BAAS ARTILLERIE INRICHTINGEN KRIJGT BEKEURING.

BAAS ARTILLERIE INRICHTINGEN KRIJGT BEKEURING.

In de jaren 20 van de vorige eeuw was het een levensgevaarlijke gewoonte om van nog rijdende treinen die een perron of halte naderden de deuren voortijdig te openen en op het perron te springen. Ook werd er op vertrekkende treinen gesprongen Dit werd ook gedaan door personeel van de Artillerie Inrichtingen en het is dan ook niet verwonderlijk dat menige arbeider door zo’n onbezonnen actie zijn ledematen gekneusd of gebroken heeft, of er in het gunstigste geval er met schrammen, schaafwonden en blauwe plekken van af kwam. Ook kwamen velen er achter dat dit gedrag in artikel 25 van het Algemeen Reglement op Spoorwegvervoer strafbaar was gesteld. Als beloning voor hun gedrag kregen zij een boete van hfl. 10,- . Daar moest in die tijd menige uurtje voor gewerkt worden.

Trein nabij station Amsterdam

De directeur van de Artillerie Inrichtingen, de heer W.G. Houtwipper, die  als goede werkgever over  lijf, leden en gezondheid van zijn personeel waakt en het goede voorbeeld wilde geven, liet in alle werkplaatsen, kantoren en fabrieken een dienstorder op hangen. Daarin stond dat een ieder zich diende te houden aan artikel 25 en dat degene die dat niet deden konden rekenen op strenge straffen. De roekeloze medewerkers waren nu voor eens en altijd gewaarschuwd. Hoe lang het goed ging is onbekend, maar op zaterdagmiddag 26 januari 1929 gebeurde het volgende: De trein uit de Zaanstreek, met daarin enige honderden ambtenaren en ander personeel van de Artillerie Inrichtingen naderde het Centraal Station van Amsterdam en als of er geen artikel 25 en dienstorder bestonden werd  er een deur geopend en sprong er een meneer uit de trein en rende het perron op. Regelrecht in de armen van een ,, smeris” En meneer of niet, hij moest net als iedereen zijn naam, adres en abonnement afgeven aan de man der wet. De overige mensen die ondertussen uit de stilstaande trein waren gestapt proesten het uit van het lachen bij het aanschouwen van de overtreder. Zij hadden hem direct herkend, het was hun directeur de heer Houtwipper, die daar een bekeuring en preek kreeg. De dagen daarna deed het verhaal de ronde dat de heer Houtwipper slechts had willen aantonen wat er gebeurd als je je niet aan zijn dienstorder en artikel 25 houdt. Of  dat de waarheid was weet behalve de heer Houtwipper zelf niemand, wel is zeker dat hij een slechte dag had. ©PDKAIH2015.

Advertenties

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 11 van 11.

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 10 van 11.

DELFT IS DE ARTILLERIE INRICHTINGEN NOG NIET GEHEEL KWIJT.

Zoals al gezegd, was Delft tijdens de mobilisatie de Artillerie Inrichtingen niet geheel kwijt. Er werd daar een rijwielafdeling opgericht en later een automobielafdeling. Het aantal werknemers was 600 a 700 man.

Rijwielwerkplaats Delft 1915

Tijdens de mobilisatie waren zeer veel rijwielen gevorderd. Deze waren echter van zeer verschillend model en niet berekend op militair gebruik. Men kwam daarom tot een legermodel.

Carosserie bouw in de Automobielenwerkplaats Delft 1915

De autodienst was in de mobilisatietijd geïmproviseerd met krachten uit de burgerindustrie en handel. De werkplaats te Delft was alleen ingericht voor herstellingen en assemblage van automobielen en motorrijwielen.

Drie schepen van de motordienst Hembrug

In de mobilisatietijd werd er tevens de beschikking gekregen over een 8 tal (mogelijk zelfs 10) motorboten voor de verzending van de goederen. Deze  motorschepen  kregen de naam Motordienst Hembrug en een eigen nr.

