEGEVEN.

Nadat het personeel van de werktreinen uit Amsterdam en Alkmaar er na heel wat inspanningen in geslaagd was, het rijtuig tussen de brughoofden en van de dekschuit te verwijderen.
Het zware onderstel dat van het rijtuig was losgeschoten en op de bodem van de Papenpadsloot was beland, door hen was geborgen.
De andere rijtuigen, de trein en de tussenliggende koppelingen gecontroleerd.
De rails en aansluitingen met de brug nagekeken, kon de brug neergelaten worden en werd het spoor om 17.00 uur, weer vrijgegeven.
De pendeldiensten werden kort daarop ook beëindigd.

©PDKAIH2019

BEGROTING ARTILLERIEBEDRIJVEN 1916

BEGROTING ARTILLERIEBEDRIJVEN

Vergadering van de Ministerraad in begin december 1915:
In Memorie van Antwoord op het afdelingsverslag, betreffende het wetsontwerp tot vaststelling van de begroting van inkomsten en uitgaven van het Staatsbedrijf der Artillerie Inrichtingen voor het dienstjaar 1916 en nadere voorziening ten aanzien van de rente, door het bedrijf aan ‘s Rijks middelen uit te keren zei de Minister van Oorlog , N. Bosboom, over:

LONEN EN TOESLAGEN

Dat het niet in het voornemen lag om aan de ambtenaren van het Staatsbedrijf der Artillerie Inrichtingen een toelage te geven voor de buitengewoon lange werktijd, wel werd aan ambtenaren van deze inrichtingen, van wie het traktement minder dan hfl. 3600 bedroeg, een maandelijkse premie toegekend, welke verband hield met de meer productie van de inrichtingen in de voorgaande maand (november 1915) in vergelijk met de productie van de inrichtingen onder normale omstandigheden.

Minister van Oorlog – N(icolaas) Bosboom

Aangezien de lonen van de werklieden in 1914 al verhoogd waren lag het niet in zijn bedoeling om deze nogmaals te verhogen.
Dat de dienst zwaar was werd niet door de Minister ontkend. Hij greep de gelegenheid ook aan om zijn voldoening uit te spreken over de toewijding en ijver waarmee het personeel onder zware omstandigheden zijn taak had verricht, doch hij vond niet dat de daaraan verbonden langere werktijd geen aanleiding gaf voor een algemene loonsverhoging. Dit omdat het loon voor elk uur overwerken al met 50% werd verhoogd.

GEEN VERLOF

Dat aan de Artillerie Inrichtingen het Taylorstelsel¹ zou worden toegepast en dat het personeel geen verlof mocht opnemen bestempelde de Minister als onjuist.
Alleen aan personeelsleden, die door de aard van hun werk niet gemist konden worden omdat bij hun afwezigheid de ongestoorde gang van zaken in het bedrijf in gevaar zou komen, werd geen verlof verleend. Voor deze dagen waarop ze in normale tijden verlof zouden hebben gehad, kregen zij 150% meer loon.
Dat de geest van het personeel in deze moeilijke tijden wel eens minder goed zou zijn, werd door de Minister ernstig betwijfeld. In tegendeel zelfs want het was bij de directie bekend, dat de werklieden uiterst content waren met het extra geld dat zij in deze dure tijden een welkome aanvulling vonden.

JAARLIJKSE LOONSVERHOGING

Een vergelijking van de lonen met die van de oorlogvoerende landen, ging voor de Minister niet op.
Het toekennen van een tijdelijke loonsverhoging, of het toekennen van gratificaties aan de werklieden, vond de Minister niet noodzakelijk. Dit vooral omdat het gebruikelijk was om met de ingang van een nieuw jaar, verhoogd werd. De verhoging van januari 1915 was gezien de tijdsomstandigheden achterwege gebleven. De verhogingen die op 1 januari 1916 in gingen bedroegen (1 tot 4 cent per uur op het normale loon voor de niet vaklieden, het opvoeren van het loon voor vaklieden tot 35 cent in Delft en tot 37 cent aan de Hembrug)

Op grond van de motieven die in het voorlopige verslag waren genoemd, zou het volgens de Minister aanbeveling verdienen, als de werklieden werkzaam in de fabrieken aan de Hembrug, in Zaandam zouden wonen. Maar hij zag ook dat er dan zeer vele met elkaar strijdende belangen in het spel zouden komen.

PENSIOENEN

Betreffende de tegemoetkoming in de kosten van verpleging van gezinsleden zei de Minister dat er in geen enkel land zoveel vrijgevige bepalingen, met betrekking op dit onderwerp zijn en hij het niet raadzaam vond om hierin nog verder te gaan.
De inhoudingen voor weduwen en wezenpensioen op de lonen van de losse arbeiders geschiedde volgens de weduwenwet voor Rijkswerklieden 1914 in verband met de wet van 18 Juli 1910 (Staatsblad nr. 109) tot regeling van de pensioenen van de mindere geëmployeerden enz. Op daggeld bij de inrichtingen van ‘s Rijks zee en landmacht.
De arbeiders die na de oorlog weer werden ontslagen, stonden ten aanzien van deze inhoudingen op dezelfde lijn met alle losse arbeiders. Op welke de genoemde wetten van toepassing waren.
Overwogen werd of het wenselijk was de wetgeving met betrekking tot dit onderwerp te wijzigen.
Van gebrek aan medewerking vanuit de directie der Artillerie Inrichtingen en het Departement van Oorlog was geen sprake.

HEMBRUG HOGER LOON DAN DELFT

Met het oog op de afgelegen ligging van de Artillerie Inrichtingen aan de Hembrug en de alle daaraan verbonden bezwaren, vond de Minister het billijk dat de lonen hier dan ook hoger waren als die te Delft. Het lag om die reden dan ook niet in zijn bedoeling om deze lonen gelijk te trekken.

VERGUNNING VOOR BEZOEK AAN BUITENLAND

De maatregel dat voor personen die bepaalde beroepen uit oefenen, de Minister een vergunning moeten vragen om het land te mogen verlaten, golden ook voor het personeel van de Artillerie Inrichtingen.
Tijdens het aanvragen van de vergunning werd er in ieder geval afzonderlijk onderzocht of er door het verlaten van het land door de betrokken persoon gevaar ontstond / of kon ontstaan met betrekking tot lands defensiegeheimen.

ONTSLAG AANGEVRAAGD

Dat de heer Muysken, voorzitter van de Raad van Toezicht ontslag had aangevraagd, had de Minister met leedwezen vernomen. Hij achtte zich niet gemachtigd om de reden hiervan mede te delen. Wel zei hij dat er tussen dhr. Muysken en de directie van de Artillerie Inrichtingen, geen verschil van inzichten bestond, die een reden voor de ontslag aanvraag zouden hebben gegeven.

©PDKAIH2019, ©foto Wikipedia

¹Taylorstelsel:
systeem van wetenschappelijke bedrijfsleiding, met het doel om uit de arbeid het hoogste rendement te krijgen, door iedereen op de juiste plaats en wijze werkzaam te stellen, alle onnodige bewegingen uit te schakelen en zodoende alle verspilling van energie te voorkomen. Het berust op een nauwgezet onderzoek van een ieders arbeidsprestatie.

DODE FOERIER BIJ DE ARTILLERIE INRICHTINGEN HEMBRUG

DE DOJE FOERIER VAN DUIVELSEILAND.

De wachtpost bij de Artillerie Inrichtingen aan de Hembrug was wel de eenzaamste wacht die een milicien kreeg toegewezen.