Na afloop van de oorlog ging al spoedig het gerucht dat de Constructie werkplaatsen naar de Hembrug zouden worden verplaatst. Dit gerucht werd al spoedig waarheid. Ondanks verwoede pogingen van het gemeentebestuur en anderen mocht het niet lukken de werkplaatsen voor Delft te behouden. In 1924 werden de machines en werktuigen geleidelijk over gebracht naar Hembrug. Delft was daarmee een voorname bestaansbron kwijt. In 1925 was de verhuizing voltooid. Een zeer klein gedeelte van het bedrijf en de automobiel en rijwielafdeling bleven in Delft achter. Hieraan kwam na het uitbreken van de 2e wereldoorlog een einde. De gebouwen te Delft werden door het Rijk verhuurd en gedeeltelijk als opslagplaatsen voor de Artillerie Inrichtingen bestemd. Later zijn daarin diverse industrieën gevestigd of zijn zij als bergruimten in gebruik genomen.

Nu, we schrijven 2014 is vrijwel alles door de modernisering verdwenen. Het gehele staatsbedrijf was  dus sinds die tijd bij de Hembrug geconcentreerd. Het is begrijpelijk dat deze concentratie enorm bijdraagt aan een zo efficiënt mogelijk beheer. Niet alleen oorlogsgoederen werden er vervaardigd, sinds 1919 voerden de Artillerie Inrichtingen de autodiensten uit voor de posterijen te Amsterdam en Rotterdam en voor de departementen van Defensie en Justitie.

Door de AI geassembleerde en gebruikte postauto met het AI embleem op het portier

Er wordt vaak verteld en geschreven dat dit was om de militairen bekend te maken met aardrijkskundige kennis van Nederland. Dit voor het geval er weer oorlog zou komen. In werkelijkheid was het om het automateriaal, dat bij de demobilisatie voor het leger niet meer nodig was, productief te maken. Maar de fabricage van wapens en munitie was toch hoofdzaak gebleven. Wij verlangden, ook nu nog, allemaal naar de wereldvrede maar zelfs nu hij is nog niet verzekerd. Zolang er nog geen internationale ontwapening is, blijft de nationale bewapening een noodzakelijk kwaad. En als er dan bewapening nodig is, moet zij goed zijn. Aan de Artillerie Inrichtingen heeft het zeker niet gelegen. Zij hebben getoond wat te kunnen presteren als onze neutraliteit gevaar dreigde te lopen. Dat ons leger in 1914 tot 1918 paraat was, danken wij voor een zeker niet gering deel aan haar. En daarvoor zijn wij, ook nu het bedrijf niet meer bestaat, nog zeer erkentelijk. ©PDKAIH2014

 

 

 

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 10 van 11.

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 10 van 11.

Artillerie Inrichtingen worden Staatsbedrijf en de 1e wereldoorlog breekt uit.

In 1913 werden de Artillerie Inrichtingen een Staatsbedrijf met een eigen begroting en kregen een burger directie. Ook de leiding van de bedrijven gingen in burgerdienst over. Dit was een grote vooruitgang omdat men zodoende personeel kreeg dat zich blijvend aan het bedrijf kon wijden. Kort nadat deze maatregel was genomen, brak de 1e wereldoorlog uit.

 

De directie der Artillerie Inrichtingen. Zittend vlnr de heren: Directeur G. Th. van Dam, Directeur; J.H.A. Mijsberg, Directeur; H.M. van Unen, Secretaris; B.J. Top. Staand vlnr. L.L.E. Ornstein,Bedrijfschef Patroonfabriek; J. Jungeling.Bureauchef voor de Technische Zaken; D. Rijnders.bedrijfschef Vuurwerkerij; J.D. Berkhout,Technoloog; N.P.A. du Quesne van Bruchem, waarnemend Bedrijfschef Wapenfabriek; E. Zuidema. Administrateur.

 

Wat is er in die tijd aan de Hembrug gebeurd? Voor het organiseren van de munitieaanmaak met behulp van de particuliere industrie werd het Munitiebureau ingesteld. Later heeft de zorg van dat bureau zich ook over andere zaken dan enkel munitie uitgestrekt. Bij de aanmaak door particulieren werden aanvankelijk opdrachten gegeven aan verschillende fabrikanten. Tenslotte kwam men echter tot geconcentreerde aanmaak, die in een fabriek over het IJ door Belgische fabrikanten van automobielen en met behulp van uit het Oosten van het land overgebrachte werktuigen werd opgezet.  Dit bleek grote voordelen op te leveren. Het benodigde buskruit kon van de fabriek te Muiden worden betrokken. Trotyl werd eerst op kleine schaal uit toluol dat van de gasfabrieken kwam gemaakt.Later werd er een afzonderlijke fabriek gebouwd bij de Hembrug, waar de Bataafsche het maakte uit toluolbenzine.  Deze fabriek bevond zich aan de Amsterdamse zijde van het Noordzeekanaal.