Miliciens

In elke lichting deed het verhaal de ronde dat je, als je daar op wacht stond, er voor moest zorgen dat je een pakje tabak bij je had, want elke nacht, om klokslag twaalf uur, kwam de “doje foerier” om tabak vragen.
Lang geleden zou een foerier zich daar aan het Duivelseiland hebben verdronken.
Daarom kon hij geen rust vinden en keerde hij elke nacht naar dezelfde plek terug.
De jongens die dat wachtje moesten kloppen waren dikwijls zo bang dat ze het wachtje verkochten.
Toen het de beurt was van de Waal Malefijt, in het jaar 1904, heeft hij in die eenzame nacht goed uit zijn doppen gekeken, maar de “doje foerier” heeft hij niet gezien.
Nadat de wachtpost aan de Hembrug was ingetrokken werd er niet meer over deze foerier gepraat.

Bron Spokerijen in Amsterdam en Amsteland.

DODELIJK ONGEVAL IN DE DOOFPOT GESTOPT

DODELIJK ONGEVAL IN DOOFPOT GESTOPT

Op 14 september 1984 bevond ik mij in de portiersloge van het Militair Complex Hembrug. In het vroege middaguur kreeg ik een telefoontje vanuit de legerplaats Oldenbroek,  waarin werd verzocht om met spoed doorverbonden te worden met de Complex Commandant.
Kort daarop werd ik gebeld door deze, hij vertelde mij dat er een dodelijk ongeval had plaats gevonden tijdens het door personeel van de Commissie van Proefnemingen beproeven van munitie en dat alle telefoon gesprekken met betrekking tot dit gebeuren naar hem doorverbonden moesten worden. De poort gesloten en het al het overige telefoonverkeer  en bezoekers / pers toegang geweigerd moest worden. Reden onbekend, opdracht van de Complex Commandant.
Al snel werd mij duidelijk wat er was voorgevallen. Dat dit alle onderstaande ellende zou opleveren kon niemand vermoeden.

Commissie van Proefnemingen

HET ONGEVAL

Het is rond 11 uur als de Commissie van Proefnemingen in Oldenbroek bezig is met het testen van zeven anti-personeelsmijnen (AP-23). De leider van het team, munitiedeskundige Rob Ovaa had een afvuurlijn aan de ring van het ontstekingsmechanisme  van een mijn bevestigd, hem op scherp gezet en begaf zich daarna naar de schuilbunker, waar ook de rest van het team aanwezig was. Nadat iedereen gereed is geeft hij het commando “vuur”. Er wordt aan de lijn getrokken om de mijn te laten exploderen, maar er gebeurd tegen de verwachtingen in, helemaal niets.
Het team overlegd en komt tot de conclusie dat de lijn gebroken of losgeschoten moet zijn. Nadat er enige minuten verstreken zijn verlaat R. Ovaa de schuilbunker en loopt voorzichtig op de niet geëxplodeerde mijn af. Als hij de mijn op 2 meter genaderd is blijft hij staan, kijkt naar de mijn en loopt vervolgens door. Voorzichtig knielt hij bij de mijn neer. Op het ogenblik dat hij zijn handen uitsteekt ontploft de mijn alsnog. Rob Ovaa, getrouwd en vader van twee kinderen is op slag dood.

DE OPDRACHT

Enkele uren na het ongeval belt de Directeur Generaal Personeel (DGP), Wim Bunnik de bedrijfsmaatschappelijk werker Fred Spijkers. In dit gesprek geeft hij Spijkers de opdracht om de vrouw van Rob Ovaa in te lichten en haar tijdens dat gesprek vertellen dat Rob Ovaa zelf de enige schuldige was van dit ongeval.
Spijkers weet dat dit laatste niet klopt want er heeft nog helemaal geen onderzoek naar de oorzaak van het ongeval plaatsgevonden en er daarom dus ook nog geen schuldige kan worden aangewezen.
Verder is Spijkers op de hoogte dat de uit de zestiger jaren in gebruik zijnde mijnen al eerder in opspraak zijn geweest. Van een eerder ongeval met de AP-23 mijn, waarbij zeven personen waren omgekomen en elf zwaargewond ligt het rapport tussen enkele andere in zijn bureau.
Hij werd door defensie wel vaker ingezet om schades zoveel mogelijk te beperken, maar hij wilde tegenover de weduwe Ovaa, niet liegen over het ongeluk. Omdat het niet opvolgen van een ambtsbevel bij defensie als een doodzonde word beschouwd, voert hij de opdracht uit.
Als hij de vrouw ’s avonds het nieuws brengt schudt hij opzichtig met zijn hoofd. De weduwe begrijpt deze boodschap en zal zich dan ook verzetten tegen deze gang van zaken.

De Anti Personeelsmijn (AP-23)

DE ELLENDE BEGINT

Spijkers kan zich niet verenigen met de gang van zaken en besluit de ongelukken met de AP-23 mijnen te gaan onderzoeken.
De DGP, Bunnik reageert furieus op het door Spijkers zelf ingestelde onderzoek en de door hem gestelde vragen en opmerkingen. Hij laat door de Marine Inlichtingen Dienst (MARID) onderzoeken of Spijkers kan worden aangepakt voor spionage, een zeer zware beschuldiging in de tijd van de koude oorlog. De MARID kan niets ten nadele van Spijkers vinden en het onderzoek wordt overgedragen aan de Landmacht Inlichtingen Dienst (LAMID). In een in 1986, door deze dienst gemaakt en uitgelekt geheim rapport staat dat Spijkers als een ‘politiek crimineel’ moet worden beschouwd.
Als Spijkers er jaren later achter komt vraagt hij defensie om opheldering. De landsadvocaat ( van het advocatenkantoor Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn) geeft na een eerdere ontkenning toe dat Spijkers inderdaad op politiek criminele antecedenten is onderzocht maar niet als politiek crimineel te boek staat. Dit werd door een topambtenaar van defensie met klem tegen gesproken. Spijkers vormt met zijn kennis en handelen een gevaar voor het uiterste geheime mijnendossier en is dus wel degelijk politiek crimineel verklaard.

ILLEGALE EXPORT

Als het Ministerie van Economische Zaken samen met de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) een onderzoek start naar illegale export van AP-23 mijnen is ook Spijkers weer volop in beeld en voert Defensie de druk op Spijkers om te stoppen met zijn onderzoek op.
De BVD gaat zich met de zaak bemoeien en het toenmalige hoofd van het kabinet veiligheidszaken zorgt er voor dat Spijkers enige weken in een safehouse verblijft.
In zijn voortdurende strijd met het Ministerie van Defensie wordt hij in de periode 1985-1993 begeleid door BVD medewerkster Ineke IJzerman.
Op 29 februari 1988 verklaart  IJzerman aan de psychiater Van der Post, die Spijker onderzoekt “De ernstige malversaties bij het Ministerie van Defensie zijn feiten die nog veel ernstiger zijn als Spijkers zelf weet en ook zijn angst om door de bedrijfsgeneeskundig dienst weggewerkt te worden is terecht. Men wil hem krankzinnig laten verklaren, zodat zij zijn verklaringen en aantijgingen in de doofpot kunnen laten verdwijnen”.
De DGP Bunnink gelast dat Spijkers zich psychologisch laat testen en hoop hem zo als arbeidsongeschikt zijnde te kunnen dumpen. Spijker stemt in met de test. Als deze door de Defensie arts Lankhorst is uitgevoerd verklaard deze dat Spijkers aan “paranoia, schizofrenie en waangedachten lijdt” Spijkers wordt niet alleen door Van der Post maar ook nog door drie andere onafhankelijke psychiaters onderzocht die allen verklaren dat hij niets mankeert. In 1987 luistert defensie echter alleen naar hun eigen psychiater en dumpt Spijkers.

GIP

ONDERZOEK DOOR DE GIP

Jaren later onderzocht de Mensenrechtenorganisatie Geneva Initiative on Psychiatry (GIP) de zaak Spijkers en schreef in een brandbrief aan de toenmalige defensieminister Joris Voorhoeve (VVD): ‘Wij hebben vastgesteld dat door defensie de psychiatrische rapporten zodanig werden verdraaid dat een geestelijk gezond persoon werd “veranderd” in een psychiatrische patiënt. Het medisch onderzoek van defensie is een duidelijk geval van politiek misbruik van de psychiatrie.
De minister ooit zelf een mensenrechtenactivist heeft hier nooit op gereageerd.

AANSLAG OP SPIJKERS

Op 18 juni 1989, te omstreeks drie uur, draait Spijkers in Huis ter Heide de parkeerplaats van Mac Donalds op, als hij uit zijn auto stapt wordt hij beschoten, het loopt goed af.
Spijkers doet bij de politie in Zeist aangifte van het voorval. De politie draagt de zaak over aan de Koninklijke Marechaussee. De opsporingsambtenaar Schreutelkamp die met de zaak is belast meld na enige weken ‘dat het mogelijk is dat hierbij dienstplichtige militairen van de vliegbasis Soesterberg betrokken zijn’. Bij een fotoconfrontatie herkent Spijkers vijf daders. Deze werden disciplinair gestraft en daarmee was de zaak afgedaan.
Jaren later kwalificeerde Defensie de aanslag als zijnde een kwajongensstreek.

© Mc Donalds Huis ter Heide

DOODSBEDREIGING

Spijkers moet voor zijn leven blijven vrezen.
Op 26 september 2000 word hij door de toenmalige Staatssecretaris van Defensie, Henk van Hoof (VVD) uitgenodigd om in een zaak in Waddinxveen informeel te komen dineren. Tijdens het diner stelt hij van Hoof enige vragen met betrekking tot politici en topambtenaren en toont enige voor hen zeer belastende documenten.
In 1999 had Van Hoof in een poging om het al jaren durende conflict met Spijkers voor eens en altijd uit de weg te ruimen, aan het accountants en adviesbureau Kleynveld, Peat, Marwick, Goerdeler  (KPMG) de opdracht gegeven om deze zaak uit te zoeken. De uitkomst van dit onpartijdige onderzoek zou zoals eerder afgesproken bindend zijn. De stukken die Spijkers toonde waren tijdens het archiefonderzoek van KPMG boven water gekomen.
Van Hoof reageert woedend en bijt Spijkers toe “wanneer jij deze stukken gebruikt en/of naar buiten brengt, dan heb ik ook een wapen dat voor jou absoluut en onherroepelijk dodelijk is”.
Enige dagen na dit voorval stuurt Spijkers van Hoof een brief. In deze brief vraagt hij het hoe en waarom van het dreigement.  Op 13 oktober 2000 antwoord van Hoof heel omslachtig dat, ‘hij dat met een dodelijk wapen heeft gedreigd, maar dat Spijkers dat niet zo serieus moet nemen’.
Het was overigens niet het enige wat KPMG boven tafel had gekregen. Zij schreven dat Spijkers vanaf de datum van het ongeluk (1984) door vertegenwoordigers van het ministerie van Defensie is misleid door hem tijdige, juiste en/of volledige informatie te onthouden, dan wel bewust onjuiste informatie te verstrekken’.

SCHADEVERGOEDING EN ONDERSCHEIDING

Verder werd er afgesproken dat Spijker een belastingvrije schade vergoeding krijgt van 1,6 miljoen euro. En verder moest zijn gehele defensiedossier worden doorzocht op gepleegde misdaden en daarna geschoond van frauduleuze handelingen en documenten.
En buiten dat alles werd hij Koninklijk onderscheiden.
Het klonk als het einde van Spijkers jarenlange nachtmerrie, maar niets was minder waar.

Ridder in de orde van Oranje Nassau

ALWEER EEN AANSLAG

Op zondagavond 16 februari 2003 fietst Spijkers door zijn Gelderse woonplaats als hij wordt aangereden door een grijskleurige Ford Mondeo.
Op het politiebureau verklaart hij: ‘’Het viel mij op dat van tegenovergestelde richting een auto aan kwam met of te hoog afgestelde verlichting of groot licht. ‘Plotseling zag ik dat de bestuurder van die auto zijn stuur draaide, en bijna haaks op mij af kwam gereden en zijn snelheid fors verhoogde. Ik had geen mogelijkheid uit te wijken omdat er veel geparkeerde auto’s stonden’. De auto raakte met zijn linkerzijde Spijkers, die daardoor ten val kwam en meteen tussen de geparkeerde auto’s kroop. ‘ik was doodsbang en dat men nog uit de auto zou stappen. Toen er vanaf de andere kant een auto naderde ging de Mondeo er met gedoofde lichten en hoge snelheid vandoor’
Het politiekorps Gelderland zuid zegt bij monde van de woordvoerster Monique Linthorst Homan: “de aangifte is inderdaad bij ons in behandeling geweest, wij hebben onderzoek gedaan, maar dit heeft niet geleid tot de vaststelling van verdachten. Er onvoldoende opsporingsindicatie om het onderzoek nog voort te zetten’.

ARMOEDE

Toen de Raad van Beroep het ontslag van Spijkers in 1997 had bekrachtigd, was hij werkloos en genoot dus geen inkomsten meer. Hij was onverzekerd en leefde van giften. Volgens gegevens van het UWV uit 2004 heeft hij nog recht op een wachtgeldregeling over de periode oktober 1993 t/m juni 2011. Uit onderzoek dat door Deloitte (zakelijke en financiële dienstverlening) is gedaan, is gebleken dat er bij Achmea Arbo, UWV en het pensioenfonds ABP geen stukken meer zijn die iets kunnen vertellen over de opgebouwde tegoeden, en arbeidsverleden van Fred Spijkers.
Hij verkoos het om in armoede te leven en had de schadevergoeding van 1,6 miljoen op een notariële rekening geparkeerd. Na alles wat hij had meegemaakt vermoedde hij nog een addertje onder het Defensiegras. De schadevergoeding zou zoals afgesproken vrij van belasting aan hem worden overgemaakt. Dat Spijkers het weer goed had gezien openbaarde zich drie weken later toen er een aanslag van 915.123 euro op de mat plofte.

De belastingaanslag

EN DEFENSIE?

Heeft die ook nog wat te zeggen?
Nou nee niet echt: “Defensie en de heer Spijkers hebben een streep onder deze zaak gezet. Defensie voelt zich mitsdien niet vrij over deze zaak van gedachten te wisselen.” Minister Knaap heeft ervoor gezorgd dat de stukken van het dossier Spijkers dat inmiddels uit 175 ordners bestaat tot 2026 geheim blijft.