 

Kruitfabriek te Muiden.

 

Behalve artillerieprojectielen werden ook handgranaten in verschillende soorten aangemaakt.Omdat de weermacht die ondertussen was versterkt met de langzamerhand goed geoefende reservetroepen te kunnen bewapenen werd besloten de productie van wapens belangrijk opvoeren. De particuliere industrie hielp om zo snel mogelijk de aan de Hembrug aanwezige werktuigen in een behoorlijk aantal te vermenigvuldigen. Dit ging in een rap tempo omdat zij alleen maar gekopieerd hoefden te worden en er van een groot gedeelte van deze werktuigen al gietmodellen aanwezig waren. Het doel was het zogenaamde wisselbedrijf aan de Hembrug om te vormen in een inrichting waar alle onderdelen van het wapen tegelijkertijd naast elkaar konden worden afgewerkt.

 

Machines bestemd voor fabricage van geweerlopen.Op de voorgrond vier trekbanken waarop de geweerlopen van trekken voorzien worden. Op den voorgrond links: de Bedrijfschef van de Wapenfabriek, D.H.Peereboom Voller. rechts van hem: de Opzichter van de lopenfabricage, M.A. v.d.Ende.

 

De honderden werktuigen die daarvoor nodig waren zijn alle in Nederland gemaakt. Het personeel werd in die tijd sterk uitgebreid naar ongeveer 8500 personen. Een groot probleem tijdens deze oorlog was het verkrijgen van de benodigde materialen. De gewoonlijk gebruikte materialen waren niet te krijgen en men moest zich vaak behelpen met allerlei mindere kwaliteit. Tenslotte zijn zelfs geweren gemaakt van oude rails (het enige staal dat nog in het binnenland in grote hoeveelheden aanwezig was). Telegraafdraad dat eigenlijk bestemd was om prikkeldraad van te maken maar dat toevallig hardbaar bleek werd gebruikt.

 

De voorraad notenhout 1916-1917

 

Ook de inlandse notenbomen werden niet gespaard. Toen het land werd afgezocht bleken er heel wat meer aanwezig dan men aanvankelijk dacht en vielen er duizenden ten offer aan de wapenproductie. Gemiddeld was slechts één op de drie bomen voor het doel geschikt. Al spoedig beschikte men voor de vordering, het rooien en vervoeren van de bomen over zodanig geoefend personeel dat de aanvoer geregeld geschiede. En het kwam slechts zeer zelden voor dat een boom verborgen gebreken vertoonde. ©PDKAIH2017

 

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 9 van 11.

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 9 van 11.

 

De Vuurwerkerij, de Projectielen en de Buizenfabriek

De Vuurwerkerij omvatte de laboreerwerkplaatsen en verder de projectielen en een buizenfabriek. De laboreerwerkplaatsen zorgen voor het maken van verschillende sassen, waaronder die voor de sasringen van de tijdbuizen en de sassen voor de slaghoedjes. (Een sas is een mengsel van een zuurstof gevende stof en één of meer andere stoffen dat en zorgt voor een explosieve ontsteking van de lading van een projectiel).

Hierbij hoorde ook de bereiding van het slagkwik. (een giftige instabiele stof die gemakkelijk explodeerd. De ontsteking geschied mechanisch of chemisch. Het werd veel gebruikt in ontstekers en slaghoedjes).

 

1. Projectieldraaierij van de Vuurwerkerij. 2. Vuurwerkerij het vullen van de brisantgranaat kartetsen met kogeltjes en de onderste laag hiervan vastzetten met hars. 3. Projectieldraaierij met op de voorgrond oefenpantsergranaten. 4. Samenstelling met geheel links dhr. Baijards ©Miranda Rozemeijer

 

 

Ook vervaardigde men hier verschillende andere vuurwerken zoals onder andere: seinpatronen, vuurpijlen, vliegtuigbommen, trotylpatronen, pijpjes voor de ontsteking van het geschut enz. en ook werden hier projectielen met kruit of andere ontplofbare stoffen gevuld. Allemaal werkzaamheden voor rustige en zeer nauwkeurig werkende mensen.

Men onderscheidt granaten, granaatkartetsen, brisantgranaten, brisantgranaatkartetsen of eenheidsprojectielen en kartetsen. In de Buizenfabriek maakte men de zeer nauwkeurig ingestelde, uiterst precieze inrichtingen die in de kop of in de bodem van het projectiel werden geplaatst met het doel om deze te laten springen. Dit kan geschieden tijdens de vlucht vóór en boven het doel, na een vooraf ingestelde tijd of bij het treffen van het doel. In het eerste geval spreekt men van een tijdbuis, in het laatste van een schokbuis. Ook werd er vaak een combinatie van deze twee gebruikt, de tijdschokbuis. ©PDKAIH2017

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 8 van 11.

DE ARTILLERIE INRICHTINGEN VAN 1679 TOT 1925 deel 8 van 11.

De Patroonfabriek

Het hoofdproduct van de patroonfabriek was de geweerpatroon met metalen huls. Deze was nodig geworden bij de invoering van het achterlaadgeweer. De huls diende voor de gasafsluiting tussen loop en slot van het wapen. In Nederland werd deze huls voor het eerst toegepast bij de invoering van het Snider geweer. Bij het betrekkelijk langzame vuur van die dagen en de lage gasdruk was het aanvankelijk mogelijk voor de huls gebruik te maken van het gemakkelijk verwerkbare roodkoper. Later moest om het klemmen van de verschoten huls in de kamer van het wapen te voorkomen worden over gegaan tot het hardere geelkoper of messing (een legering van koper en zink). Dit materiaal bezit, aanvankelijk weinig begrepen lastige eigenschappen. Toen die eenmaal doorgrond waren lukte het hulzen te leveren die onder alle omstandigheden voldeden.

 

Achterlaadgeweer met het Snider systeem. 

 

Het vullen met de buskruitlading gebeurde met automatische werktuigen, die een zeer grote nauwkeurigheid bereikten. De lading werd uit een reservoir in een cilindertje afgemeten en daarna in een bakje gestort. Dit bakje dat op een ronddraaiende tafel aan een balans hing nam een afhankelijk van het gewicht bepaalde stand in. Als het gewicht van de lading te groot was werd het bakje automatisch leeggestort. Als het gewicht te laag was werden er op de drie volgende stations op de tafel steeds enige korrels bijgestort. Als het juiste gewicht was bereikt werd de lading in een huls gestort. Vervolgens werd er een kogel in de huls geplaatst. Daarna werden de samengestelde patronen nog eens stuk voor stuk nagewogen alvorens zij werden goedgekeurd.

 

Het gloeien (harden) van de Nederlandse legerhelm en een gereed product.

 

Behalve de geweerhulzen werden er ook kardoeshulzen voor het geschut gemaakt sinds de mobilisatie tot en met een kaliber van15 cm. Verder hield Patroonfabriek zich bezig met het maken van de verpakkingen zoals de houders en de kartonnen dozen. Later werd er ook lichtspoormunitie vervaardigd. In die tijd kon men de baan van deze munitie ongeveer 500 m volgen. Verder behoorde het maken van helmen eveneens tot de taken van de Patroonfabriek. Een deel van de fabricage van de helmen werd onder toezicht van de Artillerie Inrichtingen bij de Verblifa (Verenigde Blikfabrieken) gemaakt. ©PDKAIH2017

ARTILLERIE INRICHTINGEN ALS SLOOPBEDRIJF?

ARTILLERIE INRICHTINGEN ALS SLOOPBEDRIJF?

Het is algemeen bekend dat beton een voortreffelijk materiaal is, Maar het is ook een bekend feit dat het zeer lastig is om het gebouwde weer te slopen. In 1930 waren er nog maar weinigen die hadden ondervonden hoe moeilijk het was om vooral zware en grote constructies te slopen. De voormalige Zwijndrechtse Oliefabrieken, eigendom van de gelijknamige gemeente gingen verhuurd worden.