VERBODEN LANDMIJNEN

De AP-23 was een prestige-wapen van Nederlandse makelij. De mijn werd in de jaren zestig ontwikkeld als wapen in de Koude Oorlog en had als doel de vijand effectief te doden en dat is precies wat de landmijn deed. Maar niet alleen de vijand zou slachtoffer worden van het explosief.
Als de actualiteitenrubriek NOVA in 1987 aandacht aan de mijnen en de daaraan gerelateerde ongevallen besteed wordt de Tweede Kamer wakker.
Zij geven zeer tegen de zin van staatssecretaris Jan Gmelich Meijling (VVD), de Nationale Ombudsman de opdracht om de ongevallen te onderzoeken. Zijn rapport veegt de vloer aan met de manier waarop defensie de voorschriften negeerde en noemt het misleiden van de nabestaanden ‘onthutsend’.
De eerste partij van 1002 stuks die het Zaanse bedrijf Eurometaal in 1968 aan defensie leverde werd al op 12 februari 1969 door de Kwartiermeester Generaal afgekeurd. Maar op een geheime keuringsuitslag ondertekend door kapitein A. A Sip is het woord afgekeurd doorgehaald.
Er boven staat het woord goedgekeurd geschreven.
In 1970 constateert ook de Munitie Onderzoekingsdienst (MOD) een levensgevaarlijke constructiefout aan de mijn.
De AP-23 wordt officieel verboden verklaard, maar in strijd met alle voorschriften en in het grootste geheim wordt er bij Eurometaal op grote schaal verder geproduceerd. Bovendien werd de gebrekkige mijn nog geëxporteerd toen het al lang en breed verboden was.
Waarom defensie het verbod negeerde, vertelt het rapport van de Ombudsman niet. In defensiekringen wordt als verklaring gegeven dat enkele topambtenaren een patent op de AP-23 hadden. Zij zouden zich tot ver in de jaren tachtig hebben verrijkt door de mijn toch te exporteren. Die illegale uitvoer verliep via ambassades en de Portugese munitiefabriek Extra. Het was vooral de route die via Portugal liepen en werd gebruikt als Nederlandse beleid ten aanzien van wapenexportvergunningen moest worden omzeild. De Nederlanders leverden dus aan Portugal en de Portugezen weer aan Zweedse bemiddelaars die de mijnen naar de eindbestemming brachten. Op die manier leverden de Nederlandse wapenfabrikanten decennia lang explosieven, nachtkijkers en chemicaliën aan landen als Irak en Iran die in een bloedige oorlog waren verwikkeld.
Over deze lucratieve handel mocht niets maar dan ook niets in het nieuws komen wat deze handel zou kunnen schaden en daarom verdwenen het productieverbod en de ongelukken met de AP-23 in de doofpot.

Het keuringsrapport met de wijziging door A.A. Sip

FRAUDULEUZE RAPPORTEN

Onder verantwoording van kolonel der marechaussee, Diederik Fabius werden er frauduleuze rapporten opgemaakt met als doel de slachtoffers als schuldigen aan te wijzen. In een door hemzelf geschreven en op 12 april ondertekend rapport over het ongeval dat in 1984 had plaats gevonden schrijft hij dat hij tijdens het justitieel onderzoek een tiental getuigen had gehoord en dat daaruit bleek dat de mijn prima functioneerde en dat de mijnentester Oova zelf schuldig was aan het ongeval. Een jaar eerder besloot het Hoger Militair Gerechtshof dat er twee onderofficieren niet vervolgd werden voor het feit dood door schuld. Deze uitspraak was gebaseerd op het feit dat Fabius ook hier tot de conclusie was gekomen dat de tijdens het ongeluk omgekomen instructeur geheel verantwoordelijk was geweest voor het gebeuren. De Ombudsman kraakt beide door hem uitgevoerde onderzoeken.
Meer dan een kwart eeuw na het verbod is ingesteld begint defensie met het opruimen van de voorraad AP-23 mijnen. Volgens het rapport van de Ombudsman waren er in 1997, 24.953 mijnen vernietigd en stelde staatssecretaris Gmelich Meijling de Tweede Kamer voor om de resterende, instabiele 20.000 stuks die nog in een opslagplaats in Hoogeveen lagen, per vrachtwagen naar een gespecialiseerd vernietigingsbedrijf te brengen. Of dit gevaarlijke transport werkelijk heeft plaats gevonden laat het rapport onvermeld.
Bronnen binnen defensie beweren dat de resterende mijnen te samen met andere in onbruik geraakte explosieven in 1998 uit de militaire opslagplaatsen en van de voorraadlijsten zijn verwijderd. Het transport naar Frankrijk zorgde voor grote logistieke problemen en risico’s. De explosieven zouden naar particuliere opslagplaatsen zijn gebracht. Defensie had op papier aan zijn verplichtingen voldaan en kon niet op zijn gemak gaan zoeken naar andere mogelijkheden voor de vernietiging en of het transport. Of de aantallen opgeslagen en vernietigde AP-23 mijnen kloppen of dat het om nog veel grotere aantallen gaat blijft ook nog een raadsel tot het moment dat alle stukken openbaar worden.

DE VUURWERKRAMP

De door de vuurwerkramp getroffen wijk Roombeek.

De meest geloofwaardige bevestiging van de opslag in particuliere opslagplaatsen is het verhaal van twee ervaren en op het gebied van explosieve stoffen getrainde militaire experts. Nadat op 13 mei 2000 de vuurwerkplaats van het in Enschede gevestigde SE Fireworks ontploft en de hele woonwijk Roombeek is weggevaagd, mogen zij als een van de eersten het rampgebied betreden. Tot hun grote verbazing vinden zij in de puinhopen delen van ontstekingsmechanismen van militaire explosieven, deze zijn mogelijk ook van AP-23 mijnen.

NOG MEER DOODSBEDREIGINGEN

Als ze op de dag na de ramp rapport uitbrengen worden ze onmiddellijk weggestuurd met de mededeling hun ontdekkingen vooral niet wereldkundig te maken.
In de weken na de ramp worden de hulpverleners diverse keren anoniem gebeld en met de dood bedreigd. Ook Alexander Nijeboer schrijver van een artikel in de Nieuwe Revu en het boek Fred Spijker- Een man tegen de Staat is anoniem met de dood bedreigt.

Het boek: EEN MAN TEGEN DE STAAT

In de officiële onderzoeksrapporten naar aanleiding van de vuurwerkramp worden geen meldingen gedaan over de aanwezigheid van militaire ontstekingsmechanismen. Het enige wat aan defensie gelinkt kan worden is het verwijt dat het ministerie zeer onzorgvuldig is geweest bij het verstrekken van vergunningen aan SE Fireworks.

Bronnen: Wikipedia en het boek EEN MAN TEGEN DE STAAT. ©PDKAIH2019

Naschrift: Na de ‘erkenning’ in 2002 volgde in 2010 het werkelijke eerherstel van Fred Spijkers middels een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep na een door Fred Spijkers aangespannen herzieningsprocedure. De uitspraak bevestigt dat de minister van Defensie de ‘hoofdschuldige’ is aan het ontslag van klokkenluider Fred Spijkers in 1993. Ook staat vast dat er een directe relatie ligt tussen het arbeidsconflict rondom Spijkers en diens optreden na het verongelukken van munitie-expert Rob Ovaa.

DE RAMMONITOR ‘PANTER’

De rammonitor ‘Panter’

Op vrijdag 17 september 1892 voer er in de vroege avondschemering, vanuit de richting Amsterdam, een rammonitor door het Noordzeekanaal. Ter hoogte van de eerste Hembrug keerde het schip en meerde af aan een steiger behorende tot het grote Rijks Steenkolenmagazijn.

Zr.Ms. rammonitor 2e klasse Panter (1872-1906) ©Europeana

Het schip, de Zr.Ms. Rammonitor der 2e klasse ‘Panter’ lag amper afgemeerd toen een gedeelte van de bemanning, allen voorzien van een kruiwagen, zich over de steiger naar de loods begaven en kort daarop de van een flinke lading kolen voorziene kruiwagen weer via de zelfde weg naar het schip terug reden.