Oliefabrieken Zwijndrecht ©Regionaal archief Dordrecht

In één van de te verhuren ruimtes bevonden zich enige gewapende betonvloeren en muren met een dikte van zo’n 15 cm., 2 massieve betonblokken met elk een lengte van 12 meter en een hoogte en breedte van 1,5 meter. Deze betonconstructies waren in het nieuwe bedrijf niet nodig en deze hinderlijke obstakels konden dan ook gesloopt worden.

Door de aanwezigheid van het vele bewapeningsijzer in de vloeren en muren waren deze met behulp van een voorhamer makkelijk stuk te slaan. Een probleem vormden de grote blokken. Hiervoor werd een van een elektromotor voorzien compressor ingezet. De samengeperste lucht dreef een van een zware puntbeitel voorziene luchthamer aan. De beitel en de man die hem bediende trilden beide hevig van het geweld maar het beton gaf hoegenaamd geen krimp. Ook een zwaardere machine die geschikt was voor het tegelijk aandrijven van twee luchthamers, gaf hetzelfde teleurstellende resultaat. Men stapte uiteindelijk over op een heel zware machine voorzien van een benzinemotor. Deze motor produceerde net als de door hem aangedreven luchthamers, een enorm lawaai. Na enkele dagen werk met de machines was het resultaat nog steeds teleurstellend. Slecht een zeer kleine hoeveelheid beton had zich aan al dit geweld prijsgegeven. Op deze manier zou de klus wel heel lang, eigenlijk te lang duren.

Uiteindelijk besloot men om bij de Directie der Artillerie Inrichtingen aan de Hembrug te vragen of die wisten hoe de klus aangepakt moest worden. Deze stuurden de volgende dag hun technische ambtenaar, de heer B. Kabel, vanaf zijn adres Heemraadschapslaan 45 te Amsterdam naar Zwijndrecht. Dit om zich persoonlijk op de hoogte te stellen van de toestand aldaar. Deze kwam al vrij snel tot de conclusie dat er ondanks het feit dat er in de ruimte twee buitenmuren zaten die waren voorzien van, van glas voorziene ijzeren ramen, prima met explosieven te werken was. Hij stond er persoonlijk voor in dat er geen scheurtje in de muren en ook niet in de ruiten zou komen. Omdat er zich zoveel glas in de ruimte bevond, zou er met kleine ladingen gewerkt moeten worden. De blokken konden dan in twee tot drie lagen worden opgeruimd. Met speciale boren en luchtdruk apparaten zouden er om de 75cm, 65 cm diepe gaten met een doorsnede van 32 tot 36 cm geboord moeten worden. Om te voorkomen dat er gruis in de gaten zou vallen moesten deze worden afgesloten met een papieren prop. Deze klus zou binnen 2 dagen geklaard kunnen worden.

Er werden enige houten schotten tussen de betonblokken geplaatst en er werd een groot zeil voor een deel van de ramen gehangen en verder nog een zeil om eventuele rondvliegende brokstukken op te vangen. Daarna was alles gereed om de eerste lading te plaatsen. In drie boorgaten werd een patroon met de springstof trinitrotoliwol neer gelaten. (Toliwol is een gasolie die bij gasfabrikage vrijkomt en daar na nog drie maal met een salpeterzuurmengsel behandeld is.) Per boorgat bedroeg de gemiddelde hoeveelheid 125 gram. Als inleidingsspringstof werden slagkwikpijpjes gebruikt. (Dit zijn koperen hulzen voorzien van 2 gram slagkwik.) Om deze te ontsteken werden elektrische ontstekers gebruikt die over de open kant van de slagpijpjes werden geschoven. Daarna werd het geheel in het boorgat van de patroon geplaatst en door middel van een touwtje bevestigd. Om de uitwerking van de explosie te vergroten werden de gaten verder opgevuld met droog zand en werden de draden van de ontstekers in serie geschakeld en met de hoofdkabel verbonden. Vervolgens werden door de leider van het werk verschillende posten uitgezet met de strikte opdracht een ieder uit het gebied te weren tot het moment dat hij het sein veilig gaf. De hoofdkabel werd daarna naar buiten gebracht en verbonden met het duplex dynamoapparaat.