Steenkool laden bij het Rijks Steenkolenmagazijn

Gedurende een kleine twee uren waren beide rijen onafgebroken bezig en toen zij stopten met het kruien, hadden ze zo’n 70 ton kolen aan boord gebracht.
Gedurende dit hele gebeuren werd het steeds donkerder, bij de eerste volle kruiwagens stonden er op beide zijden van de steiger om de twee meter lantaarns met daarin een brandende kaars.
Toen het nog donkerder werd, werd het werkterrein op de walkant, vanuit twee toestellen zo helder verlicht, dat het wel dag leek. Op het schip zelf werd een felle kalklamp ontstoken.

De werking van een kalklamp ©Wikipedia

Toen de laatste kruiwagen aan boord was, werden de trossen direct losgegooid en vertrok de ‘Panter’ een sterke straal kalklicht voor zich uitwerpend, weer richting Amsterdam.  Of de tegemoet komende schippers daar blij mee waren moet worden betwijfeld.
De gehele actie bleek achteraf een proefneming om te kijken in een hoe korte tijd er bij nacht, 70 ton steenkool kon worden geladen. Het lag in de bedoeling dat er in de nabije toekomst meerdere soortgelijke schepen hun lading steenkolen bij het voornoemde Rijksmagazijn zouden innemen.
Geraadpleegde bronnen Europeana en Wikipedia. ©PDKAIH2019

Gebruikte afkortingen

Kalklamp – een lamp waarin door middel van een vlam, een cilinder van ongebluste kalk (caliumoxide) verhit, waardoor een fel wit licht ontstaat.
Rammonitor –  Een relatief klein, laag op het water liggend,  gepantserd en van zware wapens  voorzien  oorlogsschip met een aan de boeg bevestigde ram.
Ton –  1000 kg
Zr.Ms. –  Zijner Majesteits

HET ONTSLAG VAN A.WILOD VERSPRILLE

A. WILOD VERSPRILLE

De 1e Luitenant der infanterie A. WILOD VERSPRILLE was in de mobilisatiejaren voorafgaande en gedurende de 1e wereldoorlog tewerkgesteld bij de Artillerie Inrichtingen Hembrug en daar verantwoordelijk voor het keuren van de door het bedrijf in Amerika aangeschafte Colt mitrailleurs.

M1895 Colt Browning mitrailleur

Aan het einde van deze oorlog, werd hij door de directie van de Artillerie Inrichtingen belast met het op grote schaal aanmaken van lichte mitrailleurs.
Toen het een en ander, ondanks diverse gesprekken met hem niet naar volle tevredenheid werd uitgevoerd, werd VERSPRILLE ontslagen.
Volgens VERSPRILLE was dit ontslag volkomen onterecht en hij schreef dan ook een brief naar het Departement van Oorlog met het verzoek een onderzoek in te stellen naar zijn ontslag.

DE BEHANDELING VAN HET VERZOEK

Het verzoek werd onder n°.166 op de agenda geplaatst: 166. Inlichtingen op het adres van A. WILOD VERSPRILLE, 1e luitenant der infanterie op non-activiteit, te Nijmegen, houdende verzoek een onderzoek te willen instellen naar zijn ontslag bij het Staatsbedrijf der Artillerie-Inrichtingen. (Gedrukt onder n°. 439 der Zitting 1921—1922.)

(439. 1.)

BRIEF VAN DE MINISTER VAN OORLOG

Aan den Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

’s Gravenhage, 21 februari 1922,

Ter voldoening aan het gevraagde in Uw schrijven van 11 november 1921, n°. 154, heb ik de eer U Hoogedelgestrenge het volgende te berichten omtrent het verzoekschrift van den 1e luitenant A. WILOD VERSPRILLE.

 De directie der Artillerie Inrichtingen belastte in februari 1918 den eerste-luitenant A. WILOD VERSPRILLE met de leiding en de aanmaak op grote schaal van lichte mitrailleurs, o. a. omdat deze officier gedurende zijn verblijf aan de Artillerie-Inrichtingen een uitgebreide kennis omtrent verschillende stelsels van mitrailleurs had opgedaan en hij belast was geweest met de keuring van de tijdens de mobilisatiejaren in Amerika bestelde COLT-mitrailleurs, welke keuring hij zeer tot tevredenheid van den vertegenwoordiger van het munitiebureau te New-York had verricht en waardoor hij zijn kennis omtrent de vervaardiging van mitrailleurs had verrijkt.
Voorts werd mede rekening gehouden met het gunstige oordeel, dat de directie had omtrent den technische aanleg van requestrant, in verband met diens vroeger werk bij de Wapenfabriek. Op grond van een en ander mocht de directie verwachten, dat de mitrailleuraanmaak bij meer genoemden officier in goede handen zou zijn.
De heer WILOD VERSPRILLE behoefde geenszins tot het op zich nemen der leiding te worden overgehaald; hij had bij de directie krachtig op het ter hand nemen van de mitrailleuraanmaak aangedrongen en zich geheel vrijwillig en gaarne voor de leiding van die aanmaak beschikbaar gesteld.
Dat de directie alleen de heer WILOD VERSPRILLE tot de aanmaak in staat zou hebben geacht is niet juist. Aanvankelijk werkte genoemde officier onder de bedrijf chef van de Wapenfabriek, terwijl de directie uitdrukkelijk verlangde, dat zoveel mogelijk overleg zou worden gepleegd met de beproefde speciale wapentechnici, die de voorafgegane voorbereiding en gedeeltelijke uitvoering van de aanmaak voor deze mitrailleurs op kleiner schaal hadden geleid, doch nu te zeer bezet waren met ander werk om ook met de aanmaak in het groot te worden belast.
Na het vertrek van genoemde bedrijf chef in augustus 1918 kreeg de heer WILOD VESSPRILLE geheel zelfstandig de leiding van de mitrailleurfabriek; ook daarna werd hem er meermalen op gewezen, dat hij het gewenste verband met de Wapenfabriek zoveel mogelijk in het oog had te houden.

Inderdaad werden na ongeveer een jaar enkele mitrailleurs ter oplevering aangeboden; deze bleken evenwel ongeschikt voor het gebruik, omdat zij onvoldoende werkten en de te eisen onderlinge verwisselbaarheid van de onderdeden alles te wensen overlieten.
Voorts had de inmiddels ingetreden demobilisatie gelegenheid gegeven, meer tijd en zorg te besteden aan het zoeken naar de meest doeltreffende vorm en de beste wijze van harden en afwerken van de onderdelen.
Dit had echter niets te maken met de kardinale fouten, welke, zo langzamerhand bleek, aan het werk van de heer WILOD VERSPRILLE kleefden.
De instelling van een zogenaamde keuringscommissie ten einde zekerheid te krijgen, dat aan billijke eisen beantwoorde wapens zouden worden geleverd, was niets anders dan de toepassing van de bij de Wapenfabriek steeds gevolgde regel om afgewerkte wapens te laten onderzoeken door personeel, dat onafhankelijk is van degene, die met de aanmaak daarvan is belast.
Daarbij werden geenszins zwaardere eisen gesteld dan redelijkerwijze behoord te geschieden. Trouwens, later is alles wat men indertijd van den heer WILOD VERSPRILLE ten aanzien van de mitrailleurs verlangde — en meer dan dat — bereikt geworden. Evenmin als voor andere wapens was voor deze mitrailleurs schriftelijke formulering nodig om tussen vakmensen te kunnen weten, welke eisen op redelijke wijze moesten en konden worden gesteld. Deze waren in hoofdzaak, dat de wapens behoorlijk zouden schieten en de delen onderling verwisselbaar zouden zijn. Ook nu zijn die eisen nog niet nader schriftelijk vastgelegd, zonder dat daarom iemand in twijfel verkeert hoe de wapens moeten zijn.