Dynamoapparaat

De leider vroeg aan alle posten of het door hun bewaakte gebied veilig was en na een bevestigend antwoord van allen zette hij door middel van het apparaat stroom op de leiding. Er volgde nu een doffe dreun en er verscheen een grote stofwolk. Het eerste deel van de klus was geklaard, maar men kon nog niet meteen gaan kijken want de door de explosie vrijgekomen giftige kooldioxide en het stof moesten eerst weggetrokken zijn. Toen men na enige tijd ging kijken zag men dat er een stuk beton van zo’n 3 m3 in grote en kleine stukken gescheurd was en dat er verder in het hele pand en de omgeving verder niets beschadigd was. Op dezelfde wijze werd er verder gewerkt tot dat er nog 75 tot 100 cm boven de grond uitstak. Dit puin werd eerst opgeruimd en daarna werden de overgebleven grote stukken nogmaals met een patroon bewerkt en werd het resterende deel opgeruimd.

Bij betonblokken tot 1 mtr. hoog worden de gaten tot 65 a 75 cm diep geboord. Bij een geringere hoogte wordt er tot ⅓ a ¼ van de onderkant. In twee dagen van zes werkuren is er met 30 springladingen een hoeveelheid beton gesprongen waarvoor men anders maanden werk nodig gehad zou hebben. Het merkwaardige was dat er in de ruimtes naast het werkgebied gewoon doorgewerkt werd en dat er nergens dan ook maar een ruitje was gebroken. Het vallen van een enkel houten schot en de stukken beton maakte meer herrie als de explosies. Het één en ander bewijst maar weer eens dat de Artillerie Inrichtingen tot grote dingen in staat zijn en dat het een grote aanbeveling is om bij andere sloopwerken ook deze methode toe te passen.    © PDKAIH2017

GEZONKEN NABIJ DE HEMBRUG.

GEZONKEN NABIJ DE HEMBRUG.

Gezonken zandbak

Op zaterdag 13 maart 1937 ondervond het pontverkeer op het Noordzeekanaal nabij de Hembrug veel vertraging. Een zandbak die eerder die week door een aanvaring met het Engelsche s.s. „Westminster” gezonken was, werd die dag gelicht. Op de achtergrond de panden van de Artillerie Inrichtingen.©PDKAIH2015

ONTPLOFFING MET DODELIJKE AFLOOP BIJ DE ARTILLERIE INRICHTINGEN.

ONTPLOFFING MET DODELIJKE AFLOOP BIJ DE ARTILLERIE INRICHTINGEN.

Vullen van slaghoedjes voor geweerpatronen in de vuurwerkerij.

Op zaterdagmiddag 18 februari 1911 vond er in de vuurwerkerij  van de fabriek der Artillerie Inrichtingen aan de Hembrug een ongeluk plaats waarbij één werknemer dodelijk getroffen werd en een tweede gewond raakte. Het ongeluk gebeurde tijdens het vullen van slaghoedjes (metalen dopjes) die gevuld worden met sas ((slag)sas is een chemische substantie die door een schok of krachtige tik tot ontbranding of explosie kan komen. Het wordt gebruikt in slaghoedjes van patronen voor de ontsteking van de hoofdlading). De 34 jarige Zaandammer Johannes van der Horst was hiermee bezig toen er plotseling, vermoedelijk als gevolg van wrijving een ontploffing plaats vond.

De machine waarmee deze handeling wordt verricht klapte als gevolg van de explosie uit elkaar. De 46 jarige, eveneens uit Zaandam afkomstige Sergeant Majoor Hendrik Ruiter die bij de werkzaamheden aanwezig was werd door een stuk rondvliegend koper aan de borst getroffen. Deze werd hierdoor zodanig opengereten dat hij direct aan deze verwonding overleed. De heer van der Horst werd door enige brokstukken aan het hoofd getroffen. Omdat deze wonden niet levensbedreigend waren is hij per brancard door de medische dienst naar zijn woning vervoerd.