Lewis mitrailleur

Er is ook geen ruimte voor de opvatting alsof requestrant als bij verrassing’ voor eisen zou zijn gesteld, waarop hij niet van de aanvang af had behoren te rekenen. Schriftelijke formulering heeft hij nooit gevraagd, noch aan de keuringscommissie, noch aan de directie. Voor hem bestond verder niet de minste verplichting om zich te onderwerpen aan eisen van de commissie als die hem onredelijk zouden zijn voorgekomen. In dergelijk geval had hij zich tot de directie kunnen en moeten wenden. Afgezien wellicht van enkele zaken van ondergeschikt belang, heeft hij echter nooit meningsverschillen omtrent keuringseisen aan het oordeel van de directie onderworpen.

Wel was er herhaaldelijk een meningsverschil tussen den heer WILOD VERSPRILLE en de keuringscommissie over de vermoedelijke oorzaak van gevonden gebreken, de beste wijze om die weg te nemen, enz., doch dit was voornamelijk te wijten aan zijn streven om anderen, meer dan wenselijk zou zijn geweest, buiten de bijzonderheden van de fabricage te houden en gemaakte fouten zoveel mogelijk te verbergen. Dat hierdoor snel afleveren niet werd bevorderd spreekt vanzelf.
De voorstelling alsof het optreden van de commissie remmend zou hebben gewerkt op de goede gang van zaken is ten enenmale onjuist. Integendeel, de commissie heeft voortdurend met buitengewone toewijding getracht slechts het belang van de zaak in het oog te houden en opbouwend te werken. Het model van de mitrailleur heeft door het optreden van de keuringscommissie geen verandering ondergaan. Wel zijn, even goed als dit voor de instelling van de commissie en na het vertrek van den heer WILOD VERSPRILLE geschiedde, ook gedurende de samenwerking met de commissie kleine veranderingen, waarvan de ondervinding de wenselijkheid had leren inzien, aangebracht, als zulks met het oog op leveringstijd, kosten, enz., zonder bezwaar mogelijk was. Echter wees de directie er herhaaldelijk met veel klem op, dat de heer WILOD VERSPRILLE de volle verantwoordelijkheid bleef behouden en dat hij verbeteringen, door de keuringscommissie aangegeven, alleen dan had te aanvaarden, als hij die ook zelf werkelijk voor verbeteringen hield. Bij verschil van mening, hetwelk niet door proeven kon worden opgelost, zou de directie kunnen beslissen. Inderdaad zou door hen, die na het vertrek van de heer WILOD VERSPRILLE de fabricage tot een goed eind wisten te brengen, veel onderdeden als onbruikbaar ter zijde gelegd moeten worden. De oorzaak daarvan lag echter uitsluitend bij de eerst later in hare volle omvang duidelijk geworden onverantwoordelijke en lichtvaardige werkwijze van requestrant. Een gedeelte de afgekeurde onderdeden heeft later bij de aanmaak van exercitiemitrailleurs nuttige aanwending gevonden.

Toen de directie bij het persoonlijk nagaan van wat zij op gezag de aan haar verantwoordelijke personen gemeend had te kunnen aannemen, tot de overtuiging kwam, dat zij geen vertrouwen meer kon blijven stellen in de opgaven van de heer WILOT VERSPRILLE omtrent levertijd, prijs, enz. alsmede omtrent de door hem aangegeven oorzaken van vertragingen, oordeelde zij dat een onderzoek nodig was. Daar zij zelf te zeer door andere bezigheden in beslag werd genomen, droeg zij dit onderzoek op aan een commissie, bestaande uit de drie bedrijfschefs. Dat deze commissie van huis uit noch requestrant noch zijn werk ooit sympathiek gezind was, is een bewering, waarvoor niet de geringste redelijke grond is bij te brengen. Hoewel slechts een van deze bedrijfschefs bijzondere ervaring had van de wapenfabricage, waren allen zonder enige twijfel zeer goed in staat te beoordelen, welke fouten er aan de leiding van den mitrailleuraanmaak kleefden.
De commissie ontdekte bij haar onderzoek zeer ernstige tekortkomingen; het na het vertrek van de heer WILOD VERSPRILLE voortgezette meer gedetailleerde onderzoek heeft de juistheid van het rapport van de bedrijfschefs volkomen bevestigd. De commissie had volle vrijheid haar taak op te vatten zoals zij nuttig achtte. Dat zij den heer WILOD VERSPRILLE niet voortdurend bij het onderzoek aanwezig lieten zijn, is begrijpelijk. Zij achten zich genoodzaakt verschillende ploegbazen buiten tegenwoordigheid van requestrant te horen, omdat zij de indruk had gekregen, dat laatstgenoemde de directie en de keuringscommissie niet eerlijk inlichtte en zijn ondergeschikten er toe aanzette, gemaakte fouten te verzwijgen en te verbergen.

Op grond van vorenbedoeld rapport moest de directie tot de overtuiging komen, dat niet mocht worden gerekend op aflevering van lichte mitrailleurs in afzienbaren tijd, indien werd voortgegaan als tot dusverre; zij achtte het daarom noodzakelijk, de heer WILOD VERSPRILLE de leiding van den mitrailleuraanmaak te ontnemen. Dit besluit en de gronden daarvoor werden de heer WILOD VERSPRILLE door een van de directeuren persoonlijk in een langdurig onderhoud in zijn huis medegedeeld en toegelicht. Hem werd aangeraden gedurende 14 dagen of een maand met verlof te gaan, waarna men, in verband ook met het verdere verloop van het onderzoek naar de toestand, nader zou kunnen beslissen. Het maakte de indruk, dat de heer WILOD VERSPRILLE hierop zou ingaan.
De volgenden dag bleek echter, dat hij zich tot het Departement van Oorlog had gewend met een weinig doordacht schrijven, waarin hij beweerde, dat hem grof onrecht werd aangedaan, dat niet hij schuld droeg aan de mislukking maar de directie en de keuringscommissie, en dat de fabricage in dé war zou lopen als hij niet bleef. Hij wenste ook de leiding niet over te geven en verklaarde zijn functie als bedrijf chef te zullen blijven bekleden, totdat de beslissing van den Minister van Oorlog omtrent zijn ontheffing als zodanig zou zijn genomen.
Deze houding kan natuurlijk niet worden geduld. Het eind was, dat hem de toegang tot het terrein van de fabrieken moest worden ontzegd. Hij kwam toen terug op zijn besluit om geen gebruik te maken van het aangeboden verlof. Door deze wijze van optreden had de heer WILOD VERSPILLE zowel bij zijn chefs en kameraden als bij zijn ondergeschikten zoveel van zijn prestige ingeboet, dat het onmogelijk zou zijn geweest om hem te handhaven in enige betrekking bij de Artillerie-Inrichtingen. Daarom stelde de directie voor, hem bij zijn wapen terug te plaatsen.

De aflevering van mitrailleurs aan de korpsen, ongeveer 5 maanden nadat requestrant uit zijn functie van bedrijf chef van de mitrailleurfabriek was ontheven, is uitsluitend te danken geweest aan de ingrijpende wijziging, welke na zijn vertrek in de fabricage werd aangebracht.
Het ontslaan van losse werklieden hield verband met de. bedoeling om de in verkeerde banen geleide fabricage van verschillende onderdelen tijdelijk stop te zetten, totdat al het aangemaakte door de nieuwe leiders grondig zou zijn nagegaan; en geschift, en de nodige verbeteringen zouden zijn aangebracht.

Minister van Oorlog J.J.C. van Dijk

De beschuldiging, dat de directie bij de moeilijkheden van 1919 in gebreke zou zijn gebleven in het geven van leiding ter zake, mist elke grond. Zij heeft, zoveel het haar mogelijk was aandacht aan de mitrailleurfabriek gewijd en daarbij aanhoudend getracht de zo nodige samenwerking te verzekeren, wat haar, voor zover het de keuringscommissie betreft, ook ten volle gelukte, doch bij requestrant afstuitte op diens overdreven gevoel van eigenwaarde en zijn zucht om liever fouten te verbergen dan eerlijk naar verbetering te streven. Het waren zijn laakbare handelingen die tot gevolg hadden, dat de leiding niet altijd het gewenste effect kon hebben. Dat vele vervaardigde onderdelen als waardeloos werden afgekeurd, had kunnen worden voorkomen als requestrant volgens de bedoelingen der directie had willen samenwerken met anderen; bij de besprekingen erkende hij. dat zulks nodig was en beloofde hij, dat hij dit verder ook zou doen.
Het geldelijk nadeel, ontstaan door vervanging van het groot aantal onderdelen, moet worden geweten aan de onverantwoordelijke werkwijze van requestrant; het behoeft geen betoog dat de directie nooit zoveel delen zou hebben afgekeurd, als die behoorlijk voor oorlogswapens bruikbaar hadden kunnen worden geacht.

Zowel uit de behandeling van deze aangelegenheid vanwege het Departement van Oorlog, als uit het destijds ingestelde onderzoek door een commissie, bestaande uit 2 officieren buiten de Artillerie-Inrichtingen, omtrent verschillende onderwerpen, welke in de Tweede Kamer der Staten-Generaal ten aanzien van dit Staatsbedrijf te berde waren gebracht, is overtuigend gebleken, dat requestrant de hem opgedragen taak op zeer onvoldoende wijze heeft uitgevoerd en dat de scherpe vorm, die het optreden tegenover hem heeft moeten aannemen, gevolg is geweest van zijn eigen ondoordachte handelwijze.
Op grond van een en ander oordeelde mijn ambtsvoorganger het niet nodig, een nader onderzoek te doen instellen. Ook ondergetekende acht een nader onderzoek overbodig, terwijl hij van mening is, dat voor het geven van genoegdoening geen termen aanwezig zijn.

De Minister van Oorlog,
VAN DIJK

NOGMAALS WILOD VERSPRILLE

Wie dacht dat WILOD VERSPRILLE nu van het toneel was verdwenen heeft het mis.
Vlak voor het uitbreken van de 2e wereldoorlog had de Artillerie Inrichtingen een order voor de levering van pantsergranaten voor het Böhler PAG geschut geplaatst bij de munitiewerkplaats NV Metaalwarenmaatschappij Johan de Witt gelegen aan De Staart in Dordrecht

In stelling gebrachte Böhler PAG met op de achtergrond twee pantserwagens

Deze fabriek viel militair gezien officieel onder het DMKL, maar vanwege de order en het ter plaatse aanwezig zijn twee Böhler PAG stukken verantwoording voor deze zaken verschuldigd aan de Artillerie Inrichtingen. Bij het uitbreken van de oorlog werd er regelmatig telefonisch contact onderhouden met directeur Den Hollander van de Artillerie Inrichtingen. Deze gaf de zo verkregen informatie direct door aan het A.H.K.

Op 29 juli beantwoorde Den Hollander een brief N.M. Japikse van het Regelings Bureau van het Algemeen Hoofdkwartier die hem had verzocht om een kopie van de aantekeningen van de telefonisch doorgegeven berichten.

13 mei 1940 ± 10 uur

De Reserve Majoor voor spec.diensten A.WILOD VERSPRILLE, bedrijfsleider van de N.V. Johan de Witt te Dordrecht deelt telefonisch vanuit de fabriek dezer N.V. mede:

“In Dubbeldam zijn Duitsche pantserwagens gezien. De verdediging van de verbinding Moerdijk Rotterdam is onvoldoende sterk. De garnizoenscommandant te Dordrecht is pessimistisch gestemd”

Dit bericht werd door mij aanstonds doorgegeven aan het A.H.K.
Toestel nr. 426

Iets later

Dezelfde berichtgever deelt vanaf dezelfde plaats telefonisch mede:

“De pantserwagens welke te Dubbeldam zij gezien, zouden door de Duitsche troepen buitgemaakte Nederlandsche pantserwagens zijn. Er is ten zuiden van Dordrecht behoefte aan geroutineerde troepen onder leiding van oude, actieve officieren. Een kapitein Dokter, behorende bij een afdeling van 17 R.A. vertelde de reserve Majoor VERSPRILLE, dat zijn afdeling door Duitsche troepen gevangen genomen is na hevig vechten. Daarbij heeft zich moedig gedragen de Kapitein Tenge, die een “flink officier” genoemd werd. Onbekend is waar de krijgsgevangen Nederlanders zijn afgevoerd.
Hedenmorgen waren Duitsche troepen in het Oranjepark te Dordrecht. Ze zijn thans weggetrokken. Ondertussen zijn nog geen uur geleden 50 parachutisten bij Zwijndrecht geland.”

Doorgegeven aan het A.H.K.

Duitse parachutisten thv Zwijndrecht

12.15 uur

De Res.Majoor v. spec.diensten A.WILOD VERSPRILLE telefoneert mij uit zijn fabriek:

“Zo even is in de fabriek een soldaat binnengekomen, naam Colignon, radio telegrafist van de Genie bij de Lichte Divisie. Hij was met vier anderen belast met de bediening van een radiouitzendingsauto van de I.D. te Dubbeldam en kreeg de tussen 7 en 8 uur opdracht van kapitein Mulder opdracht de zendinstallatie van deze auto onklaar te maken en zich met de vier anderen naar het veer in Papendrecht te begeven. Ook de wielrijders, bescherming van zijn afdeling moesten weg. Op weg naar het veer werden zij aangevallen door een Duitsche patrouille die hen verspreidde. Colignon komt nu een bootje vragen om daarmee naar Papendrecht over te steken.
Ingenieur Lambeek van de fabriek Johan de Witt heeft telefonisch bericht van de Gemeente secretaris van Dubbeldam, dat enige pantserwagens, beschilderd met een zwart kruis opgerukt zijn in de richting Dordrecht. Daarachter volgt een Nederlandsche Motorafdeeling.”

Door mij doorgegeven aan het A.H.K.

14.10 uur

De Res.Majoor v. spec.diensten A.WILOD VERSPRILLE telefoneert vanuit zijn fabriek:

“De Gemeente Secretaris van Dubbeldam heeft opnieuw gebeld en gevraagd naar een vertrouwde verbinding met Den Haag. Gisteren heeft hij driemaal getracht het A.H.K. te telefoneren, doch slaagde daarin niet. De burgemeester van Dubbeldam had hem opgedragen mede te delen aan Kapt. Lagas van het A.H.K., dat hedenmorgen drie Duitsche pantserwagens, volgens de burgemeester komende uit Brabant en gevolgd door een overvalwagen Dubbeldam in de richting Dordrecht waren gepasseerd. Nederlandsche soldaten lopen in Dubbeldam rond zonder enige leiding, zonder officieren en zonder verbindingen.”