Op dinsdagmiddag 21 februari 1911, 17.00 uur werd onder zeer grote belangstelling van de directie der Artillerie Inrichtingen, zijn kameraden de onderofficieren en opzichters en verder vele werklieden en overig publiek de lijkbaar van de zaterdagmiddag door het noodlottige ongeval omgekomen Sergeant Majoor H. de Ruiter opgehaald . De lijkbaar was gedekt door twee kransen. Eén van de officieren van de munitiefabriek en één van de onderofficieren en opzichters der Artillerie Inrichtingen. De onderofficieren, opzichters en een aantal werklieden sloten zich bij de stoet aan, die zich door de Langestraat en de Westzijde naar de werf van de firma Evenbleij begaf. Daar lag een sleepboot gereed om het stoffelijk overschot naar Alblasserdam, de geboorteplaats van De Ruiter te vervoeren. Bij de afvaart waren aanwezig de officieren L.C. van Kuyk, Luitenant Kolonel en hoofd der munitiefabriek, D. de Kreuk, Kapitein hoofdopzichter der vuurwerkerij, J.F. Quanjer, 1e Luitenant opzichter der vuurwerkerij en J.A. Meysberg, Majoor en hoofd der werkplaats draagbare wapenen die hun deelneming aan de diep bedroefde weduwe en familieleden betuigde. Verder bedankte de broer van de overledene iedereen voor de laatste eer aan zijn broer. ©PDKAIH2017. Bronnen diverse kranten en tijdschriften ©foto Herman de Ruiter

F.Q. DEN HOLLANDER TIJDENS DE BEZETTING VAN DE AI 1940.

F.Q. DEN HOLLANDER TIJDENS DE BEZETTING VAN DE AI 1940.

In 1938 functioneerde het Staatsbedrijf der Artillerie-Inrichtingen Hembrug slecht. In een poging het bedrijf op het gebied van wapenproductie voor de Nederlandse krijgsmacht geheel zelfstandig te maken vroeg de toenmalige minister van Oorlog, J.J.C. van Dijk aan F.Q. den Hollander (een topfunctionaris van de Staats Spoorwegen) de leiding van het bedrijf op zich te nemen. Deze protesteerde hevig maar werd zo onder druk gezet dat hij in augustus 1938 toch accepteerde. Hij werd benoemd tot adjunct-directeur en in januari 1940 kwam hij in die functie bij het bedrijf. Veel tijd om te reorganiseren had hij niet. Vier maanden later vielen de Duitsers ons land binnen. De wapenproductie was nog maar net op gang gekomen en Den Hollander wilde van samenwerking met de Duitsers niets weten en vroeg ontslag. Ook wilde hij delen van het bedrijf opblazen, maar dit werd hem door het Nederlandse gezag ten strengste verboden. Onder zware druk van de secretarissen generaal, de minister in Den Haag en het personeel van de Artillerie Inrichtingen besloot hij uiteindelijk om te blijven. Hij dacht er niet aan om voor de Duitsers te blijven produceren. Hij besloot om over te schakelen op civiele productie en een aanzienlijk deel van zijn personeel (al dan niet betaald) te laten afvloeien. Veel wapentuig werd er niet meer geproduceerd. En wat er werd gemaakt functioneerde van slecht tot helemaal niet. Op aandrang van de bezetter die hevig geïrriteerd was door zijn optreden, werd Den Hollander uiteindelijk in 1943 met wachtgeld de laan uit gestuurd.

In het tijdschrift ,,Nederlandsch Fabricaat” verscheen  in 1940 een verslag van een gesprek met ir. F.Q. den Hollander, de directeur voorzitter van het Staatsbedrijf der Artillerie Inrichtingen. Het ging er over hoe het bedrijf zich aan de nieuwe omstandigheden onder de bezetter had aangepast.

Ir F.Q. Den Hollander (c)Anefoto

Ir F.Q. den Hollander:

Op 15 mei na de capitulatie zaten wij met onze grootte fabriekscomplexen en 6430 mensen plotsklaps zonder werk. Alle opdrachten kwamen te vervallen en wij waren plotseling zonder, maar dan ook helemaal zonder werk. Het duurde enige weken voordat onze positie ten opzichte van onder andere de bezetter en de autoriteiten, bepaald was. En pas toen kon er een helder begrip over de reorganisatie waar we nu mee bezig zijn ontstaan.

Hoe wilt u het bedrijf aan de gang houden?