Deze mededeling is door de Re. Majoor VERSPRILLE doorgegeven aan Kapt. Van der Mark, adjudant van de Garnizoenscommandant te Dordrecht.

Door mij doorgegeven aan het A.H.K., toestel nr. 426

IETS LATER

De Commissaris van Politie te Dordrecht telefoneerde ons ter waarschuwing, dat over ongeveer een uur de Duitsche troepen Dordrecht zullen bezetten. Wij (de res. Officieren v. spec. Diensten WILOD VERSPRILLE en Lambeek) trekken ons terug in de richting Rotterdam, na overgave van het beheer van de fabriek aan onze oudste administratieve kracht Wagenaar”

Bronnen Nationaal Archief, Grebbeberg ©PDKAIH2019

GEBRUIKTE AFKORTINGEN

A.H.K.= Algemeen Hoofd Kwartier
DMKL = Directie Materieel Koninklijke Landmacht
 I.D. = Inlichtingen Dienst
PAG = Pantser Afweer Geschut
R.A. = Regiment Artillerie
Requestrant = degene die het /een verzoek doet
SD = speciale dienst

ARBEIDSCONFLICTEN BIJ DE ARTILLERIE INRICHTINGEN

Het bedrijf.

Minister van Oorlog, N(icolaas) Bosboom

Gedurende de 1e Wereldoorlog werkten er bij het Staatsbedrijf der Artillerie Inrichtingen ruim 8500 personen, het merendeel was in vaste dienst. Het andere deel bestond uit losse arbeidskrachten en dienstplichtige militairen.
     Omdat het bedrijf wapens en munitie vervaardigde, ressorteerde het rechtstreeks onder de Minister van Oorlog, N(icolaas). Bosboom. De leiding van het bedrijf lag, mede daarom in handen van beroepsmilitairen en kende als logisch gevolg daarvan een sterk hiërarchisch karakter.

Arbeidsomstandigheden.

De arbeidsomstandigheden in het bedrijf waren er ronduit slecht.
     Men werkte er zeer lange dagen, hadden slechts korte pauzes en ontvingen een in verhouding tot hun prestaties een zeer karig loon. De officieren die de leiding hadden, gedroegen zich heel onbeschoft tegenover de arbeiders. Verder dreven zij de arbeidsproductiviteit voortdurend op en indien hieraan, om wat voor reden dan ook niet werd voldaan, schroomden zij niet om het personeel te dreigen met ontslag en zelf bedachte straffen zoals het verlagen of inhouden van loon.

Stakingen.

Het kon niet uitblijven dat de werklieden zich gingen verzetten tegen de arbeidsvoorwaarden en omstandigheden waaronder zij moesten werken. En na een reeks van conflicten, barstte in augustus 1916 de bom en brak de eerste staking uit.
     De aanleidingen voor deze grote staking waren o.a. de onbeschofte behandeling, het steeds maar weer opvoeren van de productiesnelheid en het dreigen met straffen of ontslag door de officieren. Ook de lage lonen, toeslagen, onlogische indeling van de dag en nachtroosters en de hygiëne in de was en kleedlokalen maakten deel uit van hun grieven.

Werkwilligen verlaten onder begeleiding van politie en Marechaussee het station Amsterdam. 1916

De vakbond.

Op 18 april 1918 bemoeide de ABLR, (Algemeene Bond Losse Rijkswerklieden) zich met de voortdurende conflicten en riep een staking onder de losse arbeidskrachten uit.
     De aanleiding voor deze staking was de als gevolg van de mobilisatie ingestelde verlenging van de toch al zeer lange werkdagen. Van maandag t/m vrijdag bedroeg de werktijd 12 uur en op de zaterdag 10 uur. Pauzes en reistijden kwamen hier nog bovenop. Gemiddeld waren de werklieden zo’n 82 uur per week van huis.
     De eerste dag van de staking, die de belangrijkste staking gedurende ww1 in Nederland zou worden, lagen c.a. 3000 werklieden het werk neer. De tweede dag zou dit aantal oplopen tot c.a. 4500 werklieden.
     Een andere doch niet onbelangrijke reden voor de staking waren idealistische motieven, voor de ABLR en de arbeiders was het uitroepen van en het staken zelf, een middel waardoor er tegen de oorlog en de kapitalistisch ingestelde staat kon worden geprotesteerd.

Dienstplichtigen.

De commandant van de Stelling van Amsterdam, A.R. Ophorst, had er kennis van genomen dat ook de dienstplichtige militairen die bij de Artillerie Inrichtingen te werk waren gesteld aan de staking deelnamen. Hij sommeerde dat alle stakende militairen zich gekleed in hun uniform moesten melden. De militairen reageerden niet op dit bevel. Een kleine gedeelte van hen is gearresteerd en enkele anderen meldde zich pas na de staking. Het overgrote deel is simpelweg weggebleven.

Overleg.

Nadat de vakbond ABLR de militairen ( 14 a 1500 man) aanspoorde om zich te melden verschenen zij op 25 april weer op het toneel.
De ABLR had de volgende reden om de militairen aan te sporen:
1 Zij wilden het overleg met de minister van Oorlog herstellen.
Dit was op 24 april door de Nederlandse regering afgebroken omdat zij geen stakende militairen wenste te zien. Indien de stakende militairen zich tegen hun arrestatie zouden verzetten, was de regering daarom van plan om in Amsterdam een algemene staat van beleg aan te kondigen.
2 De bond wilde niet langer verantwoordelijk zijn voor de militairen.
3 De militairen hadden in tegenstelling tot de andere stakers geen bonboekjes en broodkaarten gehad omdat die waren ingetrokken.
4 Er dreigde strafrechtelijke vervolging, de krijgsraad zou de militairen voor desertie kunnen veroordelen.

Straffen voor de stakende militairen.

Generaal Majoor R.A. Ophorst. Commandant van de Stelling van Amsterdam

Commandant A.R. Ophorst, van de Stelling van Amsterdam gelastte de overplaatsing van de stakende militairen naar diverse legeronderdelen.
     De commandant bij de Hembrug negeerde dit en gelastte dat de militairen zich de volgende dag op hun werk aan de Hembrug moesten melden. De volgende dag verschenen zij in burgerkleding op hun werk. Ondanks het staken en vervolgens negeren van bevelen bleven de militairen tot ongenoegen van de stelling commandant onbestraft.

De autoriteiten.

Enige tijd later besloten de autoriteiten dat het toch een beter plan was om de dienstplichtigen over te plaatsen en werden zij naar diverse legeronderdelen die ver van de hoofdstad waren gelegen gestuurd.
     De dienstplichtigen die naar een legeronderdeel in Leeuwarden waren overgeplaatst, toonden daar hun ongenoegen door met stenen naar het hoofd van een officier te gooien. Wat niet ongestraft is gebleven.

Resultaat van de staking.

Op 23 mei 1918 eindigde de staking van de losse arbeiders aan de Hembrug. Veel van de stakers toonden zich weer werkwillig en gingen weer aan de arbeid.
     Ze hadden met de staking niets vermeldingswaardig bereikt.
Een paar dagen na de staking, in juli volgde er toch nog een klein succesje voor de stakers. De leiding aan de Hembrug verkortte de arbeidstijd met 7 uur. Maandag tot en met vrijdag werd de arbeidstijd met 1 uur per dag en op de zaterdag met 2 uur ingekort.  ©PDKAIH2019