Door de overgang op vredesproducten, producten , waarvoor vrijwel dezelfde vakbekwaamheid en uitrusting nodig zijn als die waar wij over beschikken. Juist op dit terrein, onze specialiteit, zijn er heel veel producten die in Nederland nog niet worden gemaakt. Wij zijn ingesteld op metaalbewerking die een hoge nauwkeurigheidsgraad vereist en aan dat soort werk willen wij ons houden. Mede om te voorkomen dat de deskundigheid van onze arbeiders achteruit loopt. In de eerste plaats omvat het ontworpen productieprogramma lichte gereedschappen en werktuigen. Wij denken verder vooral aan span, snij en meetgereedschappen.

Bent u van plan om naast deze gereedschappen en werktuigen ook nog andere artikelen te maken?

Ja er staan ook nog andere artikelen, die niet in Nederland vervaardigd worden op ons lijstje. Bijvoorbeeld onderdelen voor lichte transportmiddelen zoals onder andere transportkettingen en rijwielonderdelen en misschien besluiten we in de toekomst ook wel tot het maken van auto onderdelen. Er is een voortdurende vraag naar reserveonderdelen en dat is allemaal massa maar ook vooral precisiewerk.  Misschien blijkt dit werk van voorbijgaande aard als we door gewijzigde omstandigheden voor sommige artikelen de concurrentie met het buitenland niet meer zinvol kunnen volhouden. Dat neemt echter niet weg dat wij van mening zijn dat onze fabrieken nu zo veel mogelijk op de bestaande behoeften moeten instellen.

Maar met de genoemde maatregelen kunnen wij ons doel niet voldoende bereiken en zouden wij toch nog veel van de beste arbeiders moeten ontslaan. Daarom hebben wij ook nog het idee opgevat om werktuigen en gereedschappen voor de land en tuinbouw (voor zover dat in ons land niet gemaakt wordt) in onze plannen op te nemen. Men moet hierbij denken aan ploegen, zaaimachines, kunstmeststrooiers enz. Deze plannen staan reeds op de tekentafels en er worden prototypes ontworpen. Dit laatste is erg belangrijk want er komt op dit gebied nog ontzaglijk veel uit het buitenland. Maar als Nederlands bedrijf kunnen wij ons in sterkere mate dan het buitenland instellen op de behoeftes van onze tuinbouw.

Maar we zijn er nog niet, tot nu toe sprak ik over het aandeel van onze bedrijven aan de Hembrug, maar er is ook nog ons complex van werkplaatsen te Delft. Daarvoor hebben wij twee speciale productiegroepen bedacht. De eerste betreft messing artikelen. We zijn in staat, en dat gebeurd door niemand anders in Nederland, messing in staaf, profiel en buisvorm te leveren in verschillende alliages (legeringen) al naar gelang de gewenste eigenschappen. De tweede groep betreft het instellen op vredeswerk van de optische en instrumentenafdeling. Ook dit weer op een wijze dat de andere Nederlandse industrieën niet in hun belangen worden geschaad. 

Maar daarbij blijven wij niet stilstaan. Wij hebben altijd al een grootte vakopleiding gehad en die wordt nu verdrievoudigd. De bedoeling daarvan is het aantal vakbekwame, op precisiewerk gespecialiseerde arbeiders in ons land op te voeren om in toenemende mate de industrie te kunnen helpen aan bekwame op onze school opgeleide vaklieden. 

En wanneer begint u nu met het nieuwe werk?

 O, wij zijn al druk aan de gang met allerlei vredeswerk. Enkele artikelen komen binnenkort al op de markt. Ook exporteren wij reeds naar Duitschland. Het bedrijf zal n.l. ook voor de buitenlandsche markt werken. 

Nu de Artillerie-Inrichtingen zoo geheel gaat reorganiseren, kan zij nu op den duur ook een staatsbedrijf blijven? En blijft de naam dan ook ongewijzigd?

Dat zijn vragen waarop zeker een antwoord moet worden gevonden, besloot Ir. den Hollander. Het is echter moeilijk daarover nu al definitieve mededelingen te doen. Ik wil er alleen op wijzen, dat ook de Steenkolenmijnen een staatsbedrijf zijn. En wat de naam betreft, hopen wij de letters A. I. ook in de toekomst te behouden. ©PDKAIH2017